Bekijk de Geheugen Groeve op mijn zolder
Het was nog best link. Bij een doelpunt van AZ hield mijn vader mij goed vast als alle supporters op de staantribune gingen springen en juichen. Als jochie van 8 jaar stond ik voor hem op een keukentrapje op de staantribune in een volgepakt stadion. Ik had het beste zicht want ik stak een kop boven de rest uit. Begin jaren ’70 was dit voor de suppoosten van AZ geen enkel probleem. We mochten altijd naar binnen.
Als ik samen met mijn vader naar het ‘De Alkmaarder Hout’, het oude stadion van AZ ’67, wandelde droeg ik hem op mijn schouder: mijn bankje. Nou heeft iedereen wel een verhaal over een bepaald meubelstuk uit zijn kinderjaren. Bij mij is dat het bankje van opa en oma in Alkmaar.
Ik hield hem altijd een beetje achter mijn rug als we de kaartjesverkoop passeerden. Geen rijen, geen poortje, geen clubcard. Alleen een oude man achter het loket met een dikke sigaar.
Omdat mijn vader geboren is in Alkmaar, en ik mee ging naar de thuiswedstrijden als we bij zijn ouders op bezoek waren, was ik fanatiek AZ-fan geworden. Een bezoek aan het stadion vond ik een feest. De aanhang van AZ bestond toen voornamelijk uit sportieve oude mannetjes met sigaren, zo leek het als we de staantribune opliepen. Dan hoorde ik altijd het uitermate lullige clublied (Rettekettet – aaaaa Z!) maar ook rare jingles (Caballero is de sigaret… Caballero is anders dan anderen…) en natuurlijk de reclame voor WASTORA een witgoed winkel in Zaandam die jaren de hoofdsponsor was.
Voordat de spelers op het veld gingen intrappen was er altijd fanfare. Van mijn vader leerde ik dat die man die op de muziek vooruit liep en met een staf zwaaide een ‘tambour-maître’ was. Hij gebruikte zijn staf (de ‘baton’) om signalen te geven voor het marcheren, stoppen of veranderen van het muziekgezelschap. Hoogtepunt was het moment dat hij trots de baton over zijn armen liet rotere n en hem vervolgens met een enorme zwieper omhoog gaf en dan weer opving. Dit ging wel eens mis, tot grote hilariteit van het publiek. Er werd gelachen. Daarna kwamen de spelers op het veld die verveeld een beetje voor de vorm een paar keer op het goal schoten. Van een echte warming-up was geen sprake. Volgens mijn vader, die ook veel naar Engels voetbal keek, was dat warm lopen grote onzin. De Engelsen liepen bijvoorbeeld voor het fluitsignaal direct uit de kleedkamer het veld op en gingen ballen. Het leek mij ook onzin.
Daar kwam ook de kale en dikke man met rookworsten voorbij. Hij liep op het veld in een vuilwitte schort en een grote gamel schommeldend voor zijn enorme buik. Wilde je iets eten riep je hem hard ‘worst’ toe en stapte hij op het hek toe. Als je een gulden door de mazen van het hek duwde dan propte hij met een routineus gebaar, een worst verpakt in een wit vel, door het hek.






