Het leven is een lege ruimte die door herinnering wordt ingevuld
Rob van Essen
(klik meteen op een afbeelding om naar de woorden te surfen die rond het object zich verzameld hebben of lees hier ongestructureerd verder)
Op de zolder van je bovenkamer liggen spullen die je niet weg kan gooien. Je komt ze pas tegen bij een verhuizing. Of bij een overlijden. Herinneringen naar aanleiding van een geur, een geluid, een gevoel, een indruk. Je spreekt een vriend uit je lagere schooltijd en plotseling sta je weer op dat schoolplein, ruzie te maken over de waarde van je bam die je wilt ruilen voor een melkbam. Associatief gaat er in je neurale netwerk van die natte bloemkool onder je schedeldak van alles vonken. Ook steekt de ene herinnering de andere aan. Al die beelden en verhalen vormen tezamen je bewustzijn. De werking is een groot mysterie.
Uit hersenonderzoek komt naar voren dat emotionele gebeurtenissen sterker en meer levendig worden opgeslagen. Feitelijk verzamel ik hier dus plaatjes die emoties opwekken. De verhalen die kunnen worden opgediept uit de Geheugen Groeve van het Burkunk-blog zijn persoonlijk. Het is een kwestie van een beeld bekijken en je begint een tijdreis. Of het resoneert totaal niet. Dat kan natuurlijk ook.
Soms roept een beeld uit de Geheugen Groeve een waardevolle herinnering op die ook voorkomt bij een ander mens. Dat schept meteen een gevoel van verbinding. Altijd goed om af en toe stil te staan bij wat een beeld kan oproepen. Heel even maar. Feitelijk verzamel ik hier herinneringen. Vooral als ik door mijn leeftijd wat vergeetachtig word is dit de plek waar ik mezelf zal terugvinden. Zolang het duurt. En wie weet heeft het voor jou ook dezelfde waarde.
Klik hier voor artikel over opslag van herinneringen op PNAS.
Aanmaak en opslag
“Dat komt vooral door de noradrenerge activatie van de amygdala”, zegt Benno Roozendaal, hersenonderzoeker bij de afdeling Cognitive Neuroscience van het Radboudumc. “De amygdala is een gebied in de hersenen dat verschillende zintuiglijke informatie combineert en aan emoties koppelt. Noradrenaline is een neurotransmitter, een stofje in de hersenen dat de hersenactiviteit opjaagt. De ‘opgejaagde’ amygdala schakelt op zijn beurt de hippocampus in, een gebied in de hersenen dat essentieel is voor de aanmaak en opslag van gebeurtenissen.”
Versleten herinneringen
De onderliggende neurologische processen die de opslag van gebeurtenissen mogelijk maken zijn dus bekend. Maar alledaagse herinneringen slijten na verloop van tijd. Ook dat is onderzocht. Roozendaal: “Dat heeft te maken met het ‘verplaatsen’ van de herinnering naar het lange termijn geheugen. Daarbij wordt de rol van de hippocampus kleiner en de rol van de hersenschors juist groter. Door die reorganisatie van het neurale netwerk verliest zo’n alledaagse herinnering in het nieuwe ‘geheugenspoor’ haar scherpte en details.
Ander geheugenspoor
Emotionele herinneringen lijken echter niet of veel minder te slijten. Die blijven knisperend fris en sterk gedetailleerd, ook op de lange(re) termijn. De onderzoeksgroep van Roozendaal heeft bij ratten uitgezocht waar dat verschil precies vandaan komt. De resultaten zijn nu gepubliceerd in PNAS. Roozendaal: “Dat het geheugen na verloop van tijd onnauwkeuriger wordt komt inderdaad door een verminderde betrokkenheid van de hippocampus – nodig voor een nauwkeurig geheugen – en een toenemende betrokkenheid van de hersenschors – nodig voor meer globaal geheugen. Ons onderzoek laat zien dat emotionele gebeurtenissen de geheugenverplaatsing van hippocampus naar hersenschors juist tegengaan.”
Blijvende betrokkenheid
De opslag en oproep van die emotionele herinneringen blijven afhankelijk van de hippocampus en volgen dus een ander neurologisch traject. Roozendaal: “Dat verschil bepaalt precies waarom deze herinneringen hun nauwkeurigheid behouden. Het verschil in het ‘wegschrijven’ van herinneringen op de langere termijn – wel of geen blijvende betrokkenheid van de hippocampus – maakt of je herinnering gedetailleerd en levendig blijft of langzaam wordt bijgeschreven in algemeenheden.”
Wat me opvalt is dat het eigenlijk niet om objecten gaat, maar om wat je zou kunnen noemen: geheugendragers. Een gerookte paling, een groeve, een zolder, een schoolplaat, een stuk speelgoed, een gebruiksvoorwerp. Het object is steeds slechts de sleutel; het verhaal gaat over de wereld die erachter schuilgaat.
Als ik nu terugkijk in mijn Geheugen Groeve lees, zie ik een aantal terugkerende ingrediënten:
“Hoe kan het dat dit ding er nog is, terwijl de wereld waarin het thuishoorde verdwenen is?”
Het gaat vreemd genoeg vooral over objecten die tegelijk persoonlijk én typisch Nederlands jaren-zeventig zijn. Alsof die periode een grotere impact op mijn brein heeft gehad dan de tijd die er na komt. Dat is ook de conclusie van geheugen-wetenschappers: er is genoeg bewijs in de literatuur dat de eerste 15 levensjaren van een mens meer impact hebben op de vorming van sporen in het geheugen dan daarna.
Er zullen nog meer dingen in mijn Geheugen Groeve gedolven worden.
Vooral de ogenschijnlijk onbelangrijke spullen werken vaak het best. Een oude voetbal of een eerste gitaar is al snel te groot en te betekenisvol. Een vergeeld pakje kauwgom of een afgebroken fietspomp is veel interessanter. Dan kan het geheugen zelf aan het werk.
Denk aan het prachtige citaat van de historicus Johan Huizinga over de historische sensatie : soms door een klein voorwerp dat ineens een verdwenen wereld tastbaar maakt.
De geschiedenis kon hem treffen door het lezen van een document of kroniek, het horen van een lied, het zien van een prent, het zicht op een landschap of oude stad. Het tilde hem even boven zich zelf uit en liet hem als het ware deel hebben aan de geschiedenis. Hij verwoordde dit onder de benaming de ‘historische sensatie’. De filisters braken de staf over een dergelijke zienswijze, maar hij wist voor zichzelf dat zijn vatbaarheid voor het verleden een zuivere emotie was, buiten de rede om, niets meer, maar ook niets minder.
Dit liet onverlet dat hij in zijn historische werken strikt wetenschappelijk was… voor zover geschiedenis een wetenschap genoemd mag worden. Een historicus mag nog zo ‘wetenschappelijk’ te werk gaan, als hij geen oog heeft voor de hartstochten in het verleden, vervult hij zijn taak als historicus slecht.
Toen Huizinga zelf in 1933 de diesrede uitsprak, had hij als onderwerp gekozen: ‘Over de grenzen van spel en ernst in de cultuur’. Hierin presenteerde hij voor het eerst zijn stelling dat alle cultuur waar ook ter wereld ontstaat in de vorm van spel. In zijn Homo Ludens (1938) heeft hij deze gewaagde stelling op alle terreinen van het leven uitgewerkt. Zelden zal er in Leiden zo lucide over wetenschap en emotie zijn verhandeld als op die gedenkwaardige 8ste februari 1933.
het raakt die vreemde stille wijze, waarop het oude, dat voorbij is, mij sedert mijn 13e jaar heeft vervolgd, altijd weer anders en toch altijd met dezelfde stem en kleur.
het eerst van alles, en nu nog het meest, hebben de oude huizen gesproken.
ik zit er teveel in, in de geschiedenis, ‘t is geen wetenschap voor mij, ‘t is het leven zelf.
o de protestantsche steden, waar geen klokken meer luiden, alleen de carillons.
de Johannes van Geertgen, dat grauwe peinzende ventje in die bloementuin, daar heb je de Noord-Nederl. renaissance!
gebruik zelden de woorden psychologisch en economisch, maar heb het voortdurend over de zaken zelf.
en bovenal, gebruik nooit het woord mystiek, maar doordring de gansche voorstelling van de zaak zelve, de directe buiten-de-rede om aanschouwing.
eerste verkenningstochten
een heel klein beetje te begrijpen van de mystieke schoonheid van het alledaagsche – In ons land moest de Imitatio ontstaan.
de humanisten de eersten, qui sont hantés par l’ Maar hoe anders dan het verleden ons obsedeert.
het beroerde is dat dit eigenlijk een dichtwerk moet worden, een stuk van mijzelf. Tua res agitur.