

De vormtaal van de Amsterdamse School stond onder de invloed van de toenmalige kolonie Nederlands-Indië. In het ‘gele blok’ van Michiel van der Klerk in de Spaarndammerbuurt zien we op de kop van de hoekgevel een denneappel van bakstenen. Deze vorm refereert aan de gunungan (of kayon). Zij is afkomstig uit het Javaanse wajangpoppenspel. Daar symboliseert het inderdaad de heilige berg 🏔️ of de levensboom 🌳. In de baksteenarchitectuur van de Amsterdamse School zie je dit terug als een spiritueel en decoratief element. De horizontale lijnen versterken die associatie met een boom die hemel en aarde verbindt.
De gunungan (uitgesproken als goe-noeng-an) vormt een van de meest fascinerende bruggen tussen de oosterse mystiek en de nuchtere Nederlandse baksteenarchitectuur van de Amsterdamse School. Hoewel de bouwstijl diep geworteld is in de sociale woningbouw van de jaren ’10 tot ’40, zochten architecten naar manieren om deze gebouwen te bezielen. De gunungan bood hiervoor de perfecte vormentaal. In de Indonesische cultuur stelt dit symbool de heilige berg of de levensboom voor; een spiritueel centrum waar de goden wonen en waar hemel en aarde elkaar ontmoeten.
Binnen de Amsterdamse School werd dit symbool niet louter als decoratie gebruikt, maar kreeg het een diepe maatschappelijke en spirituele betekenis. Veel architecten uit die tijd waren beïnvloed door de theosofie en zagen in de gunungan een krachtig symbool voor transformatie en geboorte. Net zoals de gunungan in een wajangvoorstelling het begin van een nieuwe scène markeert, zo markeerde de vorm in de architectuur een nieuwe fase voor de arbeidersklasse. De overgang van de donkere, ongezonde sloppenwijken naar de “arbeiderspaleizen” zoals Het Schip in de Spaarndammerbuurt was een letterlijke geboorte van een nieuwe wereldorde, waarin kunst en schoonheid niet langer alleen voor de elite waren, maar een recht voor iedereen.
een symbolische drempel
In het exterieur van gebouwen fungeert de gunungan vaak als een symbolische drempel. Je vindt de vorm – een spits toelopend, eivormig of driehoekig motief met horizontale ‘takken’ – vaak boven entrees of op de hoeken van gebouwen. Bij het betreden van een pand passeer je dit symbool, wat de overgang van de chaotische buitenwereld naar een veilige, verheven binnenruimte accentueert. In het metselwerk van Michel de Klerks meesterwerk ‘Het Schip’ (bijvoorbeeld rond de ingang van het postkantoor) is dit prachtig geabstraheerd: door bakstenen trapsgewijs te laten verspringen, creëerden de metselaars een dynamisch schaduwspel dat de organische, levende structuur van de heilige berg nabootst zonder de constructieve logica van het gebouw te volgen.
De opmerking dat het werk van Guillaume la Croix “tot de Amsterdamse School gerekend wordt, al mist het de uitgesproken plasticiteit van die stroming” verwijst naar een belangrijk stilistisch kenmerk van deze architectuurbeweging: plasticiteit oftewel vormkracht.
Hieronder leg ik uit wat hiermee bedoeld wordt:
🧱 Wat is ‘plasticiteit’ in de context van de Amsterdamse School?
In de bouwkunst verwijst plasticiteit naar een expressieve, beeldhouwachtige vormgeving van een gebouw. Architectuur wordt dan niet als een reeks vlakke gevels gezien, maar als een organisch, bijna levend volume, waarin muren, daken, erkers, kozijnen, balkons en torens vloeiend in elkaar overlopen en samen een sculpturaal geheel vormen.
Kenmerken van uitgesproken plasticiteit:
- Gebogen gevels en rondingen
- Uitspringende metselwerkdetails
- Gevels die “golven” of “knikken”
- Daken die naadloos opgaan in de gevelstructuur
- Veel driedimensionaliteit en ornamentiek in het metselwerk
- Overgangen tussen bouwdelen zijn vloeiend, niet hoekig
Een bekend voorbeeld hiervan is het Scheepvaarthuis (van architect Michel de Klerk en anderen), waar de gevels bijna als een beeldhouwwerk ogen.
🏛 Het werk van La Croix: wel Amsterdamse School, maar minder plastisch
Het werk van Guillaume la Croix hoort stilistisch thuis binnen de Amsterdamse School, maar met een meer ingetogen karakter. Zijn ontwerpen hebben:
- Wel typische kenmerken zoals decoratief metselwerk, detaillering, asymmetrie en expressieve daken,
- Maar minder uitgesproken vormenspel dan bij bijvoorbeeld De Klerk of Piet Kramer.
Zijn gebouwen zijn strakker, hoekiger, functioneler, met een grotere nadruk op symmetrie en soberheid. Ornamenten zijn aanwezig, maar verfijnder en niet overdadig. Hierdoor mist zijn werk de beeldhouwachtige kwaliteit die de iconische Amsterdamse School-gebouwen zo opvallend maakt.
Het NACO-huisje is hier een goed voorbeeld van: het heeft speelse dakvormen en decoratieve details, maar blijft architectonisch relatief ingetogen en rechthoekig qua hoofdvolume.
📌 Conclusie
De uitspraak over La Croix benadrukt dat hij wel deel uitmaakt van de Amsterdamse School, maar aan de rand van het spectrum staat. Zijn werk is herkenbaar aan de stijlkenmerken, maar minder flamboyant en plastisch dan dat van zijn bekendere tijdgenoten. Denk aan hem als een architect van de bescheiden expressie, binnen een stroming die bekendstaat om haar grote dramatiek.






