Willem Elsschot (1882-1960) schreef het gedicht 'Het Huwelijk' op 7 mei 1910 in Rotterdam, toen hij 28 was. Het werd gepubliceerd in 1933 in het tijdschrift Forum.

De a-rijmen (bijv. tijd/spijt, baard/paard, daad/gaat) zijn veelal mannelijk rijm, waarbij na de beklemtoonde, rijmende lettergreep geen andere lettergreep meer volgt.

De b-rijmen (bijv. doven/doorkloven, begeren/verkeren, wassen/plassen) zijn vrouwelijk rijm, waarbij na de beklemtoonde, rijmende lettergreep nog één onbeklemtoonde lettergreep volgt.

Als een traditioneel gedicht vertoont "Het huwelijk" een herkenbaar ritme en metrum. Het overheersende metrum in de meeste van Elsschots regels is jambisch (u -: onbeklemtoond - beklemtoond), wat zorgt voor een 'golvend' ritme. Het rijmschema in alle zes kwatrijnen is abba. Dit is omarmend rijm.

Tussen het beeld en het object is een zekere overeenkomst. Ze staan vlak bij elkaar en worden al dan niet  verbonden door een voegwoord (meestal  ‘als’) De vrouw kijkt op "als een stervend paard". Dit is een vergelijking met verbindingswoord (als). Dit krachtige beeld benadrukt haar machteloze lijden en de wreedheid van de man, waarbij de vrouw wordt gereduceerd tot een hulpeloos, lijdend dier.

Edward Hopper – Room in New York (1932) • Een echtpaar dat samen in één ruimte zit, maar volledig geïsoleerd leeft. • Hopper is een meester in het tonen van emotionele gevangenschap.

Personificatie Als aan een levenloze zaak menselijke eigenschappen worden toegekend, spreek je van personificatie. De dichter gebruikt personificatie om de vergankelijkheid te beschrijven: r1 "de nevel van de tijd". De tijd wordt menselijke eigenschappen toegekend (of in elk geval de eigenschap van 'nevel' die dooft en verweert).

r14 "de schimmel van mijn stramme voeten wassen". De schimmel is een zuivere metafoor voor de sleur, stagnatie en vervuiling van hun vastgelopen leven, waarvan hij zich wil ontdoen door te vluchten...

... In een zuivere metafoor wordt een vergelijking gemaakt, maar alleen het beeld (b) wordt genoemd. Het object (o) waar het beeld naar verwijst, is weggelaten r11 "zijn helse mond het merg uit haar gebeente zoog". De "helse mond" is een zuivere metafoor die de vernietigende, kwelzuchtige aard van de man en de relatie benadrukt.

Walter Sickert – Ennui (1914) • Twee mensen in één kamer, totaal vervreemd. • Geen liefde, geen beweging. • Precies het lege, dode huwelijk dat in het gedicht beschreven wordt.

Bacons Study for a Portrait uit 1952 is de perfecte visuele spiegel van Elsschots slotregels, omdat het dezelfde toestand toont: een mens die schreeuwend vastzit in zijn eigen kooi, verminkt door berusting, opgesloten in een lot dat hij nooit zal ontlopen.

Volta In het gedicht zit een wending, de zogeheten volta of chute, namelijk na de vijfde strofe. r17 Maar doodslaan waar de man niet doet wat hij dacht: Strofe 4 schetst de droom (‘Ik sla haar dood…‘) volta Strofe 5 start met de ontkenning en de opsomming van de belemmeringen (‘Maar doodslaan deed hij niet, want…’).

Antithese (Tegenstelling) De dichter gebruikt de antithese om de onmogelijkheid van de man om zijn verlangen (doodslag, vlucht) om te zetten in realiteit te benadrukken. Strofe 5: Het cruciale conflict wordt gevormd door de tegenstelling: “want tussen droom en daad / staan wetten in de weg en praktische bezwaren" - de bekende en meest geciteerde regel uit de Nederlandse poëzie

De zin benadrukt een relatie van distantie en vervreemding. De kinderen noemen de man wel hun 'vader' (ze heetten hem hun vader), maar het gebruik van dit werkwoord—in plaats van simpelweg te stellen dat hij hun vader was—suggereert dat de titel slechts een formele aanduiding is, ontdaan van emotionele of persoonlijke betekenis. De formulering zelf kan ook gezien worden als een subtiele omschrijving of perifrase, waarbij de dichter een omtrekkende beweging maakt om de desolate werkelijkheid van de man te benadrukken—hij is zo vervreemd dat hij alleen nog gedefinieerd wordt door de naam die hem is gegeven, niet door de liefdevolle rol die hij zou moeten vervullen.

Snel bladeren