avonden reve

‘De Avonden'(5): Laat ons, als het slecht is, zeggen: slecht

Waarin Frits bekend aan Victor dat het toch echt slecht met hem gaat. Het heeft te maken met zijn ouders. ‘Ik krijg de zenuwen,’ zei Frits. ‘Ik wacht, tot ze zich opknopen of elkaar doodslaan. Of het huis in brand.’

 *****  (YouTube)

Hoofdstuk 5. (26 december)

De Tweede Kerstdag is voor Frits even deprimerend begonnen als de eerste. UIteraard vanuit het perspectief van Frits bekeken – zoals we alles in het boek vanuit zijn vertroebelde, depressieve visie op ‘zijn’ werkelijkheid meemaken.
Zijn ouders eten zwijgend. Ogenschijnlijk hebben zijn vader en moeder flinke ruzie. Zijn vader gaat uiteindelijk alleen naar Utrecht. Zijn moeder gaat naar Den Haag. Frits is weer alleen in de huiskamer.
Een cantate van Bach op de radio brengt redding. Frits luistert en voelt zich gelukkig. Of moet ik zeggen: ‘hij denkt: nu ben ik gelukkig!’ Dat is toch een nuance-verschil. Zou Frits naar de inhoud van de cantate hebben geluisterd: “Darzu ist erschienen der Sohn Gottes” (daß er die Werke des Teufels zerstöre.)? We moeten natuurlijk niet overal een symbool in zien. Alhoewel. Waarom wordt nu deze cantate met name genoemd, vraag je je af.
Normaal zit Frits een beetje aan die radio te kloten, zonder echt iets te vinden wat hem boeit. Wikipedia leert dat cantate nr 40 die Bach speciaal voor 2e kerstdag schreef, gaat over de viering van de komst van Christus (delen 1-3), de strijd tegen het kwaad, belichaamd in de slang (4-6) en de vreugde over diens nederlaag (7-8).
Tsja.
Is het dan toevallig dat hij daarna zijn criminele vriend Maurits Duivenis (de Duivel met een ooglapje!) ontmoet. Het is evident dat Maurits staat voor het slechte in de mens. Frits spreekt richting anderen over deze vriend als een jongen met ‘een criminele aanleg’. Maar tegenover Maurits zelf ontkent hij weer dat hij dit gezegd heeft. Frits heeft grote belangstelling voor de criminele praktijken van Maurits maar is ook een beetje bang van hem.
Maar bij zijn bezoek aan Victor Poort kan hij ook wat meer objectief zijn ouders beschouwen. Victor blijkt een zielsverwant die hem heel goed begrjipt.

Titel: De Avonden ( 1947)
Auteur:  Gerard Reve
Beoordeling: ****
Hoofdstuk: 5.
Genre:  Literatuur
Uitzendkanaal: YouTube (audioboek ‘Reve leest De Avonden’)

Hoe gaat het?’ vroeg de jongeman, ‘hoe is het thuis?’‘Heel slecht,’ zei Frits op een opgewekte toon, ‘heel slecht, Viktor. Laten we de dingen bij hun naam noemen. Laat ons, als het slecht is, zeggen: slecht.

Frits verschuilt zich natuurlijk ook hier weer optimaal achter zijn ironie maar hij is toch in staat om contact te maken.
‘En met je ouders?’
‘Een heel schrandere vraag,’ antwoordde Frits, ‘dat is zoiets als te vragen, als het onweert: hoe is het weer op het ogenblik? Ach nee, dat is weer een flauwe vergelijking. In elk geval rot. ’
Ze zaten vlak bij het kacheltje, waarin Viktor met een dik stuk ijzerdraad pookte. ‘Ja, ik luister,’ zei hij. ‘Ik krijg de zenuwen,’ zei Frits. ‘Ik wacht, tot ze zich opknopen of elkaar doodslaan. Of het huis in brand. In godsnaam dat maar. En waarom nog steeds niet? Maar laten we niet wanhopen. Uitstel is geen afstel.’
‘Ja, ja,’ zei Viktor, naar de grond kijkend. Na de bekende absurde verhalen uitgewisseld te hebben gaat Frits weer op huis aan. Van Victor ontvangt hij ook een boek, meer als therapeutisch advies. Later hebben veel literatuurwetenschappers dit boek (De kleine Neurasthenicus) gezien als een inspiratiebron voor Reve. De problematiek waar Frits mee kampt is die van een adolescente neuroticus. ‘De kleine zenuwlijder, handleiding tot een fatsoenlijk leven,’ las Frits. ‘Je mag het nu wel lenen,’ zei Viktor. Frits sloeg het dicht en stak het in zijn jaszak, haalde diep adem en nam afscheid.

Hoofdstuk 5 | 03:06:37 – 03:06:37

Fictie en werkelijkheid in De Avonden van Reve

Victor Poort is in werkelijkheid Bob van Amerongen, een vriend van zijn broer Karel. HIJ werd later rector van het Haarlemse Stedelijk Gymnasium. In een latere fase van zijn leven ging van Amerongen, na de dood van een pleegzoon, zich bezig houden met alcohol- en drugspreventie.

Van Victor krijgt Frits ook het boekje De kleine zenuwlijder, waarin vermakelijke gevallen van geestesziektes staan beschreven. De kleine zenuwlijder bestaat echt en heet in werkelijkheid ‘De kleine neurasthenicus. Beknopte handleiding tot een ordentelijk leven.’
Het boek werd in 1922 in eigen beheer uitgegeven door Herman de Cock (1871-1956).

Most discussed