mama J C J Burkunk - Beekes
Home » 3 tanden » Middageten met gebalde vuisten

Middageten met gebalde vuisten

Een klaagzang, een ordinaire rouwverwerking, een poging om het goed te maken – ik zou bij God niet weten hoe je deze vorm van nagedachtenis moet noemen.
Mijn moeder was een heel moeilijk mens, voor zichzelf en voor anderen. Hoe dan ook: op 27 december 2012 overleed zij. Na 11 jaar ben ik in staat om het verhaal dat ik een week na haar dood schreef met compassie te bekijken. Zonder schaamte kan ik het zelfs delen met die 3 lezers van mijn blog. Zo moet het maar gebeuren dan.

Ready for lift off

Het is benauwd in de bioscoop. De sciencefictionfilm Interstellar is betoverend. Een bejaarde vrouw ligt op haar sterfbed, omringd door haar familie. De camera zweeft door de kamer. Haar kinderen en kleinkinderen staan met bedrukte gezichten om het bed. Dan zien we weer de moeder. Oud en kwetsbaar. Met de dood in de ogen glimlacht ze tevreden naar haar kinderen. Ze kan vertrekken. Wat een cliché. Toch raakt het mij enorm. Ongewild dwalen mijn gedachten af naar mijn eigen moeder. Ik probeer de film te blijven volgen maar er verdringen zich andere beelden.

Mijn moeder is nou niet bepaald gestorven met een glimlach op haar gezicht. Ze had een bezorgde blik. Als kind al. Het was geen lachebek, zogezegd. Verlegen misschien. Dat was ik trouwens ook. Geen goede combinatie. Daar komt nog bij dat we eerst dol op elkaar waren. Toen ik ging puberen wist zij zich geen raad. We raakten van elkaar verwijderd. Ook toen we ouder en wijzer werden bleef de situatie hetzelfde. Zo’n beetje als de aarde ten opzicht van de maan. Een onherstelbare afstand.
In de laatste jaren voor haar dood konden we elkaar eigenlijk alleen nog maar pijn doen. Dan voelden we contact. In de gesprekken die we de laatste weken voor haar definitieve lancering hadden , scholden we elkaar uit voor rotte vis. Gemene dingen tegen elkaar zeggen, daar waren we heel goed in. En zelfs dat hielp alleen maar tijdelijk. Tot aan haar vertrek zijn we lichtjaren van elkaar verwijderd gebleven.
In de laatste jaren van haar leven zag ik haar alleen maar tijdens de plichtmatige bezoekjes die een zoon nu eenmaal aflegt aan zijn moeder. Haar toestand verslechterde, elke keer als ik haar weer zag. ‘s Ochtends waggelde ze met haar laatste krachten naar de huiskamer van mijn ouderlijk huis. Zij nestelde zich in haar stoel, omringd door de antieke spulletjes waar ze van hield.
‘God mam, zit je nou de hele dag naar buiten te kijken?’ vroeg ik dan als ik op bezoek was. Ze keek me ernstig aan maar zei niets. Zoals altijd. Een zorgelijke blik.
‘Wel vervelend dat je dat raam niet op een ander net kan zetten met de afstandsbediening, hè?’
Er volgde de bekende grimas, waarvan je nooit wist of ze nu plezier had of dat ze boos was. Houston, zei ik bij mezelf. Can you copy that? Ik keek haar verwachtingsvol aan. Haar gezicht leek van klei, met kleine putjes.
‘Zo, dus je komt weer eens langs om je oude moeder te bezoeken,’ klonk het dan eindelijk uit de verte. ‘Is er iets?’

Ik ben weer bij de film. De moeder in het ziekenhuisbed is asgrijs. Toch heeft ze een glimlach op haar gezicht. Je voelt dat ze met een gerust hart gaat sterven. Iedereen rond het bed is ook tevreden. Ik voel de warmte en de opwinding van de aanwezigen. Temeer omdat, vreemd genoeg, niet alleen haar zoon maar ook de vader van de moeder aanwezig is. Via een videoverbinding kijkt hij mee hoe zijn dochter sterft. Haar vader is astronaut en is tijdens een ruimtereis door de tijd gereisd via een zwart gat in het heelal. Hij is daardoor in de tijd blijven stilstaan. Gedurende zijn 50 jaar afwezigheid is zijn dochter op aarde oma geworden en heeft hem qua leeftijd ingehaald. Een vreemde situatie. Hij kan dus zijn eigen dochter zien sterven als een oude vrouw.

Van achter uit de bioscoopzaal hoor ik een stem die ik ken. Mijn moeder. Ik schrik. Ze kijkt godverdomme mee. Heel duidelijk hoor ik haar verontwaardigd zeggen:
‘Wat een kul, Marlin. Dat kan toch niet! Een belachelijke film. Zet uit!’
‘Nee, dat kan inderdaad niet,’ begin ik voorzichtig in mezelf.
‘Nog niet. Maar het is een spannende gedachte, Mama. Reizen door de tijd…misschien kan dat wel in de toekomst. Dat zou toch geweldig zijn!’
Het is warm in de zaal. Ik kan mij slecht concentreren. Koortsachtig probeer ik haar van repliek te dienen. Waarom eigenlijk? Ik ben laaiend vanwege dat woord ‘kul’. Ik kan haar niet duidelijk maken wat mijn gedachte is. De onmacht van een kind dat nog niet bij de trappers kan.
Droge keel. Wazige vlekken voor mijn ogen. Ik ben verdomme aan het hyperventileren.
Ik probeer iets in mijn enthousiasme te vertellen en zij begrijpt het niet. Demonen stromen door mijn hoofd. Ik weet inmiddels dat het oud zeer is maar het lukt me even niet om terug te keren. Fuck Mindfulness. Ik zit er middenin.
‘Waarom word je nu zo boos, Mama? Ik wil je alleen maar vertellen hoe aangrijpend ik die scene vind…’, zeg ik in mezelf.
‘O ja?, vuurt zij terug. ‘Ik zeg toch ook wat ik ervan vind? Wie is hier eigenlijk de baas?!’ Mijn moeder lacht satanisch.
Haar harde stem voel ik tot in mijn botten. Ik schuifel ongemakkelijk op mijn stoel.

Naast mij zitten mijn vrienden. Zij hebben mijn moeder niet gekend. Angstig heb ik haar altijd verborgen gehouden. Ze is al jaren overleden. Toch nog zo levendig in mijn hoofd.
‘Als ik mij vergevingsgezind zou opstellen dan zou ik niet boos worden. Het is geen afkeuring,’ dicteer ik mezelf nu moedig in de taal van de therapeuten.
‘Ik zou kunnen zeggen: zij keurt niet mij maar de film af. Het heeft niks met mij te maken. Het is haar gevoel, haar reactie op iets dat ze niet begrijpt…dat kun je bij haar laten…’
Ik voel die bijtende verontwaardiging opkomen.
Plotseling zeg ik bij mezelf:
‘Maar als kind hoor je alleen maar je moeder ‘kul’ zeggen, godverdomme. En je trekt de conclusie dat jijzelf ook ‘kul’ bent.’
De therapeut zegt: ‘Mmmmm’.
Dus ik herhaal het nog een keer. Weer een mep op het aambeeld, zonder iets te smeden.
‘Ja, dat is mijn sterkste herinnering aan mijn moeder. Ik zie haar boze gezicht en hoor haar zeggen dat ik ‘kul’ ben.’
De therapeut schraapt zijn keel. Ik voel me onredelijk. Wat haat ik die man.
En natuurlijk gaat hij nu zijn mantra zeggen: ‘Dit mag je ook voelen, het is jouw beleving geweest van de situatie.’
Om hem voor te zijn zeg ik:
‘Ik zal dit er wel zelf van gemaakt hebben, de gedachte dat zij mij afwijst is een gevoel, een interpretatie – geen feit…’
Voor dat de therapeut mij van catastrofaal denken kan betichten, zet ik mijn zender op de Blije Omroep.
‘Maar mijn moeder was ook heel liefdevol. Toen ik een tand door mijn lip viel mocht ik in de speelgoedwinkel op de Dorpsweg een echt matchbox autootje uitkiezen. Zij heeft, als dochter van een meubelmaker, mijn handvaardigheid enorm gestimuleerd. Dat was heel mooi. Daar heb ik veel aan gehad. Ik kreeg een eigen werkbank in de garage. Daar timmerde ik een eendenhok in elkaar.


Vanuit zijn ruimtevaartuig tuurt de astronaut eenzaam door een driehoekig raam naar de aarde. Voor een moment kan ik mij weer even op de film concentreren. Een wit schijfje glinstert ergens diep in het pikzwarte heelal. De astronaut ziet zichzelf weerspiegelt in het raam. Hij denkt na over de vijfde dimensie. Een parallel universum. Ik begrijp er geen reet van. Het is maar goed dat mijn moeder deze kul niet ziet. Ik vind de gedachte van de aanwezigheid van andere werelden in de wereld spannend. Misschien zit er in de armleuning van mijn bioscoopstoel op quark-deeltjes niveau een compleet sterrenstelsel. Waarom niet? Misschien zijn wij met ons heelal wel een onderdeel van een bioscoopstoel die op een oneindig grotere planeet staat te shinen.

‘Moederaarde,’ zeg ik bij mezelf. ‘Dat zei Kuifje altijd.’
Plotseling zie ik mezelf als kleine jongen fietsen op een te grote fiets. Het is de jaren zeventig. Een lege straat in een dorp, onder de rook van Utrecht. Het is vroeg in het voorjaar. Mijn moeder zit op haar knieën in onze voortuin. Haar stevige handen gaan door de rulle aarde. Op de fiets van mijn moeder moet ik stenen halen. Ik kan net niet op het zadel zitten en dans op de trappers. De zijtassen klapperen in de wind. Aan de rand van het dorp ligt een nieuwbouwwijk. Daar ligt een stapel klinkers op een hoop. Dat is mijn opdracht. Mijn moeder is gek op stenen. Ik kan best een paar van die klinkers weghalen voor onze tuin, heeft ze gezegd. Gehoorzaam voltooi ik mijn missie. Als ik terugfiets zijn de achtertassen zo zwaar dat ik af en toe een wheelie maak. Glunderend ontvangt ze de buit. Daar maak ik een paadje van tussen het speenkruid, zegt ze verrukt. Ze is blij. Ze strijkt me liefdevol met haar zwarte werkershanden door de haren. Ik ruik aarde en ui. Ik voel me trots.

Ik was mijn moeders oogappel. Na twee dochters haar eerste zoon. Een jongen! Mijn vader heeft mij mijn hele leven ervan willen overtuigen hoe ‘gelukkig’ ze wel niet was met mijn komst op aarde. Moederaarde! En dat zal zeker zo zijn geweest. Maar op het moment dat ik mijn eigen mening ging ontwikkelen, begreep ze volstrekt niet meer hoe ze met haar zoon om moest gaan. Ik raakte los van het moederschip. Ze was mij kwijt en kon alleen nog maar wanhopig valse dingen via de boordradio roepen. Een ziel in nood.
‘Vroeger was je niet zo, Marlin. Toen deed je nog alles wat ik zei.’

De film dringt niet meer tot mij door. Ik zie mijn moeder zorgelijk kijken. Ik hoor haar al die verwijten weer herhalen. Benauwde gedachten zuigen mij naar binnen. Het is niet te weerstaan. Een magnetisch veld. Een onontkoombaar zwart gat. Daar is geen kruid tegen gewassen.

‘Het is lastig om als kind al die onduidelijke signalen die je moeder uitzendt op hun juiste merites te beoordelen,’ zeg ik veel te objectiverend tegen mijn therapeut.
‘Probeer eens direct tegen haar te praten, alsof ik je moeder ben,’ zegt de therapeut.
Ik heb een hekel aan die rollenspelletjes. Te vaak gespeeld. Toch probeer ik het. Ik ben de kwaadste niet.
Ik schraap mijn keel. En zucht…
‘Mama, luister. Je keert je tegen mij. Je wordt boos op mij. Je respecteert mijn mening niet. Dat wil ik niet.’
Het werkt niet. Ik voel me belachelijk. Mijn moeder zou niets begrepen hebben van zo’n gesprek. Ik begrijp het eigenlijk ook niet goed. Wat had ik toen moeten zeggen? Wist ik veel. Ik stap toch weer opzij en bekijk mijn gesprek met mijn moeder vanaf een wolkje.
‘Het blijft lastig, zo’n moeder,’ begin ik verkeerd.
Ik probeer het opnieuw.
‘Het is bekend dat je niet zo’n vrolijke moeder was of nee, bent!’ stotter ik verder. Het voelt allemaal gekunsteld, dat directe gesprek met mijn moeder.
‘Dat je keihard was in je oordeel,’ probeer ik richting de therapeut, ‘ook naar anderen. Dat had ook anders kunnen zijn, Mama. Voor hetzelfde geld had ik een moeder gehad die niet bij elke onbekende beweging, meteen haar pistool trok en haar magazijn leeg knalde. Gewoon een moeder die kon luisteren en respecteren dat iemand een film leuk vond die zij zelf niet leuk vond of niet begreep. Zo’n moeder. Dat had gekund. En ik heb er waarschijnlijk altijd op gehoopt dat je dat ooit zou worden. Een opgeruimde vrouw die onvoorwaardelijk kon liefhebben. Een moeder die iets niet direct afkeurde als ze iets hoorde wat haar niet beviel. Waar ruimte was voor twijfel, mededogen, relativering, mildheid.’
Terwijl ik dit bijna hardop in de bioscoopzaal zeg, voel ik haar spottende lach en ik hoor haar weer zeggen:
‘Poeh! Er heeft er hier maar een gelijk en dat ben ik.’
Gekscherend zei ze dat. Meer om een einde aan het gesprek te maken. Want meer dan half ironiserend kon ze niet over haar eigen gevoel praten. Nu ik er weer over nadenk had mijn moeder een soort eerlijkheid die achteraf sociaal onhandig was. Zeker als je kinderen aan het opvoeden bent.
Ik herinner mij dat ik als kleine jongen haar wel eens vroeg:
‘Mama, vind jij mij knap?’
Dan kon ze daar niet op antwoorden. En als ik dan aandrong op een antwoord dan zei ze iets in de trant van: ‘Daar kan ik geen uitspraken over doen, jongen. Dat zeg je niet als moeder.’ 
Uit een soort waarheidsgebod. Want ze wilde niet dat ik arrogant werd waarschijnlijk. Of misschien vond ze mij gewoon lelijk. Door het niet te zeggen maakte zij het in mijn gedachten alleen maar erger. 
Natuurlijk had een gewone ouder geantwoord:
‘Ik vind je de knapste jongen van de wereld’.
Maar zo’n moeder heb ik dus nooit gehad.
Als ik vergevingsgezind was dan had ik kunnen zeggen:
‘Je hebt nooit begrepen wat je je kinderen aandeed met die houding’.
En: ‘Je kon gewoon niet anders, je had er je redenen voor.’

In een slopend traag shot koppelt de astronaut zijn ruimtevaartuig aan het ruimtestation. In één van de eerste videogames van Atari uit de jaren ’80 was dat een spannende exercitie. Wat heb ik dat spel docking star of zoiets vaak gespeeld toen. Ik was de kasten in de automatenhal van de stad al bijna vergeten. Maar nu zag ik de oker kleurschakering en de grove pixels van de amateuristische graphics van het spel haarscherp voor mij. Hoe ik voor zo’n kast stond met mijn hand op de joy stick en af en toe tegen het triplex schopte als het niet goed ging. Met twee buttons voor de boordmotoren links en rechts hield je de capsule stabiel. Mijn stoffen schooltas stond bij mijn voeten. Ik speelde makkelijk een half uur met één gulden.

In gedachten hoor ik de therapeut zeggen:
‘Kun je je moeder vergeven?’
‘Dat is inderdaad lastig. Ik ben nog steeds boos. En ik hoef maar even aan haar te denken en ik voel mij weer woedend en machteloos…En tegelijk schaam ik mij diep dat ik nog steeds met haar zit…’
Ik voel weer hoe de therapie wegzakt in zo’n rollenspel. Een draaiboek dat vast staat. Praat ik nu vanuit mijn emotie tegen de therapeut of vanuit de redelijkheid? Redelijk is te proberen te voorspellen wat hij wil horen. Ik zag steeds zijn brein als een wolkje boven zijn hoofd. Zo’n tekstballonnetje uit een stripboek waarin een opengeslagen handboek ‘psychotherapie: methoden en technieken’ stond afgebeeld.
‘Kan dat: vanuit je gevoel praten? Op het moment dat je zegt wat je voelt ben je toch aan het redeneren? Een gedachte aan het formuleren?’ vraag ik wijsneuzerig.
De therapeut gooit het binnen ons rollenspel snel over een ander boeg.
‘Spreek haar aan, dan krijg je het beste contact met je gevoel…’

Oké dan. In gedachten begin ik een direct gesprek. Alsnog een afscheidsrede. Wie weet helpt het. Wat heb ik te verliezen? Ik zie de therapeut achterover gaan zitten. Hij heeft zijn werk gedaan en nu denkt hij dat hij kan oogsten.
Ik ga er meteen vol in. Met gestrekt been want dat waren we van elkaar gewend.
‘Hoe boos lig je daar in bed te sterven, Mama. Het is niet normaal. Natuurlijk ben al een paar weken niet meer aanspreekbaar en volledig verdoofd door de morfine maar zelfs met je ogen stijf gesloten zie en voel ik de boosheid en je gevecht. Ik word er bang van, zoals ik altijd een dreiging heb gevoeld in je aanwezigheid.
Al jaren heb ik geen vertrouwen meer in een goede afloop. Ik zie je grove werkershanden, gebald in twee vuisten. Je trouwring zit diep in het gerimpelde vel van je vinger verborgen. De gedachte aan die handen ontroeren me ook. Feitelijk doen ze me denken aan de tijd dat je nog alle macht en controle over mij had (‘dat ik van jouw was’) en ik nog niet tegen je in ging of je pijn deed of teleurstelde omdat ik Mondriaan een goede schilder vond en jouw Turner een beetje te romantisch.’


Ja die korte, dikke vingers. Die ene ring met diamantjes, diep in het vel getrokken. Ik ruik ook in een keer de lucht van die handen. Zoals ook onze houten snijplank rook. De geur van uien. Hoe je ‘s middags altijd zwijgend aardappels zat te schillen, terwijl ik een stripboek zat te lezen aan de keukentafel. Altijd thee met een roze koek als ik uit school kwam. Die serene rust en veiligheid. Zeker als het al een beetje donker buiten werd in de herfst dan waren dat prettige momenten. Geborgenheid. En dan nog een geschilde appel in een bakje mee naar mijn kamer. Die stukjes appel smaakte ook naar jouw uienmes.

Ik voel tranen opkomen. Ik ga door met prikkende ogen. De therapeut geeft mij (triomfantelijk lijkt het) een tissue, uit de doos die tussen ons in staat. Ik haat dat gebaar van de professional. ‘Laat mij huilen, lul!’ denk ik. Ben je bang dat er lekkages ontstaan? Ik ga verder.

‘Ik zit daar als ideale zoon en doe netjes wat er van mij verwacht word. Ik drink thee en ga daarna mijn huiswerk maken. Volgens mij had je het liefst gewild dat ik daar mijn hele leven was blijven zitten. Een stripboek lezend, terwijl jij in de buurt was. Misschien heb je toen wel van mijn aanwezigheid genoten, helaas zonder het uit te spreken. Ik hoop het.’

Nu zie ik je dood gaan met gebalde vuisten. Een houding die eigenlijk voor mij heel vertrouwd was. Zo was jij Mama, altijd met je handen in de bokshouding. Je kon daar ook nog wel eens zelfspottend in plat-Utrechts aan toevoegen: ‘Spaatsies?’. Alsof je je in een constante straatruzie bevond. Alsof iedereen en altijd het op je gemunt had.

In grote tegenstelling tot de sterfscène in de film die ik nu aan het bekijken ben, had ik toen het idee dat je helemaal niet blij was dat al je kinderen verzameld rond je bed stonden. Want je was het liefst met de stille trom vertrokken. Want over ziekte en verdriet praatte je niet makkelijk. Eigenlijk nooit.

Sinds het moment dat je te horen kreeg dat je kanker had, en waarschijnlijk niet meer lang te leven had, heb je er met niemand over willen praten. Zo ben je altijd geweest. Als kind kreeg ik nooit hoogte van hoe je je voelde. Daar kon je niet over praten.  Er was wel pijn. Iets met een chronische pijn in je nek maar haalde het niet ‘in je malle kop’ om daar te informeren. Daar stond de doodstraf op. Je kon in een enorme toorn ontsteken als iemand het waagde naar je gevoel te vragen. En toen je eenmaal het doodsvonnis kreeg opgelezen van de door jou zo gehate witte jas, werd er verder thuis niet over gesproken. De woorden kanker en doodgaan zijn in die laatste maanden door niemand uitgesproken in het ouderlijk huis. Precies zoals je gewild hebt. Daar heeft iedereen zich netjes (en misschien wel bibberend van angst voor je woede) aan gehouden.

Nee, je lag daar zeker niet gelukkig op je sterfbed. Je was in je zoveelste gevecht verwikkeld en je gaf niet op. Want jezelf overgeven dat deed je nooit. Je ging nog liever dood. Maar toen het eenmaal zo ver was wilde je ook dat niet – doodgaan. Je hebt je je schrap gezet. Nog een keer alle zeilen bij. Dat hebben we wel gemeen, denk ik. Nooit opgeven en blijven vechten tot de laatste snik.

Ik zag de dood langzaam vanuit je enkels met donkere vlekken naar boven kruipen. En je hield je vuisten gebald. Toen even niemand in de slaapkamer was heb ik je toegefluisterd.

‘Toe maar, Mama. Laat maar gaan. Er is niets meer aan te doen. Je hebt je best gedaan. De dood neemt je nu mee. Het is oke zo.’

Je hebt natuurlijk niet naar mij geluisterd. Want als er iets niet kon dan was het raad van anderen aannemen. Je ging nog liever dood…

Terwijl het gevecht allang gevoerd is blijven we in gedachten verder vechten, Mama. Dat hadden we gemeen. En een groot probleem met autoriteit.  Een hekel aan personen die ons de wil willen opleggen. Politieagenten, leraren, dokters: we kunnen er niet naar luisteren want er sluit meteen een gordijn in ons hoofd. ‘Rot toch op met je praatjes. Ik dop mij eigen boontjes wel.’

Maar wat een verschil met de sterfscene uit ‘Interstellar’. De vrouw stierf met een glimlach op haar gezicht. ‘Wat had ik je dat graag gegund,’ hoor ik nu te zeggen, want dat willen ze graag Mama, de therapeuten, maar dat kan ik niet. Ik gun je eigenlijk nog steeds niets meer dan de dood. Een pijnloos heengaan. Dat is op zich een pijnlijke constatering. Want ik ben waarschijnlijk nog steeds boos dat je me dit geflikt hebt. Laten we hopen dat ik aan het einde van mjin leven dat wel kan. Jou vergeven. Als slachtoffer van de situatie. Dat gun ik mezelf. En dan gun ik het waarschijnlijk ook jou…

De hoofdpersoon uit de film is geland op een planeet die bestaat uit een kaal, ijslandschap. Een van zijn bemanningsleden blijkt een verrader. Er ontstaat een handgemeen. Ik voel de angst als de slang met zuurstof van het ruimtepak losraakt.   Interstellar is zo’n old school science-fiction film waar ik in de jaren zeventig graag naar keek. De film bevat nog geen flitsende laser-pistolen of blubberige buitenaardse wezens die ver van de realiteit staan. Nee, de stand van de ruimtevaarttechnologie is ongeveer gelijk aan de jaren zeventig van de 20ste eeuw – de tijd dat ik geboren werd uit jou, Mama.  
Ik moet denken aan de mosterdpot met het gezicht van Armstrong er op. Jij maakte hem schoon en je zette hem op de plank boven mijn bed. Ik was 5 jaar. Ik wilde Armstrong worden.

Dat is misschien ook wel de reden dat je in mijn gedachten kwam, Mama. Het was niet alleen de sterfscene. De hele sfeer in de film deed mij denken aan mijn kindertijd. Aan mijn belangstelling voor ruimtevaart toen ik nog een klein jongetje was. Op de camping in Frankrijk keek ik vaak ‘s nachts met papa naar die onmetelijke ruimte en hij wees mij dan de Grote Beer aan en de W-vormige ‘Casiopea’. Fascinerend idee leek het mij om daar naar toe te reizen, die zwarte wereld voorbij de sterren.

Drie jaar na mijn geboorte in 1966 landde de eerste mens op de maan.  

Ik heb een herinnering hoe ik op jouw schoot meekeek naar de schokkerige, zwart-wit beelden van de landing van de Apollo 11 maar dat kan ook verbeelding zijn. Als drie-jarige kan ik mij nooit gerealiseerd hebben wat daar aan de hand was. Een later ingekleurde foto, met kennis van nu.

Gelukkig ben je er niet meer om opheldering te geven want dan zou ik weer het ontkennende antwoord van je hebben gekregen, zoals op zoveel vragen naar vroeger. En dan stonden we weer tegenover elkaar als twee kemphanen. Jouw ‘nee’, tegen mijn ‘ja’. En dan zouden we weer zwijgend uitelkaar gegaan zijn want we hadden beiden geen zin meer in ruzie. Na jarenlange therapie was ik eindelijk in staat om mijn grenzen te stellen, mij niet te laten meeslepen in jouw gekte en geen dialoog meer aan te gaan. In die zin ben je uit mijn hoofd verdwenen, denk ik, en niet meer actief geweest. Onbewust zul je echter nog wel ergens in mijn denken meeregeren en je vernietigende werk doen. Of nee, ik laat je het vernietigende werk doen want ik zit zelf aan de knoppen van mijn ruimtecapsule.

Ik merk ook dat ik niet benieuwd ben hoe het met je gaat, daarboven. Ik ben nog steeds kwaad. En ik wil ook niet met je praten. Want de agressie en het verdriet staat geparkeerd. Er is radiostilte.

Je was natuurlijk ook een product van je opvoeding en je verleden. En waarschijnlijk was je volstrekt niet in staat om iets van je zoon te begrijpen of daar naar te handelen. En je hebt mij natuurlijk niet misbruikt of geslagen. Nee, dat niet. Helaas niet zou ik bijna zeggen want dan was het verwijt en de discussie over vroeger veel concreter geweest. Had ik mijn littekens kunnen laten zien aan de dokter of de rechter. Nee, er is alleen maar sprake van ‘verkeerde’ aandacht en ‘overreactie’ van mijn kant. Dat zeggen ze, de specialisten. Ik zou ik je willen vergeven, echt. God, wat zou dat heerlijk zijn.

Maar dat blijft lastig. Zelfs al ben je een jaar dood, nog hoor ik je dreigende en agressieve stem meteen weer in mijn achterhoofd als ik mij herinner hoe we samen  naar de landing op de maan keken. Ik zie je gefronst, zware wenkbrauwen (je leek een beetje op Brezjnev) en vuurspuwende ogen:

‘Wat? Jij op mijn schoot voor de televisie toen je drie jaar was? Hoe kom je daarbij? Je bent helemaal gek. Dat is nooit gebeurd! Je fantaseert!’ 

Zelfs nu voel ik meteen de pijn opkomen van ontkend te worden. Alsof ik niet bestaan heb. Alsof mijn waarnemingen en mijn gedachten niet echt zijn. En hoe ik het in mijn kop heb durven halen, zo’n herinnering te formuleren. Ook zie ik meteen papa voor mij die knikt en zegt: ‘je hebt je moeder enorm pijn gedaan met deze onzin’ en mijn zusje die meteen partij trekt voor jou. Je eeuwige bloedhond die tot aan je dood aan je voeten heeft gelegen. Bloeddorstig grommend tegen iedereen die je wat tegengas wilde geven.

‘Jij hebt nooit op schoot gezeten bij mama tijdens de landing op de maan, idioot’. Ik hoor heel helder de stem één van mijn zussen. De bloedhond. Ik ben bang voor haar.

Dat zijn de demonen die ik met mij meedraag, Mama. Stemmen die nog steeds mij becommentarieren. Je had je personeel goed gedrilled. Papa als lakei die alles glad streek en mijn jongste zusje als bloedhond die meteen begon te blaffen als haar baasje werd bedreigd. Daar kon ik niet tegen op. Had ik mij maar eerder over gegeven en gestopt met vechten…

Die vreemde dreiging die meteen bij zo’n welles-nietes discussie ontstond. Ik heb dat eigenlijk nooit begrepen. Waarom je je zo bedreigd voelde.
Als kind kon ik daar geen rekening meehouden natuurlijk. Wist ik veel.
Als volwassene heb ik je op den duur als een getraumatiseerde vrouw gezien.  Een ‘gekwetste vrouw’ die door kinderen te nemen geprobeerd had gelukkig te worden. Dat was onze Apolo-missie: jou gelukkig maken op moederaarde. Maar je hebt niet gezien dat je deze verantwoordelijkheid nooit in de handen van je kinderen kan leggen. Dat je zelf gelukkig kon worden, ook zonder ons.
Het is gek om dit nu zo hardop te denken want je zal het niet begrijpen en weer heel boos worden. Ik zou het ook nooit gedurfd hebben om het uit te spreken. Je zou ontploft zijn, als een raket met een brandstoflek.

‘Wie denk je wel dat je bent!’ zou je gegild hebben.

Meteen voel ik weer de behoefte een harde klap terug te geven:

‘Ik zal godverdomme bewijzen dat ik daar als kind heb gezeten op je schoot, in 1969.

Die bewijsdrang heeft mij een tijdlang heel veel energie gekost. Misschien ligt hij wel ten grondslag aan alles wat ik doe. Het is ook een psychologische duiding: de kleine Marlin is vroeger nooit gezien en bevestigd;  en vraagt op oudere leeftijd nog steeds via allerlei slinkse omwegen erkenning aan zijn omgeving. Puur om te toetsen of hij wel bestaat, of zijn bestaan wel zin heeft… En meteen daarop de stem in mijn achterhoofd van mijn vader:

‘O ja, heel zielig – zeker ook geen kinderfiets gekregen toen hij klein was’.

Die film doet mij aan jou denken. En aan astronautje spelen. Kuifje op de Maan. Het onmetelijke heelal.  

Ik voel nog het angstige idee dat mij bekroop wanneer ik me dan probeerde voor te stellen hoe het was om door de atmosfeer te vliegen, die zwarte ruimte in. Dat er geen zwaartekracht was, geen einde, geen begrenzing. Hoe kon dat?  En de mogelijkheid dat die raket met duizende liters kerosine zou ontploffen. Het aftellen, ‘waiting for countdown’ en dan ‘ignition, we have a lift off’. Enorm lawaai, rook en geschud.

Hoe vaak heb ik zo’n lancering niet als kind nagespeeld in de huiskamer; met een geknikt matrasje in een grote kartonnen doos. Dat moet je toch gezien hebben. Hoe oud was jij toen jij mij astronautje zag spelen? Een vrouw van 35. Je was jonger dan ik nu ben. Ik kan mij dat gewoon niet voorstellen. Hoe jij daar waarschijnlijk vertederd naar mij zat te kijken. Hoe ik als klein jochie de gewichtloosheid naspeelde met trage bewegingen en hoe ik rare grimassen trok als astronaut. Ik herinner me dat je toen nog om mij kon lachen. Ik voel ook de opluchting als ik je aan het lachen kreeg. Er hing altijd zo’n dreigende stilte om je heen. Alsof je in diepe gedachten was. Maar dat is misschien ook een foto die ik later inkleur met de kennis van nu.

Was jij daar, in die huiskamer in dat dorpje bij Utrecht in 1971, gelukkig als jij mij astronautje zag spelen in de huiskamer? Je eerste zoon na twee dochters? Ik heb vaag een idee dat je toen nog blij was met mijn aanwezigheid. Net zoals ik een warme herinnering heb aan ‘s middags thee drinken aan de keukentafel. Volgens mij heb je wel genoten van mij, toen ik nog 10 was. Uiteraard voorwaardelijk. Maar de liefde was er en hij is er altijd geweest. Dat mijn aanwezigheid je niet pijn deed zoals ik later altijd het idee had, toen ik puber was en volwassen. Onze afstand was een onherstelbaar gegeven.
Het was ook een van je vele stellingen waar je mij later ongevraagd deelgenoot van maakte en waar ik heel veel last van heb gehad omdat het onderdeel was geworden van mijn denken. Zo beweerde je over kinderen heel vaak:

‘Kinderen zijn heel leuk tot ze 10, 11 zijn want dan krijgen ze een eigen mening.’  En je angst voor die eigen mening begrijp ik nu. Ook ik kreeg een eigen mening en dat heb je altijd als bedreiging gezien. Een gebrek aan controle. Maar dan ga ik weer analyseren.

Ik voel, nu ik er over nadenk, heel duidelijk al die onzin die je mij, waarschijnlijk een gedeelte onbewust en onbedoeld, hebt geleerd en waar ik later mee geworsteld heb. Om toch anders dan jij naar de mensheid te kijken. Met meer vertrouwen.

Ik zie en voel weer heel helder hoe je met boze ogen je waarheden mij toefluistert. Een kwetsbaar kind, die nog helemaal niet die uitspraken kon plaatsen. Ik stond dicht bij je. Hoe kon ik ook anders dan daar naar luisteren en denken dat het klopte.

‘Mensen zijn niet te vertrouwen’. ‘Vrienden bestaan niet, uiteindelijk laat iedereen je in de steek’. ‘Die stoffenhandelaar op de Albert Cuyp is een Jood en dus zal hij je belazeren.’  En: ‘Je ene zus is een chaoot, ze maakt niets af dus dat wordt niets, terwijl ze zoveel kan’. En: ‘Je andere zus is een oudehoer en alleen maar geinteresseerd in buitenkant – net als de moeder van je vader, alleen maar lullen, ze kan helemaal niets’.
Allemaal van die zwart-wit stellingen waar die kleine Marlin maar iets mee moest doen.

In eerste instantie nam ik ze voor waar aan maar toen ik de wereld in trok kon ik dat niet volhouden, Mama. Immers: een motto als ‘Vrienden bestaan niet’ zorgde voor een enorm innerlijk conflict. Ik had en heb een enorm behoefte aan vrienden om mij heen dus ik zal ze wel moeten toelaten anders ga ik dood. Ook is die behoefte vrij menselijk. En niet, zoals jij altijd zei.
‘O, die kan niet alleen zijn…’. 

Dat leek een enorme kunst en een opdracht in het leven. Alleen zijn. Ik heb het geprobeerd maar ik kon het niet. Zoals al die moeilijke opdrachten en stellingen die ik geprobeerd heb uit te voeren om jou in gedachten tevreden te stellen.

Ik moest mezelf later leren: ik wil helemaal niet ‘alleen’ zijn. Want nog steeds beleef ik veel plezier aan de vrienden die ik heb. Dat is volwassen worden natuurlijk. Om een schifting te maken in die ouderlijke ballast.  Tussen wat waardevol is en waardeloos. In die zin heb ik alles van je weggegooid, ook uit een soort woede en een zwart-wit-houding. Want er waren natuurlijk ook goede elementen in je opvoeding. Misschien kan ik die nog formuleren als ik harder zoek in mijn geheugen.  Zodat ik je beter kan vergeven. Nu nog niet. Nu ben ik alleen maar kwaad, dat je mij hebt volgepompt met zoveel uitspraken die in de wereld, buiten die benauwde huiskamer, zo volstrekt geen hout snijden. Dat ik daar zo’n last van heb gehad. Daar blijf ik nog steeds kwaad over.

Maar er moet toch wat door je heen zijn gegaan, toen ik astronautje speelde in een kartonnen doos. Of toen je het singeltje op de pick-up legde van ‘Op de step’ van Wim Zonneveld en ik heel heel hard rond de tafel ging rennen. Op de step, op de step, ik ben zo blij dat ik hem heb…
Mama? Hoor je me? Mama?
Waarom was je toen wel blij met mijn aanwezigheid en later minder? Het leek erop alsof ik je alleen maar pijn deed wanneer ik mezelf bleef of mijn grenzen aangaf.
‘Nee, Mama, ik hoef geen drie spiegeleieren. Twee is genoeg. Ik hoef godverdomme niet op het land te werken ofzo… Waarom stamp je mij toch altijd vol met eten?!’

De bioscoopzaal lijkt een oven. Desondanks kan ik mij weer beter concentreren. De astronaut zweeft rond het zwaar gehavende ruimtestation. Asteroïden scheren rakelings langs hem heen. Hij voert een reparatie uit. Maar de missie is kansloos. Met een klap wordt hij geraakt door rondvliegend puin. De veiligheidslijn raakt los en hij wordt het heelal ingeslingerd. De astronaut probeert wanhopig contact te maken met zijn bemanningsleden die de operatie volgen vanuit de controlekamer. We horen hem tevergeefs in de microfoon van zijn koepelhelm schreeuwen. Met hoge snelheid verwijdert hij zich van het ruimtestation de zwarte ruimte in. Het duurt niet lang of de astronaut is een kleine stip aan de horizon.

Top Postings: tips over kunstwerken die een overweldigende en duurzame ervaring achterlaten die het leven ietsje mooier maken…

Snel bladeren