denkend aan holland analyse
Home » H. Marsman, ‘Herinnering aan Holland’ (uit: Carte blanche, 1937)

H. Marsman, ‘Herinnering aan Holland’ (uit: Carte blanche, 1937)

Denkend aan Holland- analyse. Water, aarde en lucht zijn belangrijker dan boerderijen, dorpen en torens. Het water is de baas.


Herinnering aan Holland

( 👀 visualisatie)

Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,

rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hooge pluimen
aan den einder staan;

en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,

boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een grootsch verband.

de lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,

en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.

H. Marsman (1899-1940)
uit: Carte blanche (1937)


Analyse

A. parafrase

(korte samenvatting van het gedicht)

Het Hollandse landschap bestaat uit veel water, aarde en lucht, met hier en daar een boerderij, een dorp en een toren. Het water vormt een dreiging,

B. versleer

(herkennen, benoemen en het op waarde schatten van stijlelementen en beeldspraak)

Denkend aan Holland is een traditioneel gedicht met een los metrum en rijmschema.

1. strofenbouw

De strofen (alinea’s) zijn lastig te ontdekken omdat het gedicht is opgeschreven als één lange gedachte die continuïteit suggereert. Wanneer je naar de interpunctie kijkt en de punt komma achter ‘einder staan’ als een punt beschouwd dan is het opgeschreven als 3 alinea’s. Het gedicht bestaat dus uit 3 strofen van acht regels, die weer weer 3 octaven vormen.

Typen strofen (theorie)

Een gedicht is vaak opgebouwd in ‘alinea’s’: strofen:

een strofe van twee regels :          distichon

een strofe van drie regels  :          terzet

een strofe van vier regels  :          kwatrijn

een strofe van zes regels   :           sextet (soms twee terzetten)

een strofe van acht regels :           octaaf (soms twee kwatrijnen)

Een aparte dichtvorm met een vaste strofebouw is het zogeheten sonnet. Het sonnet (of klinkdicht) heeft altijd als strofebouw:

kwatrijn

kwatrijn

terzet

terzet

Tussen het tweede kwatrijn (ook wel het octaaf) en het eerste terzet of tussen de twee terzetten (ook wel het sextet) kan een wending in het gedicht zitten, de zogeheten volta of chute.

Volta
In het gedicht zit een wending, de zogeheten volta of chute, namelijk na het tweede octaaf. Tussen R16 en R17 neemt de gedachte aan Holland een wending, namelijk van positief naar negatief – het wassende water leidt tot ‘eeuwige rampen’, ‘in alle gewesten’.

2. rijm

Er sprake van 2 soorten eindrijm
Mannelijk (1-lettergreep):
r4 en r 8: gaan – staan

Vrouwelijk (2-lettergrepen):
r2 rivieren – populieren
r 16 en r20: land – verband
r20 en r24 gesmoord – gehoord

Halfrijm door assonantie
(gelijkheid van de klinkers van de beklemtoonde lettergrepen (of klinkerrijm))
r13, geknotte torens.

Middenrijm door alliteratie
(Woorden midden in de versregel rijmen op overeenkomstige geplaatste woorden in de volgende regel)
r5: rijen
r11: boerderijen
r20: dampen
r23: rampen

Soorten rijm (theorie)

Veel gedichten rijmen, maar rijm is niet per se noodzakelijk voor poëzie. Met name in moderne gedichten ontbreekt het rijm vaak. We onderscheiden de volgende vormen van rijm:

Eindrijm        :           De woorden aan het einde van een versregel
                                    rijmen op een ander woord dat ook aan het einde
                                   van een versregel staat.

  1. volrijm      :          Een woord rijmt volledig op een ander woord. Er zijn drie
                                 vormen van volrijm:

mannelijk rijm:          Na de beklemtoonde, rijmende lettergreep volgt geen
                                   andere lettergreep meer: gaan – staan.
vrouwelijk rijm:         Na de beklemtoonde, rijmende lettergreep volgt nog één
                                   onbeklemtoonde lettergreep: waaien – draaien.

slepend rijm:             Na de beklemtoonde, rijmende lettergreep volgen nog
                                   twee onbeklemtoonde lettergrepen: kinderen – hinderen.

2) klinkerrijm/assonantie    Alleen de klinkers van de woorden rijmen:
                                               lief – diep.

3) acconsonerend rijm        Er is alleen een overeenkomst tussen de
                                               medeklinkers: mist – kust.

Binnenrijm   :           Binnen een en dezelfde versregel rijmen woorden op
                                   elkaar.

                                   Siet hoe hij slaeft, graeft en draeft met geweld!

                                                                                 (Adriaen Valerius)

Middenrijm  :           Woorden midden in de versregel rijmen op
                                   overeenkomstige geplaatste woorden in de volgende
                                   regel.
                       
                                   T’en syn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,
                                   Noch die verraderlijck u togen voort gericht
                                   Noch die versmadelyck u spogen int gezicht

Alliteratie     :           Bij alliteratie beginnen de woorden met dezelfde letter.
                                   Een enkele keer betreft dit alle woorden:

                                   Liesje leerde Lotje lopen langs de lange Lindenlaan

                                   Alliteratie wordt door dichters soms gebruikt om
                                   bepaalde woorden die bij elkaar horen extra nadruk te
                                   geven:

3. rijmschema

Het gedicht ‘Herinnering aan Holland’ heeft het volgende rijmschema:

Gekruist en Gepaard rijm:
abab cc dd
| r2: a | r4:b | r6:a | r6:b | r12:c | r16:c | r20:d | r24:d |

Rijmschema’s (theorie)

  1. Rijmschema’s

Dichters gebruiken vaak eindrijm volgens een bepaald schema om versregels op elkaar te laten rijmen. Er zijn verschillende rijmschema’s die je herkent door elke nieuwe rijmklank een letter uit het alfabet te geven, beginnend bij a.

Gekruist rijm heeft het rijmschema abab.

Spleen

Ik zit mij voor het vensterglas (a)

onnoemelijk te vervelen. (b)

Ik wou dat ik twee hondjes was, (a)

dan kon ik samen spelen. (b)

Bron: Godfried Bomans

in: Michel van der Plas, Ongerijmde rijmen. (bloemlezing) (1954)


Gepaard rijm heeft het rijmschema aabb.

Een nieuwe lente en een nieuw geluid: (a)

Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit, (a)

Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht (b)

In een oud stadje, langs de watergracht – (b)

Bron: Herman Gorter, Mei. (fragment) (1978) (1e dr. 1889)


Omarmend rijm heeft het rijmschema abba.

’s Nachts hoorden wij in ’t holle huis (a)

de ratten rennen langs de binten. (b)

Zij scheurden spaanders van de plinten; (b)

In kasten viel de kalk tot gruis. (a)

Bron: Ida Gerhardt, ‘De ratten’ (fragment)

In: Zeven maal om de aarde te gaan. (2002)

Verspringend rijm heeft het rijmschema abcabc.

Hij staat in een tuin in de stad, (a)

alleen en verloren en groot, (b)

met wuivende kruin, en ’t geruis (c)

der winden door twijg en in blad, (a)

dit lied van verlangen en nood, (b)

is hoorbaar tot diep in het huis. (c)

Bron: Jan van Nijlen, ‘De populier’ (fragment)

In: Verzamelde gedichten (2003)

Sonnet         

Eerder is al gezegd dat het sonnet een aparte strofebouw kent (octaaf + sextet). Dat is ook het geval met  het rijmschema. Er is wat discussie mogelijk, maar doorgaans worden de volgende rijmschema’ als het oorspronkelijkst beschouwd:
                        abba abba cdc dcd  of abab abab cde cde

Sommigen noemen het eerste schema Siciliaans en het tweede Italiaans, maar ook daarover is discussie mogelijk.

Wat wel vaststaat, is dat er allerlei schemavarianten zijn ontstaan nadat Petrarca en Dante, de vaders van het sonnet, in de 13e eeuwse Italiaanse renaissance met deze dichtvorm  debuteerden. In de 16de eeuw ontstonden er met name in het sextet allerlei variaties in het rijmschema. De bekendste variatie is die van Shakespeare, die overigens ook dikwijls door Hooft werd gebruikt:

                        ababcdcdefef gg

Op welke plaats de volta precies voorkomt, is moeilijker te bepalen. Volgens sommigen is bij het Engelse sonnet geen sprake van een volta of chute, maar wel fungeert het eind-distichon vaak als een conclusie of pointe

Rondeel
Ook een rondeel kent een strakke strofebouw. Hierin worden hele regels herhaald. Meestal heeft het rondeel acht versregels en dan zijn de regels 1, 4 en 7 aan elkaar gelijk en de regels 2 en 8. Soms heeft een rondeel echter twaalf of dertien regels. Dan zijn meestal de regels 1, 7 en 12 of 13 dezelfde en 2 en 8. Rondelen klinken een beetje als liedjes.

(opdringerige mededeling: negeren )

Echt, het is de moeite waard om je te abonneren op mijn nieuwsbrief ‘waardevol op het web’
sakkerloot

>>Bekijk de online versie van de nieuwsbrief

Vul je e-mailadres in:

(verder lezen)


4. ritme, metrum en versvoet

Ritme
(is de afwisseling tussen beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen van een gedicht.
Wanneer in deze afwisseling regelmaat te ontdekken valt volgens een van de bestaande patronendan is er sprake van metrum. De afwisseling zelf die steeds terugkomt heet de versvoet. )

De ‘melodie’ van Herinnering aan Holland
Zelfs de specialisten en geleerden in Nederland zijn het er niet over eens welk metrum dit gedicht precies heeft. Iedereen die het hardop voorleest, ervaart een aangename cadans in de meanderende regels die ongeveer kabbelen als een trage, brede rivier door laagland.
Welk metrum is hier van toepassing? Een Dactylus, een Trochee en een Anapest vermengen zich op een mysterieuze wijze.
Dat is ook wat poëziekenner Gerrit Komrij te berde brengt in zijn analyse van het gedicht in Trou moet Blycken . Volgens hem maakt Herinnering aan Holland in een Hollander het hoogste los wat hij aan zangerigheid kan bereiken. Het is louter beeld en geluid, een panoramabeeld en een echo….een ondertiteld stripverhaal met aanzwellende ondergangsmuziek in het decor.

Ritme, metrum en versvoet (theorie)

Ritme is de afwisseling tussen beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. Wanneer in deze afwisseling regelmaat te ontdekken valt volgens een van de bestaande patronen (zie hieronder) dan is er sprake van metrum. De afwisseling zelf die steeds terugkomt heet de versvoet. Net als rijm zorgt metrum voor eenheid in een gedicht.

Je ontdekt het ritme van een versregel door de beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen enigszins overdreven uit te spreken.

Beklemtoonde lettergrepen worden dan aangegeven met een streepje boven de lettergreep, onbeklemtoonde lettergrepen met een ‘u’.

Lees bijvoorbeeld de volgende regel:

Jantje zag eens pruimen hangen o als eieren zo groot.

Als je bij deze versregel de lettergrepen van elkaar scheidt met een horizontale streep en de beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen aangeeft, krijg je het volgende ritme:

  –      u      –       u        –       u        –        u     –     u    –    u   –       u      – 

Jan | tje | zag | eens | prui | men | hang | en | o | als | ei | e |ren | zo | groot

Als je de afwisseling van wel klemtoon en geen klemtoon zou omwisselen, dan klinkt de versregel heel erg raar.

Wanneer nu in dit ritme een bestaande afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen (de versvoet) regelmatig terugkomt op een versregel, dan is er sprake van metrum. De belangrijkste versvoeten zijn:

Jambe            :  u –                geen klemtoon – wel klemtoon

Trochee         :  – u               wel klemtoon – geen klemtoon

Anapest         :  u u –            2 x geen klemtoon – 1 x wel klemtoon

Dactylus        :  – u u            1 x wel klemtoon – 2 x geen klemtoon

Amfibrachys  :  u – u            geen klemtoon – wel klemtoon – geen klemtoon

Uitgaande van de eerdergenoemde versregel krijg je dan de volgende versvoeten onderscheiden (scanderen) die allemaal trocheeën zijn. Het metrum van deze regel is dan ook trocheïsch.

  –    u      –      u        –      u        –      u     –   u      –  u      –   u      – 

Jan  tje | zag  eens | prui  men | hang  en | o  als | ei  e  | ren zo | groot

Er zijn ook benamingen voor het aantal terugkerende versvoeten op een versregel. De belangrijkste zijn:

Octameter                 : achtvoetige versregel

Heptameter              : zevenvoetig versregel

Hexameter                : zesvoetig versregel

Pentameter               : vijfvoetig versregel

Tetrameter                : viervoetige versregel

De bovenstaande versregel bevat is dus een jambische octameter waarvan de laatste niet volledig is.

Soms past een dichter ook elisie toe om zijn gedicht in een bepaald ritme of metrum te persen. Elisie is het weglaten van een onbeklemtoonde klinker of lettergreep, meestal omwille van het metrum of het ritme. (‘t één en ’t ander of    d’ eedlen = de edelen of  Neêrland = Nederland) Elisie is vaak een aanleiding om te scanderen. Antimetrie betekent dat het algemene metrum van het gedicht bewust (ter benadrukking van dat woord) dan wel onbewust doorbroken wordt; een lettergreep krijgt dan een klemtoon, terwijl hij deze volgens het metrum niet zou mogen krijgen of andersom.


4. Beeldspraak en Stijlfiguren

Soorten metaforen
Een metafoor is vergelijkingsbeeldspraak. De schrijver gebruikt een beeld (b) om een object (o) te omschrijven. De originaliteit van het beeld bepaalt of de beeldspraak geslaagd is.

Personificatie
Als aan een levenloze zaak menselijke eigenschappen worden toegekend, spreek je van personificatie.
r22: de stem van het water

Zuivere metafoor
In een zuivere metafoor wordt een vergelijking gemaakt, maar alleen het beeld wordt genoemd. Het object waar het beeld naar verwijst, is weggelaten

r13: geknotte torens
Geknotte torens als beeld staat hier voor knotwilgen. Torens zonder spits zijn vergelijkbaar met geknotte wilgen. Het is door de wereldburger Marsman ook bedoeld als personificatie: de Hollanders zijn beknot met hun benauwde geloof.

r17 de zon wordt er langzaam
r18 in grijze veelkleurige
r19 dampen gesmoord.

Smoren is vlees sudderen. Maar de zon wordt natuurlijk niet echt gebakken.

Vergelijkingen
Tussen het beeld en het object is een zekere overeenkomst. Ze staan vlak bij elkaar en worden al dan niet  verbonden door een voegwoord (meestal  ‘als’)
ijle populieren

r6: als hooge pluimen 
(de dunne populieren staan als graspluimen die omhoogsteken in een kale vlakte)

Eufemisme
((spreek uit: uifemisme) is een verzachtende / nette manier van uitdrukken. Meestal doe je dat om iemand niet te kwetsen.)

Understatement
(Bij een understatement zeg je iets ook in voorzichtige bewoording, maar dan met spot.)

Beeldspraak (theorie)

In veel gedichten komen beeldspraak en stijlfiguren voor. Bij beeldspraak worden zaken uit de werkelijkheid met beeldend taalgebruik op een indirecte of figuurlijke manier omschreven. Zo kan de lezer zich iets goed voorstellen, vaak beter dan wanneer iets uit de werkelijkheid direct omschreven wordt. Met originele beeldspraak krijgen teksten en schrijvers een eigen stijl.

Het gras leek wel ijzervijlsel, zo heiig was het in de tuin, het jonge boomblad blikkerde metaalachtig, de perebomen met hun stijf gebalde knoppen leken van gietijzer.

Bron: Frans Kellendonk, Mystiek lichaam.

Meulenhoff, Amsterdam 1982

Er zijn verschillende vormen van beeldspraak: beeldspraak die berust op vergelijking (metafoor) en beeldspraak die niet berust op vergelijking (metonymie).

Metaforen

Een metafoor is vergelijkingsbeeldspraak. De schrijver gebruikt een beeld (b) om een object (o) te omschrijven. De originaliteit van het beeld bepaalt of de beeldspraak geslaagd is. Veelgebruikte en dus afgezaagde beeldspraak verliest zijn werking (zie ook: cliché), tenzij de timing ervan in het gedicht weer bijzonder is. Voorbeelden van metaforen zijn:

Personificatie

Als aan een levenloze zaak menselijke eigenschappen worden toegekend, spreek je van personificatie. Een bepaalde eigenschap maakt dat ‘het ding’ vergeleken wordt met iets menselijks.

Het gevaar loerde op elke straathoek

De bomen fluisteren zachtjes haar naam

Het papier is geduldig

De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind.

Synesthesie

Synesthesie is het aan elkaar koppelen van zintuiglijke waarnemingen.

schreeuwende kleuren (gehoor-zicht)
een scherpe blik
(gevoel-zicht)

zoete klanken (smaak-gehoor)

een warme stem (gevoel-gehoor)

een zure glimlach (smaak-zicht)

Vergelijkingen

Tussen het beeld en het object is een zekere overeenkomst. Ze staan vlak bij elkaar en worden al dan niet  verbonden door een voegwoord (meestal  ‘als’)

Met verbindingswoord (polysyndetische vergelijking):

Toen hij uit de sloot kwam, zag hij eruit als een varken. 

Hij is hier het object, een varken is het beeld. Als een varken noem je in dit

verband de vergelijking met als. De overeenkomst is de viesheid.

zijn lange, bleke benen (o), die reeds licht verdorden

komen als berkenstammen (b) door het groen opdoemen.

Bron: M. Vasalis, ‘De idioot in het bad’ (fragment)

in: Gedichten. Van Oorschot, Amsterdam 1998

Zoals zich in het voorjaar soms

nog één bruin appeltje

verbeten vasthoudt aan de tak

die bijna weer in bloei staat (b)

zo hangt zij aan het leven. (o)

[…]

Bron: R.A. Basart, ‘Mijn oudtante’ (fragment)

in: Oranjebal. Bert Bakker, Den Haag 1975

Een dergelijke vergelijking waarbij het beeld in een bijzin zit beginnend met (zo)als, wordt ook een Homerische vergelijking genoemd. Meer algemeen is dit een breedsprakige vergelijking, waarbij de schrijver zo opgaat in het vergelijken, dat hij dingen noemt die geen verwantschap meer hebben met het beeld.

Zoals in de bergen een havik,

vlugger vliegt dan al wat er vliegt, op een schichtige duif komt gestreken

— deze wiekt zijdelings weg, maar de havik, telkens weer stotend,

schiet en schiet op haar af met snerpende kreten: zijn

vraatzucht spoort hem tot grijpen — zo snelde toen ook Achilles naar voren,

vol van begeerte.

Zonder verbindingswoord (asyndetische vergelijking)

Haar handen (o), bedrijvige vlinders (b) in de schijn van het theelichtje.

De handen, het object, zijn kennelijk druk aan het werk waardoor ze lijken op de bedrijvigheid van vliegende vlinders (het beeld).

Zuivere metafoor

In een zuivere metafoor wordt een vergelijking gemaakt, maar alleen het beeld wordt genoemd. Het object waar het beeld naar verwijst, is weggelaten. Zuivere metaforen komen ook vaak in spreekwoorden voor.

Wanneer des nacht de donkre vogels komen

en ons weer wekken met hun stalen stem, (o)

Bron: Koos Schuur, ‘Het kind en ik’ (fragment)

in: Herfst, hoos en hagel. De Bezige Bij, Amsterdam 1946

Koos Schuur schrijft hier ‘donkre vogels’ met ‘hun stalen stem’. Daarin kun je lezen dat hij overvliegende ronkende vliegtuigen bedoelt.

De hemel, waarin grauwe bergen lood stonden.

Met grauwe bergen lood bedoelt de schrijver hier zware wolken. De overeenkomst zit hem vooral in de kleur van het lood (donkergrijs) en de wolken.

Dat schaap heeft zich laten beetnemen.

Hij haalde voor hem de kastanjes uit het vuur. 

Kennelijk heeft de ‘hij’ in deze zin een vervelend of zelfs gevaarlijk klusje voor iemand gedaan. Net als dat het vervelend of gevaarlijk is (gepofte) kastanjes uit het vuur te moeten halen. 

Allegorie

Een metafoor die door het gehele gedicht, verhaal of boek wordt volgehouden. In feite is de tekst dan één lange uitgewerkte metafoor. Het bekendste voorbeeld is Elckerlyc (± 1485) waarbij het object (de gehele mensheid) wordt verpersoonlijkt in een persoon, Elckerlyk (‘Iedereen’)

Metonymia

Net als bij de zuivere metafoor wordt bij de metonymia wel het beeld maar niet het object genoemd. Groot verschil is, dat er géén overeenkomst is tussen het beeld en het object, maar dat er wel een zekere relatie benadrukt tussen het beeld en het object. Er zijn erg veel metonymia, maar de meest voorkomende komende zijn:

  • Het benadrukken van een specifieke, opvallende eigenschap of bijzonder kenmerk van het object. (Ook wel perifrase)

Een zee van ruisend groen (een bos)

Dat blazende en krabbende ondier (een kat)

De tijd voor slapen (de nacht)

  • Het benadrukken van het materiaal waar iets van gemaakt is,

Het voetbalelftal won goud. (= het materiaal waar de medaille van gemaakt is)

  • Het benadrukken van de relatie tussen deel en geheel van een persoon of een ding (Ook wel synecdoche)

Ze hadden vele monden te voeden (Deel duidt geheel aan.)

Met een vloot van twintig zeilen was hij bij voorbaat kansloos.(idem)

Engeland won bij Gibraltar de oorlog. (Geheel duidt deel aan.)

  • Het benadrukken van de maker van een product in plaats van het product zelf.

Hij heeft een echte Van Gogh aan de muur hangen. (= de maker van het product)

NB. een speciaal metoniem kan is het bijvoeglijk gebruik ervan waarbij een  bijvoeglijk naamwoord gebruikt wordt dat niet in verband staat met het  zelfstandig naamwoord waar het voor staat, maar meestal iets meedeelt over een levend wezen dat ermee in verband gebracht kan worden:

Een luie stoel 

Niet de stoel is lui, maar degene die erin zit.

Vallende ziekte

Niet de ziekte valt, maar degene die aan de ziekte lijdt, valt steeds.



7. Stijlfiguren

Een stijlfiguur is een opvallende, kenmerkende vorm (figuur) van uitdrukken (stijl). In tegenstelling tot beeldspraak hebben stijlfiguren niets met beelden, objecten of figuurlijk taalgebruik te maken; het zijn taaltrucjes.

Hyperbool
r24: eeuwige rampen
De uitspraak eeuwig is erg overdreven. Waterrampen gebeurde echt niet de hele tijd.

Antithesis
r11: Wonderen verborgen houden en daarna tonen is een tegenstelling.

Paradox
r13: Verregend, op een miezerigen morgen,
r14: Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.
De schrijver is domweg gelukkig terwijl hij verregend is en in de stad loopt.

Rhetoriek
r2: En dan: wat is natuur nog in dit land?

Personificatie
r13: geknotte torens
Expressionist Hendrik Marsman ziet de ‘kerktorens zonder spits’ als symbool voor de Nederlandse ‘doe maar gewoon dan doe je gek genoeg’ mentaliteit die de mensen kort houdt; het is in die zin ook een personificatie.

Inversie
(Onderwerp en persoonsvorm omkeren en een zinsdeel er voor zetten)
In de eerste en de een vierde zin van de eerste stofe; in de derde zin van de tweede strofe en de middelste zin in de derde en vierde strofe.

Litotes
(bevestiging door een ontkenning van het tegenovergestelde)
r ‘wie niet veel” in plaat van “niets”

In welke regel is sprake van enumeratie in ‘Herinnering aan Holland’ van Marsman

Vanaf r.12 : boomgroepen, dorpen, geknotte torens, kerken en olmen

Stijlfiguren (theorie)

Inversie
In een gewone Nederlandse zin krijg je eerst het onderwerp en daarna de persoonsvorm:

Bij de zin ‘Piet liep in het park te wandelen’, ligt de nadruk op Piet. Maar wanneer je persoonsvorm en onderwerp omdraait én er een ander zinsdeel voor zet: ‘In het park liep Piet te wandelen’, dan ligt de nadruk op het park. Inversie wordt dan ook gebruikt om bepaalde woorden meer nadruk te geven

Prolepsis (vooropplaatsing)
Prolepsis is geïsoleerde vooropplaatsing van een zinsdeel dat aandacht moet krijgen. Het verschil met inversie is dat er geen sprake hoeft te zijn van omkering van onderwerp en persoonsvorm en dat de vooropplaatsing geïsoleerd is.
Die vent, ik mag hem niet.

De etterbak, ik wil hem niet meer zien.
Deze foto, ik had die liever niet geplaatst.
Op tv, in de krant, op internet, overal kom je die afbeelding tegen.

Repetitio

Het herhalen van hetzelfde woord.

Geld, geld is het enige wat hem bezighoudt.

Anafoor

Het herhalen van hetzelfde woord of dezelfde woordgroep aan het begin van opeenvolgende zinnen of zinsdelen.

Niemand die het weet, niemand die wat doet, niemand die het wat kan schelen…

Epifoor

Het herhalen van hetzelfde woord of dezelfde woordgroep aan het einde van opeenvolgende zinnen of zinsdelen.

Hij had de bergen gezien, de oceaan gezien en niets gezien.

Het ziet eruit als wijn, het ruikt als wijn, het smaakt als wijn, dus is het wijn.

Symploke

Een stijlfiguur die zich voordoet wanneer een anafoor en een epifoor gelijktijdig optreden.De woorden aan het begin én aan het einde van de zinsdelen komen overeen.

Iedereen wil het spel zien, iedereen wil de bal zien, iedereen wil een overwinning zien.

Enumeratie (opsomming)

Een enumeratie gebruik je om iets te benadrukken. Meestal zit er in de opsomming een climax (een in kracht toenemende rij) of een anticlimax (een in kracht afnemende rij).

Twee, zes, twintig, honderd mensen kwamen naar het feest toe.
Hij is
wereldberoemd, nou ja… in Nederland, eh in Zaltbommel dan. Ik bedoel: daar hebben ze van hem gehoord.

Een enumeratie kan ook een opsomming van een aantal zinnen zijn vaak met een vorm van herhaling (epifoor, anafoor of symploke)

Wist u dat:Jochem Uytdehage twee gouden en één zilveren medaille heeft gewonnen? Gretha Smit een zilveren medaille heeft gewonnen? Renate Groenewold ook een zilveren medaille heeft gewonnen?

Parallellisme

Bij een parallellisme is er sprake van steeds eenzelfde, zich herhalende zinsconstructie. Het effect is dat de tekst een beetje plechtig gaat klinken. Meestal kom je het parallellisme tegen in gedichten:

Wanneer ik morgen doodga,

vertel dan aan de bomen

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan de wind,

die in de bomen klimt

of uit de takken valt,

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan een kind,

Dat jong genoeg is om het te begrijpen.

Vertel het aan een dier

misschien alleen door het aan te kijken.

Vertel het aan de huizen van steen,

vertel het aan de stad

hoe lief ik je had

Maar zeg het aan geen mens.

Ze zouden je niet geloven.

Ze zouden niet willen geloven dat

alleen maar een man alleen maar een vrouw

dat een mens een mens zo liefhad

als ik jou.

(‘Voor een dag van morgen’, Hans Andreus)

Tautologie
Bij een tautologie wordt iets twee keer, met verschillende woorden gezegd ter benadrukking van het uitgedrukte.

De kinderen waren aan het schreeuwen en gillen.

De stoet kwam met veel pracht en praal voorbij.

Pleonasme
Bij een pleonasme wordt een betekenis die het hoofdwoord al in zich heeft versterkt door een overbodig bijvoeglijk naamwoord. Je wilt de eigenschap van het hoofdwoord benadrukken. Vaak leidt een pleonasme tot foutief Nederlands en spreekt men ook wel van een stijlfout:
In Oostenrijk genoten zij van de stilte tijdens hun wandeling door de witte sneeuw.
Enkel en alleen dat snoepje mocht Sandra pakken.

Het paard van Sinterklaas is een witte schimmel.

De gele zonnebloemen vullen het hele veld.

Oxymoron

Twee woorden die elkaar in hun letterlijke betekenis tegenspreken worden gecombineerd tot één begrip of uitdrukking. Het is dus een dommigheid waarover is nagedacht met als effect dat de boodschap nadruk krijgt.

Goed fout, modern klassiek, Eyes wide shut, oorverdovende stilte, een levend lijk, een onbestorven weduwe, de kleine reus, knap lelijk, etc.

Antithese (tegenstelling)
Antithese is het moeilijke woord voor tegenstelling. Door twee tegenstellingen in een zin te gebruiken vallen ze meer op.

In Noorwegen is het ‘s winters ijskoud maar in Zuid-Spanje blijft het lekker warm.

‘s Lands grootste kruidenier gaat op de kleintjes letten.

Chiasme (kruisstelling)

Twee bij elkaar behorende zinnen of delen van een zin zijn wat de woordrangschikking betreft elkaars spiegelbeeld of vormen een omgekeerde herhaling (repetitio met omkering)

alleen het geruisch van uw bloed 

en van uw hart het gehamer

vervulle uw lichaam,verstaat ge,uw leven,uw kluis. 

H.Marsman

De woorden geruisch-gehamer en bloed-hart vormen elkaars spiegelbeeld. Als je deze woorden met een lijntje met elkaar verbindt, ontstaat een kruis

Denkend aan de dood kan ik niet slapen. Niet slapend denk ik aan de dood.

(J.C. Bloem)

When the going gets tough, the tough gets going.

(Billy Ocean!)

Hyperbool (overdrijving)
Een hyperbool is een overdrijving.

Ik heb bij de bushalte een eeuw staan wachten.
Je wordt doodgegooid met informatie over de verkiezingen.

Exclamatio

Een exclamatie is gewoon een uitroep: Hoera! O Jee! Help!  O schone!

Asymmetrie
Doordat je dingen bij elkaar zet waartussen geen verband is, ontstaat een grappig effect.

Zij had mooi blond haar, prachtige ogen, een krachtige kin en een pukkel op haar neus.

Paradox
Een paradox is een schijnbare tegenstelling. De schrijver lijkt zichzelf tegen te spreken, maar dat is niet zo. Je moet er daarom goed over nadenken wat de schrijver eigenlijk bedoelt.
Slagen doe je door te mislukken (Harry Mulisch in: De Elementen)
Mulisch maakt hier duidelijk dat je van je fouten (mislukken) kunt leren, waardoor je later een grotere kans hebt tot slagen.

Schrijven is de kunst van het schrappen.
Hoe gespecialiseerder iemand is, des te minder kan hij.

Eufemisme
Een eufemisme (spreek uit: uifemisme) is een verzachtende / nette manier van uitdrukken. Meestal doe je dat om iemand niet te kwetsen:

Gisteren hebben we opa naar zijn laatste rustplaats gebracht.
Zij werkt daar als interieurverzorgster.
‘Hoe is het met uw stoelgang?’,  informeerde de dokter.

Zijn vader is gestorven aan K.

Understatement
Het understatement lijkt veel op het eufemisme, maar er is een groot verschil. Bij een understatement zeg je iets ook in voorzichtige bewoording, maar dan met spot.Het verschil zit hem dus in de spot. Om een understatement te kunnen begrijpen, moet je altijd de situatie kennen waarin hij uitgesproken wordt.
Een man wiens auto in de gracht was verdwenen die opmerkte: Lastig, hoe kom ik nou thuis?

Toen zijn partij weer vier zetels had gewonnen in de peilingen reageerde de fractieleider met: ‘Niet slecht’.
Ik had een twee voor het proefwerk, ik had dus wel een paar foutjes gemaakt.

Litotes
De litotes wordt vaak gebruikt door politici. Het is een bevestiging door een ontkenning van het tegenovergestelde: Interviewer: Mijnheer Zalm, gaat de belasting dit jaar nog omlaag? Zalm: Het is niet onwaarschijnlijk dat de belasting dit jaar nog naar beneden gaat. De woorden niet onwaarschijnlijk vormen een litotes. Handig voor politici, want ze kunnen altijd in een later stadium zeggen dat ze geen ‘ja’ gezegd hebben.
Daar ben ik niet blij mee.
Ik vind dat geen verkeerd plan.

Retorische vraag
Een retorische vraag is een vraag waarop de steller van de vraag geen antwoord verwacht (een wedervraag), maar veelal verontwaardiging of een ‘zekerheid’ uit wil drukken.

Hoe lang moet ik deze vragen nog aanhoren?

Twijfel (Dubitatio)

Onzekerheid in een vraagvorm uitdrukken om de moeilijkheid of vreselijkheid van die zaak te benadrukken.

Waarover moet ik eerst klagen of waar moet ik bij voorkeur, rechters, beginnen? Of welke hulp of aan wie moet ik hulp vragen? Aan de onsterfelijke goden? Aan het Romeinse volk?

Praeteritio

Noemen op welk(e) onderwerp(en) niet in te willen gaan, maar het daarmee toch doen. 

Om nou te zeggen dat het lelijk is, gaat mij te ver.

Het is van geen belang te weten dat hij in het verleden verschillende keren met de politie in aanraking is geweest.

Och, waarom zou ik vermelden wat wij daar hebben gezien. Veel kerken zijn gevuld met gouden en zilveren voorwerpen en schilderijen van bekende meesters.

… om nu maar te zwijgen van…

… ik zal niet zeggen dat hij een (…) is, maar…

Ironie, sarcasme, cynisme
Ironie is vriendelijke spot. In principe wordt het tegenovergestelde gezegd van wat er bedoeld wordt. Bij sarcasme is hetzelfde het geval, maar nu is het veel harder. Cynisme is nog harder dan sarcasme. Het is vaak van de situatie, soms ook van de persoon, afhankelijk of iets ironisch, sarcastisch of cynisch is.
Moeder over haar zoontje van twee jaar oud: Onze Harry is een echt boefje. (=ironie)
Leraar tegen leerling die net een 3 heeft teruggekregen voor een proefwerk: Jij hebt zeker erg je best gedaan, toen je dit proefwerk moest leren (=sarcasme).
Krijgsgevangene: De bewakers waren best aardig, ze sloegen niet elke dag (=cynisme).

Synoniemen
Synoniemen zijn woorden met ongeveer dezelfde betekenis, maar veelal met een verschillende sferen/gevoelswaarden. Je kunt dan gebruik maken van deze verschillen.

rijwiel – fiets
troittoir – stoep
laten inslapen – doodmaken

Asymmetrie
Doordat je dingen bij elkaar zet waartussen geen verband is, ontstaat een grappig effect.

Zij had mooi blond haar, prachtige ogen, een krachtige kin en een pukkel op haar neus.

Allusie (toespeling).

Al dan niet verhulde verwijzing naar een andere tekst. Zo verwijzen Jacques Perk en Hugo Claus hieronder naar het ‘Onze Vader’, maar beiden stellen het gebed wel in dienst van iets anders:

Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij,

Uw wil geschiede; kóme uw heerschappij;

Naast u aanbidde de aard geen andren god!

(Jacques Perk: ‘Deinè Theos’)

Onze Vader

Die in de hemel zijt

Gezegend is Uw Bom

Dat Uw rijk kome

Dat Uw Megatonnen ontvlammen hier op aarde

Als in de Hemel.

Geef ons heden ons nucleair wapen

En vergeef ons onze voorlopige vrede

Zoals wij vergeven wie ons weerstaat met

gejank om vrede

Maar dat wij mogen ver-assen en verdwijnen

Tot op het einde der tijden

Amen.

(Hugo Claus: Bericht aan de bevolking)

C. Interpretatie

( interpretatie van het gedicht, waarbij ook relevante stijlelementen en beeldspraak hun plek moeten krijgen)

Het Hollandse landschap is magnifiek en dreigend.

🦷🦷🦷🦷🦷 tips over kunstwerken die een overweldigende en duurzame ervaring achterlaten die het leven ietsje mooier maken…

Blader door alle onderwerpen

Snel bladeren