Bekijk de Geheugen Groeve op mijn zolder
Als ik weer eens op vakantie jarig was, improviseerde mijn moeder heel liefdevol een extra feestelijke sfeer: er werden op de camping in Zuid-Frankrijk ‘s avonds een paar waxinelichtjes te water gelaten. Langzaam dobberden zij op het riviertje langs onze camping. Als kind vond ik het een betoverend schouwspel. Ademloos zag ik hoe de lichtjes flakkerend in de stille nacht verdwenen.
De volgende dag werd ik op onze camping in Anduze in de Cevennen jarig wakker. De tent was versierd. Jarenlang kreeg ik mijn lievelingscadeau: een modelvliegtuigje van sigarenkisten hout, waarvan je de propeller kon opdraaien. Dat ding omhoog gooien en zien dat hij tractie kreeg door de propeller die werd aangedreven door een opgedraaid elastiek. Ik liep er juichend achteraan. Een groter geluksgevoel bestond er eigenlijk toen niet.
Vertoeven aan de waterkant van een Zuid-Frans riviertje is één van die parels uit mijn Geheugen Groeve die ik blijf oppoetsen. De alles verzengende zon, een verbrande rug, het koude water rond mijn enkels, de rond gesleten rivierkeien, forellen die wegschieten in het glasheldere water, het vreemde, ketsende geluid als je een rivierkei op je dam gooide, het deuntje van radio Tour de France op de transistorradio van mijn vader. Het blijven beelden en geluiden die in mijn herinnering samen komen als het ultieme vakantiegevoel uit mijn kindertijd.
Ik ben er een paar keer als volwassene terug geweest. Net na mijn studietijd ging ik met Irene voor het eerst op vakantie als een stelletje. Ik zag toen 20 jaar later precies hetzelfde beeld. Het uitzicht van onze camping op ‘De Berg’ was nog steeds hetzelfde. De spoortunnel en de spoorbrug aan de voet van de berg die niet meer gebruikt werd.
Zuid-Frankrijk, zon, water, zwemmen, vissen, stiekem een warme perzik plukken in een boomgaard. In de ochtendkoelte een baguette halen in het winkeltje; onder de schaduw van platanen teruglopen naar de tent: het zijn nog steeds voor mij de simpele basisingrediënten voor een geslaagde vakantie. Ik ben er mijn ouders heel dankbaar voor dat ze me dat toen hebben gegeven. Uiteraard heb ik het gevoel weer doorgegeven aan mijn eigen kinderen.
Pont du Gard, De Renner en Het gouden EI
Ook de rivier de ‘Gard’, de camping ‘Castel Rose‘ bij het Zuidfranse dorpje Anduze zal in verschillende vormen in mijn leven terugkeren. Natuurlijk eerst Pont du Gard, bij Avignon waar ik met frans en met geschiedenis (hij stond in mijn schoolboek) over hoorde.

Toen deze enorme aquaduct over de rivier de Gard ter sprake kwam in de eerste klas dacht ik: dat is verdomme wel onze Gard! Met mijn vader had ik er toen al, angstvallig in zijn hand knijpend, een keer overheen gelopen. Het Romeinse bouwwerk uit 40 na Christus was, zoals mijn vader zei ‘op zijn Frans beveiligd’. Zonder hek liep je over de poreuze en afkalvende kalkstenen blokken en keek je 70 meter naar beneden.
Daarna bleek het dorpje Anduze, waar onze camping lag in de bocht van de rivier de Gard ook te bestaan in een boek dat ik pas las toen ik ging wielrennen, ergens rond 2004. De omgeving van Anduze bleek de plek te zijn waar Tim Krabbé lid werd van een plaatselijke wielrenvereniging in de jaren ’70. Hij verwerkte zijn koerservaring in de Cevennen tot de klassieker ‘De Renner’ (1978).

Twee keer reed ik met mijn wielerclubje het parcours van de beruchte wedstrijd uit het boek, in 2009 en de laatste keer in 2020. De Zuid-Franse sfeer kwam ook zeer herkenbaar terug in het boek en de verfilming ‘Spoorloos‘ (1988) van het boek Het Gouden Ei (1984) van Tim Krabbé. Vooral die film is zuivere jaren ’70 vakantieporno. Stanley Kubrick, de regisseur van onder andere “2001: A space odyssee “, noemde “Spoorloos” de engste film die hij ooit had gezien.
Langzaam drijven de lichtjes
Het was de nacht voor mijn tiende verjaardag. We stonden aan de oever van een zijarm van de Gard, ergens diep in Zuid-Frankrijk, omgeven door stilte en het ruisen van wilgen. Mijn voeten stonden half in het water, natte kiezels onder mijn hielen, glad als gepolijste knikkers. Het water was helder, groenig in de diepte, en op de bodem lagen grote stenen als uitgeademde gedachten – rond, oud en onaangedaan.
Mijn moeder had waxinelichtjes bij zich. Ze had eraan gedacht. Ze had het voorbereid. Niet als spektakel, maar als gebaar. Liefde in haar zachtste vorm: een daad in stilte.
Het dammetje hield het water stil, zodat de stroom slechts een rimpeling was. En daar, precies om middernacht, toen de sterren bijna bewogen van de hitte, liet ze ze één voor één los. Ze dreven weg, langzaam, als witte lelies. Het vuur flakkerde even op elke golfslag, dan herstelde het zich. Alsof het bleef vechten tegen de nacht.
Wij stonden daar, mijn zussen, mijn vader, en ik – in zwembroek, natte benen, vol spanning en iets wat ik toen nog geen ontroering kon noemen. Maar dat was het. Een stille doop. Niet van water, maar van tijd. Van mij. En zij – mijn moeder – had het mogelijk gemaakt.







