Lojong geven nemen bij JEZELF

Lojong (8): Begin de oefening van geven en nemen bij jezelf

Punt IIb. Voel met je hoofd :
geef en neem in het
ritme van je ademhaling 


Three objects, three poisons, three roots of virtue – The 3 objects are friends, enemies and neutrals. The 3 poisons are craving, aversion and indifference. The 3 roots of virtue are the remedies.

Tonglen: een oefening in welwillendheid en veerkracht

Tonglen is een lastige oefening: ogenschijnlijk brengt zij ons waar we niet willen zijn. Waarom zou je je aandacht richten op iets wat naar is? Het is veel fijner om je te richten op wat prettig is en wat goed voelt. Er komt narigheid genoeg op je pad, is het als tegenwicht niet beter en meer voor de hand liggend om je te richten op het positieve in het leven? Tonglen beoogt zeker niet om het positieve uit het oog te verliezen. Het is juist een oefening om onze levensvreugde te vergroten door het negatieve toe te laten als een onvermijdelijk aspect van het leven. 
Tonglen gaat over je ongeluk omarmen maar niet zomaar. Het gaat er om niet alleen het ongeluk te aanvaarden, zoals je koud douchen kunt leren verdragen, maar je oefent om je reactie op het negatieve te transformeren in iets positiefs. Dat positieve begint bij medeleven. Bij anderen en bij jezelf.

1
Beeld (1) visualiseert VERDRIET bij mezelf: treed het tegemoet, omarm het en blijf er bij.
2
Beeld (2) visualiseert PIJN bij mezelf: treed het tegemoet, omarm het en blijf er bij.
3
Beeld (3) visualiseert SCHAAMTE bij mezelf: treed het tegemoet, omarm het en blijf er bij.
4
Beeld (1A) visualiseert een contra-beeld van VERDRIET bij mezelf
5
Beeld (1B) visualiseert een contra-beeld van SCHAAMTE bij mezelf
6
Beeld (1B) visualiseert een contra-beeld van PIJN bij mezelf

Slogan (8) van de Training van de geest geeft je de mogelijkheid de oefening van geven en nemen bij je eigen emoties te oefenen.
Dus de oefening kan zijn: visualiseer jezelf voor je op een kussentje en bedenk wat verdriet (1), pijn (2), stress (3), schaamte (4), schuldgevoelens (5) of elke andere moeilijke emotie, groot of klein voor hem of haar op dat kussentje betekent. Tonglen met jezelf dus. Kun je er bij blijven? Kun je die emoties die je bij jezelf ziet en voelt omarmen?

Hoe voelt medeleven? Het heeft iets weg van ontroering, maar evenzeer van verwarring. Het voelt vaak warm en hartelijk. Het maakt begripvol en zet aan tot helpen, tot het verzachten van leed. Al is het meer een bereidheid dan een aanzet. Het is een kwetsbaar gevoel, want voor je het weet duwt het je in een doe-modus en nemen gedachten de overhand over wat je moet doen, wat hoort, wat je eerder, langer, beter, sneller of meer moet doen of had moeten doen. In die moraliteit, die gedachten over goed en slecht, gaat dat gevoel makkelijk verloren.

We kunnen niets anders dan struikelend door het leven gaan

In tonglen probeer je medeleven te voelen en bij dat gevoel te blijven zonder er iets mee te doen. Medeleven ontstaat als vanzelf wanneer we beseffen dat het leven mogelijkheden heeft, maar ook beperkingen. Dat we het moeten doen met wat ons gegeven is en dat we niet anders kunnen dan struikelend door het leven te gaan. Dat we worstelen en kwetsbaar zijn.

Medeleven maakt je hart lichter, moraliteit maakt het zwaarder. We oefenen tonglen om ons hart lichter te maken. Als je merkt dat de oefening je juist zwaarmoediger maakt, stop er dan mee en probeer of een ander beeld beter voor je werkt. Of gebruik dat gevoel van zwaarmoedigheid zelf als beeld en onderzoek of je kunt meeleven met iemand die gebukt gaat onder zo’n zwaar gemoed. En adem de wens uit dat die persoon vindt wat nodig is om dat zware gemoed te dragen en ondanks die last ook nog iets kan vinden om van te genieten.


Compassie en zelfkritiek

Wat compassie voor onszelf moeilijk maakt is de dominante aanwezigheid van zelfkritiek. Kunnen we ons zelf liefhebben? Door stil te staan bij deze vraag word ik me ervan bewust hoezeer de gedachten die ik daarover heb gekleurd worden door de christelijke wortels van de cultuur waarin we leven en in het bijzonder door de katholieke opvoeding die ik heb genoten. In pakweg de eerste elf jaar van mijn leven is mij op allerlei wijzen voorgehouden dat ik, of tenminste een deel van mij, slecht ben. Dat ben ik al vanaf mijn geboorte, belast als ik ben met de erfzonde. Mijn taak als mens in dit leven is om dat slechte deel in mij te overwinnen en achter me te laten zodat ik alleen nog maar goed ben. Of ik daarin slaag zal ik nooit weten, want het is een externe macht die daarover oordeelt. Het enige houvast dat ik heb zijn richtlijnen voor wat ik hoor te doen en zou moeten laten. Wat ik hoor te doen is compassievol handelen: mezelf niet op de eerste plaats zetten en voor anderen zorgen, want dat is wat een goed mens doet. In de praktijk leidt dat ertoe dat compassie een criterium wordt om goed handelen te onderscheiden van slecht handelen. Een criterium waar je aan moet voldoen om niet afgewezen te worden. 

In het boeddhisme is compassie geen criterium, maar een houding. Een houding die gekenmerkt wordt door openhartigheid, welwillendheid, inlevingsvermogen, inclusiviteit, mildheid en betrokkenheid. Een houding is niet hetzelfde als een gevoel, maar gevoelens maken er wel deel van uit. Ze valt ook niet samen met gedrag, maar tegelijkertijd staat gedrag er niet los van. Boeddhistische compassie gaat over hoe je doet, terwijl compassie zoals ik dat heb leren kennen vooral gaat over wat je doet.

Het verschil tussen boeddhistische en westerse compassie wordt voelbaar wanneer we compassie betrekken op onszelf. We vinden het vaak veel moeilijker om compassie voor onszelf te hebben dan om compassie voor anderen te hebben. Zo moeilijk dat in de laatste jaren in het westen zelfcompassie steeds meer een thema is geworden. Dit in contrast met de boeddhistische traditie. Daarin wordt het ontwikkelen van compassie voor jezelf ook aangemoedigd, maar dat wordt niet als problematisch gezien. Integendeel, het wordt beschouwd als een relatief makkelijke voorbereiding op de ontwikkeling van compassie voor anderen. Het boeddhisme kent dan ook geen woord voor zelfcompassie. 

Wat compassie voor onszelf moeilijk maakt is de dominante aanwezigheid van zelfkritiek. Waarom zijn we zo volhardend en genadeloos in de kritiek op onszelf? De psycholoog Paul Gilbert heeft een interessant antwoord op deze vraag. Zelfkritiek, zo stelt hij, is een vorm van vecht- of vluchtgedrag waartoe we instinctief overgaan wanneer we geconfronteerd worden met gevaar. Hij ziet zelfkritiek als een vorm van vechten in reactie op de ervaring van een bedreiging. Zelfkritiek is dus een vorm van zelfbescherming. Alleen ga je daarvoor de strijd aan met jezelf en dat maakt zelfkritiek in potentie tot een destructieve kracht.

Zelfkritiek zien als een poging om jezelf te beschermen tegen een bedreiging kan ruimte geven. Dat is een uitnodiging om je aandacht te verleggen van je vermeende fouten en tekortkomingen naar dat wat je als je bedreigend ervaart. Gegeven de culturele context waarin wij zijn opgegroeid en ons bewegen is de kans groot dat angst voor afwijzing hier een grote rol in speelt. Het gevoel dat alleen een goed mens het waard is om aanvaard te worden is als een residu van mijn katholieke opvoeding in mij neergeslagen. En een goed mens schiet niet tekort. Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat het gevoel dat je faalt of tekortschiet onmiddellijk de angst voor afwijzing oproept en daarmee een vecht- of vlucht in gang zet, vaak in de vorm van ongenadige zelfkritiek. Als je zo naar jezelf kijkt, niet als iemand die tekortschiet, maar als iemand die zich zo goed mogelijk staande probeert te houden in een bedreigende situatie die je gewoon overkomt, dan is het misschien makkelijker om welwillend, vriendelijk en meelevend naar jezelf te kijken.

Compassie en wijsheid
Stel, je staat op het perron, de trein stopt, de deuren gaan open en je ziet iemand met een kinderwagen die probeert om uit te stappen. Als vanzelf steek je je hand uit, pak je de kinderwagen aan de voorkant en help je deze soepel het perron op. Je denkt daar niet over na, je ziet dat er hulp nodig is en als vanzelf bied je een helpende hand. Zien wat nodig en passend is én de bereidheid om daarin te voorzien zijn verschillende dingen. Het eerste zou je wijsheid kunnen noemen, het tweede compassie. Wijsheid en compassie gaan samen als de twee vleugels van een vogel. Als ik het geworstel met de kinderwagen wel zou zien, maar niet zou helpen terwijl ik daartoe wel de gelegenheid heb, dan zou ik mijn reis met een ander gevoel voortzetten, misschien het gevoel dat een vogel heeft die probeert te vliegen met maar één vleugel.

Met wijsheid wordt hier geen kennis bedoeld, maar het inzicht dat alles wat er is afhankelijk is van alles wat er is. Degene die met een kinderwagen uit de trein wil stappen is afhankelijk van hulp. Niet per se mijn hulp, maar iemands hulp. En ik ben afhankelijk van de conducteur, de machinist, de treinverkeersleider, de mensen van het elektriciteitsbedrijf en nog heel veel anderen alleen maar om met die trein naar mijn bestemming te kunnen gaan. Maar zo voelt dat niet.

Wederzijdse afhankelijkheid is als gedachte veel makkelijker te accepteren dan als realiteit te erkennen. In het bijzonder wanneer het om mezelf gaat. Want ik voel me toch vooral zelfstandig en onafhankelijk, of ik zou me in ieder geval zo willen voelen. Om hulp vragen, bijvoorbeeld, past niet goed in dat plaatje. Een reden waarom ik dat ook niet snel zal doen. Hulp bieden is anders, dat is makkelijker. In ieder geval in gedachten. Daar kan ik het zelfs zien als een bevestiging van mijn onafhankelijkheid en kracht. Daarmee houd ik mezelf wel voor de gek, want in dat geval heb ik de hulp van het hulp bieden nodig om mijn gevoel van onafhankelijkheid te onderschrijven. 

Hulp bieden en hulp vragen zijn twee kanten van dezelfde medaille. Beide tonen onze wederzijdse afhankelijkheid. De weerstand de ik voel bij de gedachte dat ik om hulp zou vragen, is mijn verzet tegen de erkenning van de realiteit van onze wederzijdse afhankelijkheid. Dit staat haaks op wijsheid in boeddhistische zin. Om hulp vragen is daarom een goede oefening in het ontwikkelen van wijsheid. De weerstand die dat kan oproepen is begrijpelijk: in mijn vraag om hulp kan ik worden afgewezen. En waar afwijzing dreigt voel ik me kwetsbaar. Wijsheid vraagt daarom van me dat ik het ongemak dat kwetsbaarheid met zich meebrengt kan dragen. En meer nog, dat ik dat ongemak kan transformeren van: ‘ik kan het niet alleen’ naar: ‘ik hoef het niet alleen’, van het gevoel tekort te schieten naar het gevoel gesteund te worden. De last, welke last dan ook, ligt nooit alleen op mijn schouders, hij ligt op ons aller schouders. Dit inzicht in de wederzijdse afhankelijkheid van alles wat er is, deze wijsheid, is bijzonder behulpzaam bij de oefening van geven en nemen (tonglen). Het is er de basis van. 

In zijn meest basale vorm is tonglen -het inademen van het leed van anderen en het uitademen van compassie- een uitdagende oefening en kan ook weerstand oproepen. Waarom zou je het leed van anderen opnemen, terwijl je eigen leven al zwaar genoeg is? Er zijn vormen van tonglen die minder direct zijn. In de Tibetaans-boeddhistische Shangpa traditie is een vorm ontwikkeld die bestaat uit acht stappen.

De eerste stap is gewoon zitten met een open aandacht waarin alles wat zich aan je voordoet er mag zijn.

Bij de tweede stap richt je je aandacht op je verbondenheid, op de wijsheid, het inzicht dat alles wat er is afhankelijk is van alles wat er is.

De derde stap draait om de intentie om bij te dragen aan het welzijn van de hele wereld.

De vierde stap bestaat in het visualiseren van compassie door daar een vorm aan te geven, een menselijke gestalte of een andere vorm, en die buiten jezelf in de ruimte te plaatsen.

De vijfde stap is geven en nemen voor jezelf. Gevolgd door de zesde stap: geven en nemen voor anderen. In de zevende stap laat je los om terug te keren naar de open aandacht.

De laatste stap, stap acht, is een afronding. Je keert terug naar je intentie van stap drie en bevestigt deze door de oefening die je hebt gedaan op te dragen aan het welzijn van alles en iedereen.

Dragen en gedragen worden
Kenmerkend voor zenmeditatie is dat je tijdens de meditatie je ogen openhoudt. Dat heeft een fysiologisch reden, want als je ogen voor een langere periode dicht doet, dan reageert je lichaam door de slaapstand voor te bereiden met als gevolg dat je bewustzijn en alertheid af gaan nemen. Dat is niet waar we in zenmeditatie naar streven: het doel daarvan is juist om zo bewust en alert mogelijk aanwezig te zijn bij wat er is, wat dat ook is. Niet alleen in jezelf, maar ook buiten jezelf. Daarom heeft het ook een symbolische betekenis dat we onze ogen openhouden. Het herinnert ons eraan dat het leven zich afspeelt en vorm krijgt in het ontmoeten van anderen, de wereld en onszelf. Zenmeditatie is je bewust worden van deze basale wederzijdse verbondenheid en je daarvoor openstellen.

De gedachte dat alles met alles verbonden is, is als idee niet moeilijk te aanvaarden en heeft zelfs een zekere schoonheid en aantrekkingskracht. Als ervaring, daarentegen, is ze veel complexer en zeker niet alleen maar aangenaam. Verbonden zijn wil ook zeggen: wederzijds afhankelijk zijn. We willen wel verbonden zijn, dat voelt goed, maar afhankelijk zijn is uitdagender. Je kunt dat onderzoeken door voor jezelf na te gaan of, hoe vaak en aan wie je hulp vraagt. Als je nooit om hulp vraagt is er de kans dat je de ander uit het oog verliest en als je te vaak om hulp vraagt is het niet ondenkbaar dat je het contact met jezelf kwijtraakt. In beide gevallen kan dat het gevoel teweegbrengen dat je niet verbonden bent, zowel bij jezelf als bij de ander.

Kun je je afhankelijkheid erkennen zonder jezelf erin te verliezen? Ja, door het besef dat je anderen nodig hebt om het zelf te kunnen doen. Dit klinkt misschien paradoxaal, maar alleen als er een scherpe scheidslijn wordt getrokken tussen ‘het zelf doen’ en ‘anderen nodig hebben’ en beide tegenover elkaar worden gezet. Zonder die scheidslijn wordt zichtbaar hoe beide complementair zijn en wederzijds afhankelijk: iets doen is niets anders dan gebruik maken van de mogelijkheden die door anderen gecreëerd worden en daardoor weer bijdragen aan het ontstaan van mogelijkheden die vervolgens anderen in staat stellen iets te doen. Wat je doet, doe je zelf, maar nooit alleen. Dat wil zeggen, je wordt altijd gedragen door een beweeglijk web aan mogelijkheden en betekenissen. Je wordt er niet alleen door gedragen, je draagt zelf ook, want je bent er, tegelijkertijd, zelf ook deel van.

Stilstaan bij de verbondenheid van alles met alles is de tweede stap in de voorbereiding op tonglen, de oefening van geven en nemen in het ritme van je ademhaling. Deze stap kun je zelf ook weer tot een oefening van geven en nemen maken: je ademt het gevoel gedragen te worden in, en je ademt het vermogen om te dragen uit. Daarna draai je het om. Is er verschil?

Veerkracht, verbondenheid en intenties
Ik beschouw veerkracht als het vermogen om frustratie te transformeren in inspiratie. Tonglen is een oefening in veerkracht. Niet een oefening in steeds meer op je schouders kunnen nemen en desondanks toch positief gestemd blijven. Tonglen is als het branden van een haard: de harde en zwarte briketten transformeren in warmte en licht en gedurende dat proces verdwijnen ze, worden ze stof. De oneerlijkheid, de onrechtvaardigheid, het grote en het kleine leed dat we in onszelf en in de wereld tegenkomen, kan ons frustreren, maar het kan ook de brandstof zijn voor inspiratie, een vuur dat verwarmt en verlicht. In dat proces transformeert frustratie in inspiratie, verdriet in medeleven en betrokkenheid en boosheid in een milde daadkracht om een verschil te maken.

Een haard aansteken is moeilijker als je geen aanmaakblokjes hebt en nog moeilijker als je ook geen kranten of sprokkelhout hebt. En het vraagt werkelijk geduld, oefening en aandacht als je daarnaast ook geen lucifers hebt, als er alleen maar een korf is die zich gaandeweg vult met tegenslag, obstakels, ervaringen dat het leven niet gaat zoals je wilt.

Het ontwikkelen van veerkracht is vooral het creëren van de condities waaronder veerkracht kan ontstaan. Wat voor veerkracht nodig is, is het vermogen tot open aandacht, verlichting kunnen vinden in het besef dat alles met alles verbonden is, kunnen werken met intenties en, als vierde, je voorstellingsvermogen effectief kunnen inzetten.

Het besef dat alles met alles verbonden is, laat zich makkelijker denken dan voelen. We zijn het altijd, ook als we het niet voelen. Vaak associëren we verbondenheid met een positief gevoel dat we soms, maar lang niet altijd ervaren, bijvoorbeeld tijdens een persoonlijk, diepgaand gesprek of wanneer we intensief samenwerken. We ervaren verbinding vooral wanneer we overeenkomst met anderen ervaren in wat we zeggen, denken en doen. Maar ook als die overeenkomst ontbreekt is er verbinding. Stel je een gesprek voor waarbij je aanwezig bent, maar waarin je geen haakjes vindt om eraan deel te nemen. Op zo’n moment kun je je buitengesloten vinden, wat het tegendeel is van dat positieve gevoel van verbondenheid. Tegelijkertijd is dat gevoel van buitengesloten zijn toch óók een uitdrukking van verbinding, want als je op dat moment niet daar zou zijn, dan zou je dat specifieke gevoel niet ervaren.

Ik sta hoe dan ook altijd in één of andere betrekking tot alles wat er zich om mij heen afspeelt. Soms voelt dat goed, soms niet. Hoe meer ik me bewust ben van mijn verbondenheid in deze zin, hoe meer ik ga beseffen dat er voor elke ervaring die ik heb meer nodig is dan alleen ik. Dit besef brengt een zekere verwatering van het ik met zich mee. Dat kan weerstand oproepen. Maar ook relativering: ik kan en hoef mezelf niet alles toe te rekenen. Ik kan en hoef geen verantwoordelijkheid te dragen voor wat er, buiten én binnen mij, is -het is er immers al, het is een gegeven- maar steeds alleen voor hoe ik daar nu op dit moment op ga reageren. En daarbij spelen intenties een rol.  

Een traditioneel onderdeel van de voorbereiding op tonglen, de oefening in veerkracht, is daarom het vormen van een intentie. In het bijzonder wordt de intentie om bij te willen dragen aan het welzijn van alles en iedereen als behulpzaam gezien. Anders dan een doel is een intentie geen schets van een gewenste, toekomstige uitkomst, maar eerder een metgezel die van moment tot moment met me optrekt en over mijn schouder meekijkt.

Ook bij het mediteren spelen intenties een rol. Als ik mediteer heb ik de intentie om mijn aandacht bij mijn ademhaling te houden. Dat lukt vaak niet. Maar dankzij mijn intentie merk ik dat op en kan ik bijsturen. Of ervoor kiezen om dat niet te doen. Intenties richten mijn opmerkzaamheid en activeren mijn introspectie, waardoor ik me er bewust van word wanneer ik niet in overeenstemming met mijn intentie handel, en ik, als ik dat wil, kan corrigeren. Intenties helpen me om koers te houden en om me veerkrachtig in het leven te kunnen bewegen.

(vrij naar Norman Fischer, Training in compassie – Zen Teachings on the Practice of Lojong en de zenlessen van Arthur Nieuwendijk, Zen.nl Amsterdam)

Your Header Sidebar area is currently empty. Hurry up and add some widgets.