15 lojong oordelen

(15) Doe het goede, vermijd het slechte, waardeer je eigen dwaasheid, vraag om hulp 

Punt III. Neem moeilijke situaties
op in je pad naar verlichting

FOUr practices are the best of methods. The four practices are: accumulating merit, laying down evil deeds, offering to the dons, and offering to the dharmapalas.

Doe het goede, zonder te oordelen

Tussen blokhaken het associatieve werkwoord waarmee je een praktische invulling kan geven aan de slogan.  Bepaal voor jezelf welk werkwoord naar aanleiding van deze slogan, het beste voor jou de theoretische lading dekt.

Doe het goede, vermijd het slechte
Zen, als vorm van boeddhisme, heeft een duidelijk doel: lijden verzachten en waar mogelijk wegnemen. Daarbij wordt, in eerste instantie, het vizier niet gericht op de externe omstandigheden van ons leven, maar op hoe we op die omstandigheden reageren. Want, zo leert de Boeddha ons, door hoe we reageren voegen we maar al te vaak lijden toe, verlengen we bestaand lijden en geven we aanleiding tot nieuw lijden. Onze reacties worden normaal gesproken sterk beïnvloed door de tegenstellingen waarin we denken. En precies dat wordt beschouwd als een belangrijke oorzaak van onnodig lijden. In het bijzonder de tegenstelling tussen goed en slecht. Vandaar het zen adagium: Denk niet in termen van goed en kwaad! 

Doe het goede, zonder te oordelen. Kun je dat?
(15) Doe het goede, vermijd het slechte, waardeer je eigen dwaasheid, vraag om hulp



Hoe brengt denken in termen van goed en kwaad leed voort? Je kunt dat voor jezelf nagaan door je een situatie voor de geest te halen waarin jezelf of iemand die je nabij staat onrecht is aangedaan. Richt je op de dader en beschouw hem als een slecht mens. Zodra je dat doet begin je waarschijnlijk ook negatieve emoties te ervaren zoals verontwaardiging en boosheid. En die voelen ook nog eens volkomen terecht. Sterker nog, als je die emoties niet ervaart, dan zou dat twijfels kunnen oproepen over je betrokkenheid. 

Boosheid geeft energie, maar is ook een soort emotionele pijn die wil worden weggenomen: ze is als opgebouwde druk in een vat op zoek naar een ventiel. In het geval van gerechtvaardigde, terechte boosheid wordt dat ventiel gevonden in vergelding: niets geeft morele verontwaardiging meer voldoening dan het straffen van de dader.

Hierin ligt de kiem van wat kan uitgroeien tot een ‘moraliteit van de boosheid’. De Amerikaanse hoogleraar staatsrecht Walter Berns was hier een pleitbezorger van. Zijn uitgangspunt was dat als je niet boos wordt als je buur lijdt onder een vorm van criminaliteit, je moraliteit twijfelachtig is en je geen goede burger bent. Woede over daders is in zijn ogen niet alleen gerechtvaardigd, maar zelfs nobel. Moraliteit leidt tot woede, woede leidt tot moraliteit. Een gebrek aan woede duidt op een gebrek aan moraliteit, wat op zich weer een reden is om boos te worden. Het straffen van de dader is daarom een morele en emotionele noodzakelijkheid. Dat verlicht de persoon die terecht boos was en herstelt de morele balans. Daarvoor mag, wat Berns betrof, geen middel geschuwd worden, ook de doodstraf niet. 

De moraliteit van de boosheid is een markant voorbeeld van hoe het een voortkomt uit het ander. Het begint met denken in termen van goed en slecht en voor je het weet zit je in een cyclus van boosheid en vergelding, waarin elke volgende stap nieuw lijden te weeg brengt. We kunnen deze cyclus stoppen door in te grijpen waar hij begint: door te stoppen met denken in termen van goed en slecht. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Vooral omdat we zo gewend zijn om ideeën over wat goed is tot leidraad te maken van ons handelen. ‘Doe het goede, vermijd het slechte’, zegt slogan 15 bovendien. Hoe doe je dat dan, hoe kun je het goede doen als je stopt met denken in termen van goed en slecht?

De Chinese zenmeester Hui Hai helpt ons op weg. Hij schrijft: ‘Te midden van al die tegenstellingen zoals goed en kwaad, ben je in staat om ze te onderscheiden zonder erdoor bevlekt te worden om zo de staat te bereiken waarin je volkomen op je gemak bent en vrij van elke afhankelijkheid.’ Hui Hai bevestigt dat denken in termen van goed en slecht een oorzaak is van mentale stress, een vorm van lijden, en daarom beter gemeden kan worden. Daarnaast wijst hij erop dat als we noch de bril van het ene, noch van het andere oordeel opzetten, we scherper en helderder kunnen zien. Liefde maakt blind, maar woede net zo zeer. En hoe scherper we kunnen zien, hoe meer we in staat zijn om te doen wat heilzaam is.

Wat Hui Hai zeker niet zegt is dat goed en kwaad hetzelfde zijn, dat alles één is en dat het dus niet uitmaakt wat je doet. Dit soort ethisch nihilisme is zen volkomen vreemd. Dat blijkt ook uit het volgende citaat: ‘De tien kwaden zijn: doden, stelen, losbandigheid, liegen, verleidelijke taal, laster, grof taalgebruik, hebzucht, woede en valse overtuigingen. De tien deugden kunnen eenvoudigweg gedefinieerd worden als de afwezigheid van de tien kwaden.’ 

Opmerkelijk is dat Hui Hai het slechte wel en het goede niet benoemt. Daarmee geeft hij uitdrukking aan het besef dat wij prima in staat zijn om leed bij onszelf en bij anderen te herkennen en ook kunnen inzien waardoor dat leed wordt veroorzaakt en wat we kunnen doen om onszelf en anderen dat leed te besparen: het slechte vermijden.

Met het goede ligt dit heel anders: ideeën over wat goed en deugdzaam is hoeven helemaal niet behulpzaam te zijn bij het wegnemen van lijden. Integendeel zelfs, want die ideeën zullen vaker wel dan niet in de weg staan om te zien wat op een bepaald moment heilzaam is om te doen. Het volgende zenverhaal illustreert dit. Een zenmeester die op zijn sterfbed ligt besluit om ter plekke zijn opvolger aan te wijzen. Hij vraagt degenen die hiervoor in aanmerking komen om zich rond zijn bed te scharen en zegt: ‘Toon me jullie inzicht, zodat ik mijn opvolger kan aanwijzen.’ Een van de monniken reciteert een sutra en geeft een indrukwekkende uitleg van deze moeilijke tekst. De tweede pakt onverwacht en ongeremd een vaas en gooit die op de grond kapot. De laatste monnik realiseert zich dat het tijd is voor de zenmeester om zijn medicijn in te nemen, pakt een glas water en reikt hem dat samen met het medicijn aan. Daarop zegt deze: ‘Jij hebt het ware inzicht en wordt mijn opvolger.’

Ongetwijfeld hebben de monniken van te voren nagedacht over hoe ze hun inzichten goed konden laten zien. De eerste twee houden vast aan wat ze hebben bedacht en slaan vervolgens de plank mis. De derde ziet af van gedachten over wat goed is om te doen en doet iets dat helemaal niet bijzonder is: hij reikt een glas water aan. Iedereen kan dat. Maar hij doet het en precies op het moment dat het nodig is.

Ideeën over wat goed is en over hoe je het goede doet, kunnen je behoorlijk in de weg kunnen staan om het goede te doen. Denk daarom niet in termen van goed en slecht, maar doe het goede en vermijd het slechte.

Waardeer je eigen dwaasheid

Ideeën over wat goed is en over hoe je het goede doet, kunnen je niet alleen in de weg staan om het goede te doen, ze kunnen zelfs het tegendeel bevorderen en immoreel gedrag rechtvaardigen. Dit fenomeen wordt moral licensing genoemd: het compenseren van slecht gedrag door onszelf voor te houden dat we op andere manieren goed bezig zijn. MacDonald’s, bijvoorbeeld, is meer hamburgers gaan verkopen nadat ze een gezonde maaltijdsalade op het menu hadden gezet. Mensen die daarvoor niet geneigd waren om naar MacDonald’s te gaan gingen nu toch mee met het voornemen om een gezonde salade te nemen. Dat voornemen alleen al gaf zo’n goed gevoel dat ze op het moment dat ze voor de balie stonden zonder twijfel voor een hamburger kozen. Wanneer we het gevoel hebben iets goeds te doen gaan we ons minder zorgen maken over immoreel gedrag daarna. Het voornemen om iets goeds te gaan is hiervoor al voldoende.

Een hamburger verkiezen boven een salade is één ding, discrimineren is iets anders. Het voelt goed om te denken dat ik dat niet doe. Maar ook hier geldt dat hoe meer ik dat goede gevoel heb, hoe groter de kans is dat ik in de praktijk iets anders laat zien. Met andere woorden, ik ga minder discrimineren naarmate ik meer erken dat ik het wel doe. Maar dat voelt weer niet goed, omdat ik ertoe neig om mezelf als een welwillend mens te zien die natuurlijk af en toe een steekje laat vallen, maar die toch in de basis goed is en dus niet discrimineert. 

We kunnen er wel vanuit gaan dat iedereen gelooft dat hij of zij meestal het goede doet. En dat doet de wereld zichtbaar geen goed.

Niet denken in termen van goed en slecht kent twee grote uitdagingen. De eerste is dat je je verlangen om jezelf als een goed mens te zien onbevredigd laat en dat je het ongemak van dit niet-weten leert te dragen. Dat ongemak is juist bij morele oordelen bijzonder groot.

De tweede uitdaging is dit. Als we onze ideeën over goed en slecht niet meer als leidraad nemen van ons ethisch handelen, wat dan wel? De uitdaging is om onze oriëntatie te verleggen van abstractie ideeën en idealen naar waar we nu zijn en ons vermogen om te kunnen ervaren wat er op dit moment in deze situatie nodig is. Een moeder troost haar kind niet omdat ze het goede wil doen. Die gedachte speelt geen rol in haar motivatie. Sterker, we zouden onze wenkbrauwen fronsen als dat wel zo zou zijn. Wat haar leidt is haar vermogen om leed te herkennen, om het appèl dat daarvan uitgaat op te merken en haar bereidheid en mogelijkheid om in een natuurlijke beweging aan dat appèl gehoor te geven.

Kunnen we de bron van onze ethisch handelen verleggen van abstracte ideeën over goed en slecht naar ons vermogen om leed te herkennen waar het zich voordoet en het vertrouwen dat we precies daar en dan kunnen aanvoelen wat er te doen is? Kun je je zo’n ethische heroriëntatie voorstellen? En wat zou daarvoor nodig zijn? Om te beginnen misschien dat we de vraag of iets goed of slecht is consequent vervangen door de vraag: Is het heilzaam of niet?

Elke keer dat je zelf opeens boos wordt, gefrustreerd raakt of mateloos geïrriteerd wordt, is een uitgelezen mogelijkheid om dit te oefenen. Door te beginnen waar je bent en met wat er is. Er is boosheid, of frustratie of irritatie. Veroordeel je jezelf daarvoor? Word je daarom boos op jezelf? Misschien kun je de cyclus doorbreken door het niet te beschouwen als goed of slecht. En het een reminder laten zijn die je weer even met beide benen op de grond zet en je eraan herinnert dat je in een onophoudelijk proces zit. Je kunt kiezen voor de richting van dat proces, maar er is geen bereiken, geen eindpunt, geen ideaal dat gerealiseerd kan worden waarna alles voor altijd goed zal zijn. Er is alleen en steeds weer in dit moment de mogelijkheid om op een heilzame of niet heilzame manier te reageren op wat alles zich voordoet, inclusief je eigen emoties. Waardeer daarom elke keer dat je je je bewust wordt dat je je eigen voornemens geen gestand doet als de mogelijkheid om er opnieuw voor te kiezen en ze precies daardoor op dat moment te realiseren.


(vrij naar Norman Fischer, Training in compassie – Zen Teachings on the Practice of Lojong en de zenlessen van Arthur Nieuwendijk, Zen.nl Amsterdam)

Your Header Sidebar area is currently empty. Hurry up and add some widgets.