De kruisridders van ‘Domaine de Pradines’

Tien jaar later keert een wielrenner met zijn club en zijn gezin terug in de Franse Cevennen. Hij gaat nog een keer de wedstrijd uit De Renner van Tim Krabbé fietsen. Is er veel veranderd?

In de bandsporen van Tim Krabbé
(een voorbeschouwende terugblik)

door: die jongen in een Molteni-trui

Een vervallen smeedijzeren hekwerk staat schuin tegen een vervallen muurtje. Het is de zomer van 2009 en ik liep in de vroege ochtend met mijn oudste dochter – zij was toen nog 11 jaar – rond de boerderij van de camping Domaine de Pradines heerlijk te scharrelen. We zijn hier gisteren beland, na een lange tocht kachelen in een volbepakte stationcar naar het Zuiden. Met mijn vrouw, drie kinderen en mijn Stevens Stelvio gaan we een week kamperen in de Cevennen. Ik was zo gek geweest om met een aantal Trappisten het heilige boek van Tim Krabbé De Renner een eer te gaan bewijzen. De route nafietsen en kijken hoe zwaar die tocht was… een niet te ontkennen midlife-crisis, als ik zo terugkijk – ik zal er niet omheen draaien.
Zoals elke wielrenner weet, beschrijft de roman van Krabbé het parcours van een amateurwedstrijd in Zuid-Frankrijk. Bij die route ligt een camping waar ik nu rondloop. Zo’n 60 Trappisten uit Amsterdam en omstreken hebben op deze hoogvlakte – de Causse Noir – hun kampement opgeslagen. Een briljant idee maar nu zit ik als niet-klimmer met de gebakken peren. Drie dagen lang de frustratie voelen van bij een steilte van 7%, en een gewicht van 90 kg, terugzakken naar een tempo van 10 km/u. Veel te langzaam natuurlijk om het verschil te maken. Echt een martelgang. Maar ik vind het zo leuk hè… met een racefiets bergop fietsen. De kilometerpaaltjes aftellen en verlangen naar het moment dat de top bereikt is. Waarom in godsnaam?
‘Omdat hij er staat,’ laat Tim Krabbe iemand in zijn boek zeggen. Een waarheid als een koe. 

Het was nog heerlijk stil en vooral koel op de uitgestrekte, ruige vlakte van het campingterrein. Onder groepjes bomen stond hier en daar een tent en een auto. Iedereen lag nog te slapen. De grote herenboerderij waar we omheen liepen, lag als enige plek van beschaving in het verder kale landschap. De Fransen noemen zo’n vlakte een causse, leerde ik van Google. Ja, ook in 2009 was Google al de primaire bron van al mijn kennis. Honderden kilometerslange uitgestorven, licht glooiende heides, op 1200 meter hoogte. Het waren kalkplateau’s, in een ver geologisch tijdperk ontstaan. Zij liepen soms uit in een diep en steil ravijn (gorges) waar onderin een rivier het plateau verder uitsleet. Zo waren in dit gebied grote vlakten ontstaan, zo’n 1000 meter boven zeeniveau, die afgewisseld werden met diepe kloven.
De verleiding was natuurlijk groot om je met je racefiets in zo’n afdaling te storten en je pas in het dal bij het riviertje te realiseren dat je dat hele stuk ook weer omhoog moest ploeteren om bij de volgende hoogvlakte uit te komen. Maar dat was 2009. Afgezien van een sleutelbeenbreuk in 2005 reed ik nog vrij ongeschonden en zonder trauma’s rond. Toen nog wel. Dalen vond ik zelfs leuk en ik was er niet slecht in. In 2016 viel ik echter tijdens een suffe clubrit op de Kampioen op mijn hoofd: zware hersenschudding en mijn andere sleutelbeen doormidden. Ook een botscherf in mijn knie maar dat wist ik toen nog niet. Van die klap op mijn kop heb ik lang last gehad. Niet fysiek maar wel psychisch. In 2019 daal ik als een oud wijf. Ik verkramp en ben verre ‘1’ met mijn frame. Ik durf niet meer met mijn lichaam te sturen.     
Toen, in 2009, had ik daar allemaal nog geen weet van. Ik stond met mijn leergierige dochter stil bij het hek, dat kennelijk los tegen het muurtje stond om opgeknapt te worden. Grote, paarse vlinders vlogen verschrikt op. Over een paar uurtjes zou de Zuid-Franse zon hier genadeloos gaan branden. Dan was het geen lolletje meer om hier te staan. Kippen liepen los op het erf. De boerderij leek met zijn verweerde gele stenen en gefortificeerde vorm te stammen uit een periode waarin er nog veel dreiging was. Uit het dak stak een sprookjesachtig torentje met een mooi puntdakje. Misschien wel een huiskapel of zo. Dit was duidelijk geen gewone boerenhoeve.  
In het oude poorthek herkende ik grote kruizen, met gelijke benen. Je hoefde geen Robert Langdon te heten om die symboliek te duiden. Tempeliers…

‘Weet je,’ begon ik op mijn onderwijzerstoontje te vertellen, ‘dat op deze plek heel vroeger ridders hebben gewoond?’
Mijn dochter keek mij ongelovig aan. 
‘Echt?’ zei ze, ‘waar is het kasteel dan?’
‘Nou, de boerderij heeft een klein kasteeltorentje, kijk maar…’
Ik wees naar het dak. Mijn dochter keek mij aan met haar bekende blik van ‘jij lult maar wat, papa’.
‘En,’ vervolgde ik snel, ‘het waren natuurlijk kruisridders, die hadden geen groot kasteel nodig met een slotgracht want ze waren altijd weg… op kruistocht naar de stad Jeruzalem – het Heilige Land.’
Zij knikte: ‘Ja, dat soort ridders heb ik weleens op een plaatje gezien: zij hadden een groot rood kruis op hun harnas en hun schild. Het waren goede ridders want zij hielpen iedereen, toch?’  

We tekenden het kruis na met een stok in het zand. Tot mijn schrik herkende ik plotseling in het zand het IJzeren Kruis, de militaire onderscheiding voor heldenmoed die de Nazi’s uitreikten in de Tweede Wereldoorlog. Ik raakte in verwarring over de vorm. Een christelijk kruis heeft toch één uiteinde dat langer is?
Ik probeerde mij zo’n oude schoolplaat voor te stellen waar je van die heldhaftige ridders ziet afgebeeld. Je ziet dat iconische beeld nog weleens opduiken in medieval games. Een helm met een dreigend, gesloten vizier (rechte gleufjes voor de ogen) en op het schild en tuniek een rood kruis. Plotseling besefte ik dat dit soort beelden uit mijn jeugd feitelijk propaganda-posters waren van de katholieke kerk uit de negentiende eeuw. Nu vinden we deze ridders niet meer zo heldhaftig. In naam van het kruis werden namelijk in die tijd duizenden onschuldige moslims over de kling gejaagd.
Maar dat ga ik mooi mijn dochter niet vertellen, bedacht ik mij. Een kind heeft recht op zijn illusies.  

‘Nee, papa,’ zei mijn dochter wijs, schuin kijkend naar het hek.
‘We hebben het kruis niet goed getekend!’
In de vier rechte uiteinden van het kruis tekende zij in het zand nog vier V’s.
‘Heel goed!’ riep ik verrast.
Nu was het een kruis van de kruisvaarders geworden, met duidelijk acht punten. Kinderen kunnen veel beter kijken dan volwassenen. Zij worden nog niet afgeleid door overbodige kennis.
Toen wist ik nog niet dat mijn dochter van 11 een paar jaar later in één vakantie de Da-Vinci code van Dan Brown uit zou lezen. Meteen wist zij alles over de geheimzinnige ‘Orde der Tempeliers’. Het boek van Brown en de film werden overigens heel populair in ons gezin. Mijn zoon Jan las het boek in de brugklas en riep daarna bij elke vage driehoek die hij ergens op straat tegenkwam ‘conspiracy confirmed’.   

Toen we in 2009 neerstreken op de camping Domaine de Pradines om de 3CV te gaan rijden kon ik dat allemaal nog niet weten. Dat mijn dochter 10 jaar later het huis uit zou zijn, in Utrecht studeerde en dikke boeken las over Privaatrecht. Toen waren mijn kinderen nog kind. Maar dat blijven ze natuurlijk. Ook als ik 90 jaar ben en zij waarschijnlijk gepensioneerd. Je kinderen blijven kind tot je dood en daarna.   
En dan mijn zonen in 2009: toen nog maar 8 en 6 jaar. Lagere school-blagen. Zij genoten met volle teugen van de briefings van Marthijn – de initiatiefnemer van de 3CV in 2009. Marthijn heette vanaf de eerste Trappistenavond ‘Meester Marthijn’. Elke avond wilden zij er per se bij zijn in de oude schuur van de camping als Marthijn vertelde over de etappe die de volgende dag verreden zou worden. Met open mond zaten ze te luisteren. Daarna legden we de jongetjes zachtjes op hun luchtbedjes in hun tentje en lazen nog een verhaaltje voor, bij het zwakke licht van de zaklantaarn.
Nu zijn zij 18 en 16 jaar. Ik zou mijn rug breken als ik er één naar bed zou tillen. Zij stinken naar zweet, drinken bier en boeren. Mijn kinderen passen nog net met zijn drieën op de achterbank. En toch gaan ze alle drie dit jaar weer mee. Iedereen met zijn eigen motief.
Onderneem ik tien jaar later een soort kruistocht om op de hoogvlakten van Zuid-Frankrijk dit allemaal te herbeleven? Het klinkt een beetje pathetisch. Een tocht is het wel. Maar een kruistocht? Wat heb ik hier te bestrijden? De vergankelijkheid misschien? Je zou er een mooi en eigentijds Vanitas stilleven van kunnen maken op ons witte campingtafeltje. Ik probeer me voor te stellen wat daar dan op zou liggen vanuit verschillende perspectieven. De Nintendo DS van mijn kinderen, een zaklantaarn met lege batterijen, een leeg en lek binnenbandje, een stukje clavicula…dat is nogeens wat anders dan de klassieke zandloper, kaars en schedel. 

De omgeving waar we de FC Trappist wielerdriedaagse organiseerden, is een streek met een interessant verleden. Dat besefte ik toen ook al. De Cevennen maken deel uit van Occitanië, een op het eerste gezicht voor toeristen vrij onzichtbare culturele achtergrond. Kijk je beter (met de ogen van je kind) zie je een vroeg-middeleeuwse regio met een eigen taal (Langue d’oc: neem dat onuitspreekbare ‘Meyruies’) en cultuur. Maar het meest spannende idee vond ik toch wel dat in de 11e eeuw die kruisridders ook in de Cevennen hun domeinen beheerden. Deze zogenaamde commanderijen, ommuurde dorpjes met herenboerderijen, een kapel en paardenstallen, waren een soort thuishavens waar de kruisvaarders hun tochten voorbereidden. Pas als zij genoeg mankracht, paarden, voedsel en geld bij elkaar hadden om de risicovolle tocht naar het Heilige Land te ondernemen, verlieten zij de commanderij. Op 40 km rijden van de camping ligt bijvoorbeeld zo’n commanderij: het dorpje La Couvertoirade. Nog volledig in tact. Zelfs in de verzameling gebouwtjes van de camping Pradines kun je nog wel zo’n commanderij herkennen. Ook in 2019 kan ik iedereen aanraden naar bijvoorbeeld La Couvertoirade toe te fietsen – een mooi trainingsrondje voor de maandag of dinsdag. 

Je kunt je afvragen waarom de krijgsheren pas in de 11e eeuw op kruistocht gingen. Althans ik heb de onhebbelijke gewoonte om dat soort vragen te stellen. Elke middelbare scholier moet leren dat reeds vanaf de 7e eeuw Moslims Palestina in bezit namen. De ‘Arabieren’ of ‘Moren’ verspreidden zich toen vanuit het Midden-Oosten langs de zuidelijke randen van het Middenlandse zeegebied. Deze kalifaten veroverden en beheerden een groot gebied dat zich uitstrekte van Palestina, Noord-Afrika tot aan Zuid-Spanje. Veel heilige plaatsen van de christenen waren dus al 300 jaar in het bezit van de moslims. De Heilige grafkerk in Jeruzalem bijvoorbeeld – gebouwd op de grond ‘waar Jezus werd gekruisigd’ – kon al eeuwen niet meer bezocht worden door christelijke pelgrims. Toch kwamen de kruistochten vanuit Frankrijk en Engeland pas op gang aan het eind van de 11e eeuw. Hoe kan dat?
De organisatie van gewelddadige kruistochten van christelijke ridders naar het Heilige Land heeft misschien meer te maken met de relatieve rust die in West-Europa na de eeuwwisseling ontstond. In de 11e eeuw groeiden de koninkrijken Frankrijk, Engeland en het Roomse Rijk uit tot redelijk stabiele, christelijke naties. De steeds meer centraal geregeerde staten werden niet meer lastiggevallen door invallen van buitenaf van Vikingen of Moren. Bij veel krijgsheren ontstond in deze landen de behoefte aan grond, fortuin en vooral: avontuur. Laten we dat niet vergeten. Ook werd in die tijd de invloed van de paus in Rome op de koningen in Noord-Europa groter. Toen paus Urbanus in 1096 opriep om de moslims in het Heilige Land mores te gaan leren, reageerden verschillende Franse en Engelse ridders enthousiast en begonnen zij hun tocht te organiseren. 
Nou ja, dat soort geschiedenislesjes draai ik dan in mijzelf af als ik in dat dorpje La Couvertoirade naar een hoopje stenen sta te staren dat een graf blijkt te zijn van een Tempelier. Voor het kerkje staan namelijk overblijfselen van graalridders uit de 14e eeuw, getuige de bekende kruizen op de ronde grafstenen. Maar je kunt ook in de buurt de dorpjes Le Viala du Pas de Jaux, La Cavalerie, Saint-Jean d’Alcas en Sainte-Eulalie de Cernon bezoeken om op zoek te gaan naar sporen van kruisridders. Allemaal stuk voor stuk kleine openluchtmusea. Je waant je in de middeleeuwen…

In deze prachtstreek met een roemruchtig verleden waren wij dus met het gezin beland 10 jaar geleden. Hoe was het toen ook al weer gelopen? Mede-Trappist Marthijn Licher wilde altijd nog eens de wedstrijd uit De Renner van Krabbé nafietsen. Marthijn kende zijn klassiekers. Ik moest bekennen dat ik De Renner ooit in mijn middelbare schooltijd gelezen had maar zonder een echte AHA-Erlebnis door te maken. Hoe kon dat ook: ik was opgevoed als voetballer. Toen ik het boek herlas in 2006 – ik was inmiddels 40 en deed met veel plezier en begeestering mee in de Mickey Mouse-competitie van de FC Trappist – waren de momenten van herkenning tijdens het lezen niet van de lucht. Alles kwam langs in het boek: zelfs de tochtjes die ik reed naar de brievenbus op het Kopje van Bloemendaal bleken achteraf allemaal literatuur te zijn. Toen Marthijn dus het idee opperde om met de FC Trappist naar de Cevennen te gaan was ik meteen enthousiast. Onder zijn bezielende leiding organiseerde we met groepje een perfecte week. 

Het idee dat die beruchte kruistochten uit de 11e eeuw, vanuit het weiland van de camping misschien wel waren vertrokken, blijft mij fascineren. Nu ook weer, in 2019. 
Wat bezielde zo’n krijgsheer om met een groep ridders en horigen van zijn domein naar het Heilige Land te trekken, zo’n 4000 kilometer verderop? En wat een bijzonder gezicht moet dat zijn geweest! Zo’n enorme stoet mensen die door het dal trok. De krijgsheren te paard voorop. Met witte gewaden en rode kruizen. Achter elke ridder hobbelde een schildknaap te voet. Dan de karren van de boeren met tenten en voedsel. Soms groeide zo’n stoet wel aan tot 100.000 man. De term “kruistochten” bestond overigens niet in de Middeleeuwen. De ridders zagen zichzelf als een soort pelgrims, hoewel ze – anders dan gewone pelgrims – een gelofte aan de paus aflegden en een kruis droegen. Hun beloning was de volledige kwijtschelding van hun zonden.

Bij de eerste Kruistocht, eind 11e eeuw, bereikten zo’n 10.000 kruisvaarders uiteindelijk de muren van Jeruzalem. 

Taking of Jerusalem by the Crusaders, 15th July 1099, Émile Signol, oil on canvas (1847)

De verleiding is groot om een parallel te trekken met onze eigen kruistochten in 2009 en in 2019: de 3CV. Voor veel wielrenners is de Mont Aigoual (de Waterberg) in de Cevennen toch ook een soort Tempelberg. Ga maar na. Een wielrenner is pas een echte wielrenner als hij tijdens de Tour de France dansend naar de top van een col fietst, ondertussen met zijn bidon wijwater over zijn hoofd sproeiend. Dat kan alleen maar in Zuid-Frankrijk. En dat is precies de plek waar evangelist Tim Krabbé zijn wielerboek ‘De Renner’ situeerde. Krabbé doet in zijn boek niet alleen verslag van een amateur wielerwedstrijd in de Cevennen maar ontrafelt ook de geheimen achter de wielersport. Daarmee wordt het boek een soort heilig geschrift met wielerwaarheden. 
Zoals het een heilig geschrift betaamt wordt het boek afgewisseld met verhalen over heiligen. Korte hagiografieën over klinkende namen als Poulidor, Anquetil, Mercxx maar ook Nederlandse heiligen als Peter Post, Jan Raas en Gerrie Kneteman. Met het boek legt hij ook het speciale wieleridioom vast. En de wielermentaliteit. Hij schrijft over de kunst van het lijden. Over het genieten van de schoonheid van zijn bruine polsen in de zon. De wil om te winnen. De tradities, de rituelen en de tactiek.
Kortom: het boek beschrijft al die onuitgesproken wetten die er binnen de sport domineren en waar je alleen maar achter kan komen door zelf te gaan koersen. Of door het boek te lezen. Want leren koersen is vooral door schade en schande wijs worden. Meegaan in een ontsnapping terwijl je de benen niet hebt. Je bordje laten leegeten door te veel kopwerk te doen. Veel te vroeg demarreren, teruggepakt worden en niet meer mee kunnen doen in de eindsprint. Te vroeg op kop gaan sprinten naar de finish en altijd door de lepe sprinter in je achterwiel verslagen worden.  Een jump naar een kopgroep verkeerd inschatten en in een chasse-patat terecht komen. Verneukt worden door een paar vriendjes van de gedemarreerde koploper die de boel afstoppen om te voorkomen dat iemand het gat dicht rijdt. Alle wielerclichés staan in het boek opgetekend. En zij hebben een hypnotiserende werking op de lezer. Net zoals een heilig geschrift dat heeft op een gelovige.

In die zin is Krabbé een soort moderne evangelist uit de jaren ’70 van de 20e eeuw die generaties wielrenners heeft geïnspireerd om ook te gaan koersen. En niet alleen door amateurkoersjes te gaan rijden in het platte polderland maar ook juist in het Mekka van het wielrennen: de  Zuid-Franse bergen. Hoeveel wielertoeristen vertrekken niet elk jaar naar het Zuiden om de Mont Ventoux, de Alpe d’Huez of de Tour Malet te beklimmen. Zijn wij in die zin niet – als wielrenners uit Amsterdam die De Renner gaan naspelen – een soort moderne kruisvaarders op weg naar de Waterberg? En brengen we daarmee een eerbetoon aan het Grote Wielerboek? We noemen ons ook nog notabene Trappisten, naar een kloosterorde uit de middeleeuwen…

Ik weet het niet. De vergelijk gaat toch een beetje mank. We gebruiken geen geweld en we hebben geen gemeenschappelijk vijand om te bestrijden. Hoogstens elkaar, tijdens een wedstrijdje onderling. Een renner mag zich na 3 dagen strijden de koningsridder noemen en de Heilige Graal ontvangen: le maillot jaune. We hebben natuurlijk wel een harnas en een helm, een paard van carbon en een grote intolerantie naar niet-wielrenners. Want volgens de evangelist Krabbé (hfstk 1, blz 7, regel 4) “schokken die lege levens van niet-wielrenners ons”.

Tijdens de kruistocht vanuit Frankrijk, Engeland en Duitsland probeerden de kruisridders alle mensen die zij tegenkwamen te overtuigen van hun missie: de strijd aan te gaan met de moslims die de heilige plaatsen van de christenen hadden veroverd. Er is sprake van veel mythevorming rond de goede bedoelingen van de kruisridders. Het is een wrang feit dat de kruisridders niet alleen tijdens de tocht mensen met geweld ronselden om zich bij hen aan te sluiten maar ook in Palestina geen heilig boontje waren. Bij de eerste Kruistocht in 1096 werden in Jeruzalem tienduizenden onschuldige mensen onder de plaatselijke bevolking (zowel moslims als joden) door de kruisridders uitgemoord.

Wij doen dat als Trappisten in de Cevennen, ons Heilige Land, veel netter. Niemand moet mee op onze missie naar het Zuiden. Op de camping moorden we niemand uit. We rijden met respect voor de bewoners en het milieu (jaja, de route-bordjes worden ook weer opgehaald) onze rondjes op onze paarden van carbon. We mompelen hoogstens zachtjes als we de tweede keer door Meyruies rijden:

Bocht naar rechts, bocht naar links, bewaakt door gendarmes in kaki. En het rechte stuk naar de finish. Ik rij door een haag van geloei.
“Allez Poupou”
“Ze zijn niet ver!”
Ik probeer een glimp op te vangen van mijn auto. 

(uit: Tim Krabbé, De Renner)

En verder leegte. 

P.S.
Dit stukje schreef ik in juni 2019, vòòr dat ik met mijn gezin weer Camping Domaine de Pradines aan deed in juli om de 3CV te rijden. De tweede dag wandelde ik met mijn vrouw en dochter, inmiddels 21 jaar, weer naar de achterkant van de commanderij. En wat zag ik daar staan, in precies dezelfde positie, tien jaar lang onaangeroerd:

Die ewige Wiederkunft des Gleichen.

Most discussed