Bomen header Marlin Burkunk

Hout moet of houd moed?

‘Mama, waar komt hout vandaan?’

Laten we zeggen: ik ben opgevoed met een liefde voor hout. Mijn moeder, dochter van een meubelmaker, wond er nooit doekjes om. Was iets van plastic of staal dan werd dit omkleed met een indringend gevoel van afkeer. Maar hout was goed. Hout leeft, hout is warm, hout hoort bij ons. Hout hield ook een belofte in. Iets moet van hout zijn om te deugen. Houd moed. Als kind neem je dat gevoel in eerste instantie klakkeloos over. Als kleuter speelde ik met houten speelgoed. En op een bepaald moment moet ik mezelf de vraag gesteld hebben: ‘waar komt dat hout vandaan?’
Als kind kon ik maar moeilijk aannemen dat die prachtige rechte en regelmatige vuren planken, die in onze garage opgeslagen lagen, ooit een boom waren geweest. Een kerstboom nog wel. Ongelooflijk dat uit zo’n boompje met een smalle stam en al die zijtakken, zo’n dikke en toch regelmatige plank kon komen? En hoe ontstonden die nerven en knoesten dan? Een wonder. Zo’n vurenplank kwam natuurlijk uit een veel dikkere boom (er zijn fijnsparren met een doorsnee van 1.80 m) en de plank was door een Vandiktebank gehaald. Dat leerde ik allemaal van mijn vader. Een man die, ondanks het feit dat hij geen meubelmaker of timmerman was, ontzettend veel wist van houtsoorten en gereedschap. Hij was ook een liefhebber van hout. Behalve spaanplaat, dat was geperste zaagsel. Rotzooi. Onbewerkbaar, het splinterde als de hel. En spijkers erin slaan had ook geen zin.
Later zag ik in een jeugdserie op TV hoe een grote lintzaag zaag zo’n gekapte boom in de lengte doorzaagde. De planken die ontstonden hadden nog schors aan de zijkanten. Daarna gingen zij naar een zware machine, die aan de voorkant een rechthoekige opening had. De plank verdween als ruw hout in de opengesperde mond en kwam er aan de andere kant weer uit als een strakke plank. Opeens begreep ik hoe ook het eiken bureautje van mijn moeder ooit als eik in een bos had gestaan. Dat de donkere plek tussen de nerven van het bureaublad, een plakje was van zo’n afgezaagde zijtak. Bij zo’n knoest was de nerf tegengesteld en veel fijner. Daardoor was een knoest keihard, ten opzichte van de rest van het hout van de plank.
Tsja, en die nerven. Dat leerde ik pas veel later bij biologieles. Het zijn de vaatbundels van de boom. Een soort aderen die zorgen voor het transport van de sappen. Bij elk soort hout hebben zij een andere structuur. De nerven komen mooi te voorschijn als je een plank glad schuurt. Ze zorgen ervoor dat een boomstam makkelijk te klieven is. Althans als je in de goede richting slaat. Hout splijt vanwege de nerf. Mijn moeder sprak altijd over hout met een mooie vlam. Die kwam te voorschijn als je een plank glad ging schuren en lakken. Maar soms zag je ook geen nerven. Dat begreep ik al snel als ik naar de houten poten van de stoelen op mijn lagere school keek. Dat waren geen lijntjes maar stipjes. En geen knoesten. Dat was beukenhout leerde ik van mijn vader. Super sterk. Heel fijn hout, zei mijn vader altijd. Waar ik nooit goed uit kon opmaken of hij nou prettig bedoelde om mee te werken, of fijn van structuur. Het was in ieder geval heel duur, beukenhout. Er lag nooit een stukje van in onze garage.

Boomplantdag 1977

Vreemd. De keer dat ik voor het eerst een boom plantte, herinner ik mij nog als de dag van gisteren. Terwijl het toch in ergens in 1977 moet zijn geweest. Ik zat nog op de lagere school. De tijd dat ik ook al het verschil besefte tussen vuren- en beukenhout. Het was Nationale Boomplantdag en we maakten een lange wandeling  van school naar het bos. Mijn lagere en middelbare school heb ik doorlopen op De Werkplaats Kindergemeenschap te Bilthoven, gesticht door onderwijshervormer Kees Boeke. Kees was dol op de natuur. Ook daar ligt denk ik een bron voor mijn belangstelling voor hout. In het Werkplaatslied zongen wij elk jaar: ‘Hou je van buiten, van water en wei… Van zwerven in bossen, in duinen en hei’. De bossen rond mijn school bestonden vooral uit hoge grove dennen. Geen klimboom. Kale stam met een hele scherpe bast. Ergens hoog zat de kroon met dennennaalden en -appels. Als kind dacht ik altijd dat zo’n grove den ziek was. Omdat de arme boom geen zijtakken had en niet een boom was zoals een boom hoorde te zijn in mijn gedachten. Een echte boom heeft natuurlijk geen stekelige naalden maar bladeren. Ik weiger nog steeds om naaldbomen als volwaardig te zien. Het is meer onkruid.
Op de Werkplaats deden we veel aan natuuronderwijs. Elke week kwam ene ‘Aart’ (naar goed WP-gebruik kenden we hem alleen bij zijn voornaam) in de klas vertellen over een dier of een plant. In de herfst kwamen natuurlijk de bladeren van de soorten bomen aan bod. En de paddestoelen. Aart was een natuurverzorger die op ons schoolterrein woonde en een grote ren verzorgde met allerlei dieren. Ook onderhield hij met zijn tractor onze ‘bosrand’. En er was op die school het vak ‘Hout en Metaal’ van Leo. Waar je alles leerde over het gutsen van een slakom van perenhout of hoe je op de houtdraaibank een kandelaar kon maken van een vierkante stoelpoot.

Natuurlijk deed de WP ook mee aan de Nationale Boomplantdag. Je moest er zelfs een werkstuk over maken. Het was een bloedhete voorjaarsdag, toen in 1977. We kwamen op een open plek, waar schoppen en jonge boompjes stonden. Ook hadden we een jampot met een papier met al onze namen er op. Die stopten we bij de kluit. Voor de toekomst. Misschien is daar in 1977 bij mij ook een zaadje gepland, wat betreft mijn liefde voor bomen en hun (hout)soorten. Ik heb het liniaaltje van plastic (dat was dan wel een beetje jammer: waarom geen hout?) van de boomplantdag mijn hele middelbare school tijd in mijn etui bewaard.  

De haagbeuk waar een Duitse soldaat tegenaan piste

Wees niet bevreesd na deze uitgebreide analyse van mijn voorliefde voor bomen: ik knuffel geen bomen en ik praat ook niet met ze. Maar ik koester ze stiekem wel. Het cliché is natuurlijk dat een oude boom toegang geeft tot het verleden. Het zijn stille getuigen.

Ik woon in een heel lommerrijke wijk in de Amsterdam met veel bomen die aangeplant zijn In de jaren ‘30. Het kan dus heel goed dat tegen die monumentale haagbeuk op het Galileiplantsoen in 1942 een Duitse soldaat heeft staan pissen. Misschien wel een paar minuten voor dat hij aan de razzia begon waarbij 10 Joodse gezinnen werden opgepakt in de Pythagorasstraat. Ik kan dus echt vanuit dat perspectief naar die boom kijken.
In de lente volg ik de meeste bomen in mijn wijk wanneer de knoppen ontbotten en het eerste frisse groen zich uitvouwt. Ik luister graag naar hun bladengeritsel in de wind. Ik dicht ze geen bijzondere krachten toe. Maar hoe ouder de boom, hoe groter mijn respect. En hoe meer verhalen ze oproepen.

Kortom: in de rechter menubalk ‘bomen’ vind je diverse verhalen met bomen als onderwerp: niet alleen biologische feitelijkheden over de soorten in Nederland maar ook gekke feiten over bijvoorbeeld de dikste en de oudste boom van Amsterdam.

Most discussed