baudelaire analyse hero
Home » Geen categorie » C. Baudelaire, ” l’Albatros “, in: Fleur du Mal (1861)

C. Baudelaire, ” l’Albatros “, in: Fleur du Mal (1861)

Je hebt de dichter met zijn gevoelige onzin, hoog verheven boven het klootjesvolk.
Daaronder de wereld van de gemene en domme mensen.

uit: De bloemen van het kwaad; vertaald door: Menno Wigman (2021)


de albatros

( 👀 visualisatie, 🔈 audioversie , originele Franse versie)

De schepelingen schieten om zich te vermaken
Vaak een albatros neer, die vorst der oceaan,
Die als een lome gids de schepen zal bewaken
Die eenzaam over zilte diepten moeten gaan.

Ternauwernood heeft men hem op het dek gevangen
Of die heerser van de hemel laat log en lomp
Zijn grote witte vleugels langs zijn zijden hangen,
Erbarmelijk als loze riemen langs een romp.

Hoe zwak en plomp is hij die eerst gevleugeld was!
Het scheepsvolk zet hem nu al strompelend voor gek
En duwt het kreupel beest, dat eens zo prachtig was,
Een tergend hete pijpenbrander in zijn bek.

De Dichter deelt het lot van deze prins der wolken,
Die boogschutters bespot en lacht om een orkaan;
Verbannen naar de grond tussen de hoen der volken,
Verhinderen zijn reuzevleugels hem te gaan.

Charles Baudelaire
Uit: Les Fleur du Mal (1861)
Vertaling (Menno Wigman)


L’ Albatros is het tweede gedicht in de tweede editie (1861) van de gedichtenbundel Les Fleurs du mal van de Franse dichter Charles Baudelaire. Baudelaire begon in 1843 aan deze bundel met 126 gedichten. Je kan ze op Wikisource online lezen – gerangschikt volgens uitgave.
De eerste uitgave dateert uit 1857 en de laatste waaraan de dichter zelf heeft gewerkt uit 1861.

( 👀 visualisatie, 🔈 audioversie , originele Franse versie)


Analyse

A. parafrase

(korte samenvatting van het gedicht)

Je hebt twee werelden. De dichter met zijn grootspraak, hoog verheven boven het klootjesvolk.
Daaronder de wereld van de gemene en domme mensen.
De gevangen en mishandelde, majestueuze Albatros belichaamt de bespotte kunstenaar.

B. versleer

(herkennen, benoemen en het op waarde schatten van stijlelementen en beeldspraak)

De Albatros is een traditioneel gedicht met een vast metrum en rijmschema.

1. strofenbouw

Het gedicht “De Albatros” bestaat uit vier strofen. Elke strofe telt vier regels. Een strofe van vier regels wordt een kwatrijn genoemd. Dit is weliswaar een traditionele dichtvorm maar vanwege het ontbreken van de exacte strofebouw van een sonnet (octaaf + sextet) noemen we het een gedicht met vier strofen.

Typen strofen (theorie)

Een gedicht is vaak opgebouwd in ‘alinea’s’: strofen:

een strofe van twee regels :          distichon

een strofe van drie regels  :          terzet

een strofe van vier regels  :          kwatrijn

een strofe van zes regels   :           sextet (soms twee terzetten)

een strofe van acht regels :           octaaf (soms twee kwatrijnen)

Een aparte dichtvorm met een vaste strofebouw is het zogeheten sonnet. Het sonnet (of klinkdicht) heeft altijd als strofebouw:

kwatrijn

kwatrijn

terzet

terzet

Tussen het tweede kwatrijn (ook wel het octaaf) en het eerste terzet of tussen de twee terzetten (ook wel het sextet) kan een wending in het gedicht zitten, de zogeheten volta of chute.

Volta
Er zit in het gedicht een duidelijke wending (volta of chute) in. De eerste strofe beschrijft de daad van het neerschieten en de status van de albatros. Strofen 2 en 3 beschrijven de vernedering en machteloosheid van het dier op het dek. De volta vindt plaats aan het begin van de vierde strofe, wanneer de allegorische interpretatie expliciet wordt ingebracht: “De Dichter deelt het lot van deze prins der wolken” (r. 13). Dit is het moment waarop de observatie over de vogel overgaat in de zelfreflectie en de centrale boodschap van de dichter over zijn eigen positie.

2. rijm

Het rijmschema in alle vier kwatrijnen is abab. Dit is gekruist rijm.

Het gedicht maakt uitsluitend gebruik van eindrijm, waarbij de woorden aan het einde van een versregel op elkaar rijmen.

Strofe 4: wolken (a) / orkaan (b) / volken (a) / gaan (b).

Strofe 1: vermaken (a) / oceaan (b) / bewaken (a) / gaan (b).

Strofe 2: gevangen (a) / lomp (b) / hangen (a) / romp (b).

Strofe 3: was (a) / gek (b) / was (a) / bek (b).

De gebruikte rijmsoorten zijn hoofdzakelijk volrijm:

  • In strofe 1 en 2 zien we een afwisseling van vrouwelijk rijm (zoals vermaken – bewaken, waarbij na de beklemtoonde rijmende lettergreep nog één onbeklemtoonde lettergreep volgt) en mannelijk rijm (zoals oceaan – gaan en lomp – romp, waarbij na de beklemtoonde lettergreep geen andere lettergreep meer volgt).

Binnenrijm

r niet vragen of niet klagen,
r leefde en bleef gezond.

Halfrijm door assonantie
(gelijkheid van de klinkers van de beklemtoonde lettergrepen (of klinkerrijm))

Middenrijm door alliteratie
(Woorden midden in de versregel rijmen op overeenkomstige geplaatste woorden in de volgende regel)

Soorten rijm (theorie)

Veel gedichten rijmen, maar rijm is niet per se noodzakelijk voor poëzie. Met name in moderne gedichten ontbreekt het rijm vaak. We onderscheiden de volgende vormen van rijm:

Eindrijm        :           De woorden aan het einde van een versregel
                                    rijmen op een ander woord dat ook aan het einde
                                   van een versregel staat.

  1. volrijm      :          Een woord rijmt volledig op een ander woord. Er zijn drie
                                 vormen van volrijm:

mannelijk rijm:          Na de beklemtoonde, rijmende lettergreep volgt geen
                                   andere lettergreep meer: gaan – staan.
vrouwelijk rijm:         Na de beklemtoonde, rijmende lettergreep volgt nog één
                                   onbeklemtoonde lettergreep: waaien – draaien.

slepend rijm:             Na de beklemtoonde, rijmende lettergreep volgen nog
                                   twee onbeklemtoonde lettergrepen: kinderen – hinderen.

2) klinkerrijm/assonantie    Alleen de klinkers van de woorden rijmen:
                                               lief – diep.

3) acconsonerend rijm        Er is alleen een overeenkomst tussen de
                                               medeklinkers: mist – kust.

Binnenrijm   :           Binnen een en dezelfde versregel rijmen woorden op
                                   elkaar.

                                   Siet hoe hij slaeft, graeft en draeft met geweld!

                                                                                 (Adriaen Valerius)

Middenrijm  :           Woorden midden in de versregel rijmen op
                                   overeenkomstige geplaatste woorden in de volgende
                                   regel.
                       
                                   T’en syn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,
                                   Noch die verraderlijck u togen voort gericht
                                   Noch die versmadelyck u spogen int gezicht

Alliteratie     :           Bij alliteratie beginnen de woorden met dezelfde letter.
                                   Een enkele keer betreft dit alle woorden:

                                   Liesje leerde Lotje lopen langs de lange Lindenlaan

                                   Alliteratie wordt door dichters soms gebruikt om
                                   bepaalde woorden die bij elkaar horen extra nadruk te
                                   geven:

3. rijmschema

Het gedicht ‘Het Huwelijk’ heeft het volgende rijmschema:

Omarmend rijm:
abba

Rijmschema’s (theorie)

  1. Rijmschema’s

Dichters gebruiken vaak eindrijm volgens een bepaald schema om versregels op elkaar te laten rijmen. Er zijn verschillende rijmschema’s die je herkent door elke nieuwe rijmklank een letter uit het alfabet te geven, beginnend bij a.

Gekruist rijm heeft het rijmschema abab.

Spleen

Ik zit mij voor het vensterglas (a)

onnoemelijk te vervelen. (b)

Ik wou dat ik twee hondjes was, (a)

dan kon ik samen spelen. (b)

Bron: Godfried Bomans

in: Michel van der Plas, Ongerijmde rijmen. (bloemlezing) (1954)


Gepaard rijm heeft het rijmschema aabb.

Een nieuwe lente en een nieuw geluid: (a)

Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit, (a)

Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht (b)

In een oud stadje, langs de watergracht – (b)

Bron: Herman Gorter, Mei. (fragment) (1978) (1e dr. 1889)


Omarmend rijm heeft het rijmschema abba.

’s Nachts hoorden wij in ’t holle huis (a)

de ratten rennen langs de binten. (b)

Zij scheurden spaanders van de plinten; (b)

In kasten viel de kalk tot gruis. (a)

Bron: Ida Gerhardt, ‘De ratten’ (fragment)

In: Zeven maal om de aarde te gaan. (2002)

Verspringend rijm heeft het rijmschema abcabc.

Hij staat in een tuin in de stad, (a)

alleen en verloren en groot, (b)

met wuivende kruin, en ’t geruis (c)

der winden door twijg en in blad, (a)

dit lied van verlangen en nood, (b)

is hoorbaar tot diep in het huis. (c)

Bron: Jan van Nijlen, ‘De populier’ (fragment)

In: Verzamelde gedichten (2003)

Sonnet         

Eerder is al gezegd dat het sonnet een aparte strofebouw kent (octaaf + sextet). Dat is ook het geval met  het rijmschema. Er is wat discussie mogelijk, maar doorgaans worden de volgende rijmschema’ als het oorspronkelijkst beschouwd:
                        abba abba cdc dcd  of abab abab cde cde

Sommigen noemen het eerste schema Siciliaans en het tweede Italiaans, maar ook daarover is discussie mogelijk.

Wat wel vaststaat, is dat er allerlei schemavarianten zijn ontstaan nadat Petrarca en Dante, de vaders van het sonnet, in de 13e eeuwse Italiaanse renaissance met deze dichtvorm  debuteerden. In de 16de eeuw ontstonden er met name in het sextet allerlei variaties in het rijmschema. De bekendste variatie is die van Shakespeare, die overigens ook dikwijls door Hooft werd gebruikt:

                        ababcdcdefef gg

Op welke plaats de volta precies voorkomt, is moeilijker te bepalen. Volgens sommigen is bij het Engelse sonnet geen sprake van een volta of chute, maar wel fungeert het eind-distichon vaak als een conclusie of pointe

Rondeel
Ook een rondeel kent een strakke strofebouw. Hierin worden hele regels herhaald. Meestal heeft het rondeel acht versregels en dan zijn de regels 1, 4 en 7 aan elkaar gelijk en de regels 2 en 8. Soms heeft een rondeel echter twaalf of dertien regels. Dan zijn meestal de regels 1, 7 en 12 of 13 dezelfde en 2 en 8. Rondelen klinken een beetje als liedjes.

(opdringerige mededeling: negeren )

Echt, het is de moeite waard om je te abonneren op mijn nieuwsbrief ‘waardevol op het web’
sakkerloot

>>Bekijk de online versie van de nieuwsbrief

Vul je e-mailadres in:

(verder lezen)


4. ritme, enjambement, metrum en versvoet

Ritme
(is de afwisseling tussen beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen van een gedicht.
Wanneer in deze afwisseling regelmaat te ontdekken valt volgens een van de bestaande patronendan is er sprake van metrum. De afwisseling zelf die steeds terugkomt heet de versvoet. )

De ‘melodie’ van Het Huwelijk
Als een traditioneel gedicht vertoont “Het huwelijk” een herkenbaar ritme en metrum. Het overheersende metrum in de meeste van Elsschots regels is jambisch (u -: onbeklemtoond – beklemtoond), wat zorgt voor een ‘golvend’ ritme.

Enjambement
Enjambement treedt op wanneer de zin doorloopt over de regeleinde zonder een natuurlijke pauze, wat kan dienen om het rijmschema te handhaven of nadruk te leggen op een woord of gedachte.

r1 …de nevel van de tijd
r2 in d’ogen van zijn vrouw

Een opvallend voorbeeld komt voor in Strofe 5, waar de gedroomde actie wordt gescheiden van de hindernissen:

r17 ...want tussen droom en daad /
staan wetten in de weg en praktische bezwaren…
Dit enjambement legt nadruk op de cruciale scheiding tussen de droom (ontsnapping, moord) en de daad (de uitvoering ervan), wat het centrale thema van de strofe benadrukt

Ritme, metrum en versvoet (theorie)

Ritme is de afwisseling tussen beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. Wanneer in deze afwisseling regelmaat te ontdekken valt volgens een van de bestaande patronen (zie hieronder) dan is er sprake van metrum. De afwisseling zelf die steeds terugkomt heet de versvoet. Net als rijm zorgt metrum voor eenheid in een gedicht.

Je ontdekt het ritme van een versregel door de beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen enigszins overdreven uit te spreken.

Beklemtoonde lettergrepen worden dan aangegeven met een streepje boven de lettergreep, onbeklemtoonde lettergrepen met een ‘u’.

Lees bijvoorbeeld de volgende regel:

Jantje zag eens pruimen hangen o als eieren zo groot.

Als je bij deze versregel de lettergrepen van elkaar scheidt met een horizontale streep en de beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen aangeeft, krijg je het volgende ritme:

  –      u      –       u        –       u        –        u     –     u    –    u   –       u      – 

Jan | tje | zag | eens | prui | men | hang | en | o | als | ei | e |ren | zo | groot

Als je de afwisseling van wel klemtoon en geen klemtoon zou omwisselen, dan klinkt de versregel heel erg raar.

Wanneer nu in dit ritme een bestaande afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen (de versvoet) regelmatig terugkomt op een versregel, dan is er sprake van metrum. De belangrijkste versvoeten zijn:

Jambe            :  u –                geen klemtoon – wel klemtoon

Trochee         :  – u               wel klemtoon – geen klemtoon

Anapest         :  u u –            2 x geen klemtoon – 1 x wel klemtoon

Dactylus        :  – u u            1 x wel klemtoon – 2 x geen klemtoon

Amfibrachys  :  u – u            geen klemtoon – wel klemtoon – geen klemtoon

Uitgaande van de eerdergenoemde versregel krijg je dan de volgende versvoeten onderscheiden (scanderen) die allemaal trocheeën zijn. Het metrum van deze regel is dan ook trocheïsch.

  –    u      –      u        –      u        –      u     –   u      –  u      –   u      – 

Jan  tje | zag  eens | prui  men | hang  en | o  als | ei  e  | ren zo | groot

Er zijn ook benamingen voor het aantal terugkerende versvoeten op een versregel. De belangrijkste zijn:

Octameter                 : achtvoetige versregel

Heptameter              : zevenvoetig versregel

Hexameter                : zesvoetig versregel

Pentameter               : vijfvoetig versregel

Tetrameter                : viervoetige versregel

De bovenstaande versregel bevat is dus een jambische octameter waarvan de laatste niet volledig is.

Soms past een dichter ook elisie toe om zijn gedicht in een bepaald ritme of metrum te persen. Elisie is het weglaten van een onbeklemtoonde klinker of lettergreep, meestal omwille van het metrum of het ritme. (‘t één en ’t ander of    d’ eedlen = de edelen of  Neêrland = Nederland) Elisie is vaak een aanleiding om te scanderen. Antimetrie betekent dat het algemene metrum van het gedicht bewust (ter benadrukking van dat woord) dan wel onbewust doorbroken wordt; een lettergreep krijgt dan een klemtoon, terwijl hij deze volgens het metrum niet zou mogen krijgen of andersom.


5. Beeldspraak

Soorten
Een metafoor is vergelijkingsbeeldspraak. De schrijver gebruikt een beeld (b) om een object (o) te omschrijven. De originaliteit van het beeld bepaalt of de beeldspraak geslaagd is.

Personificatie
Als aan een levenloze zaak menselijke eigenschappen worden toegekend, spreek je van personificatie.
De dichter gebruikt personificatie om de vergankelijkheid te beschrijven:
r1 “de nevel van de tijd“. De tijd wordt menselijke eigenschappen toegekend (of in elk geval de eigenschap van ‘nevel’ die dooft en verweert).

Zuivere metafoor
In een zuivere metafoor wordt een vergelijking gemaakt, maar alleen het beeld (b) wordt genoemd. Het object (o) waar het beeld naar verwijst, is weggelaten
r11 “zijn helse mond het merg uit haar gebeente zoog”.
De “helse mond” is een zuivere metafoor die de vernietigende, kwelzuchtige aard van de man en de relatie benadrukt.
r14 “de schimmel van mijn stramme voeten wassen”. De schimmel is een zuivere metafoor voor de sleur, stagnatie en vervuiling van hun vastgelopen leven, waarvan hij zich wil ontdoen door te vluchten

Vergelijkingen
Tussen het beeld en het object is een zekere overeenkomst. Ze staan vlak bij elkaar en worden al dan niet  verbonden door een voegwoord (meestal  ‘als’)
De vrouw kijkt op “als een stervend paard“. Dit is een vergelijking met verbindingswoord (als). Dit krachtige beeld benadrukt haar machteloze lijden en de wreedheid van de man, waarbij de vrouw wordt gereduceerd tot een hulpeloos, lijdend dier.

Eufemisme
((spreek uit: uifemisme) is een verzachtende / nette manier van uitdrukken. Meestal doe je dat om iemand niet te kwetsen.)

Understatement
(Bij een understatement zeg je iets ook in voorzichtige bewoording, maar dan met spot.)

Beeldspraak (theorie)

In veel gedichten komen beeldspraak en stijlfiguren voor. Bij beeldspraak worden zaken uit de werkelijkheid met beeldend taalgebruik op een indirecte of figuurlijke manier omschreven. Zo kan de lezer zich iets goed voorstellen, vaak beter dan wanneer iets uit de werkelijkheid direct omschreven wordt. Met originele beeldspraak krijgen teksten en schrijvers een eigen stijl.

Het gras leek wel ijzervijlsel, zo heiig was het in de tuin, het jonge boomblad blikkerde metaalachtig, de perebomen met hun stijf gebalde knoppen leken van gietijzer.

Bron: Frans Kellendonk, Mystiek lichaam.

Meulenhoff, Amsterdam 1982

Er zijn verschillende vormen van beeldspraak: beeldspraak die berust op vergelijking (metafoor) en beeldspraak die niet berust op vergelijking (metonymie).

Metaforen

Een metafoor is vergelijkingsbeeldspraak. De schrijver gebruikt een beeld (b) om een object (o) te omschrijven. De originaliteit van het beeld bepaalt of de beeldspraak geslaagd is. Veelgebruikte en dus afgezaagde beeldspraak verliest zijn werking (zie ook: cliché), tenzij de timing ervan in het gedicht weer bijzonder is. Voorbeelden van metaforen zijn:

Personificatie

Als aan een levenloze zaak menselijke eigenschappen worden toegekend, spreek je van personificatie. Een bepaalde eigenschap maakt dat ‘het ding’ vergeleken wordt met iets menselijks.

Het gevaar loerde op elke straathoek

De bomen fluisteren zachtjes haar naam

Het papier is geduldig

De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind.

Synesthesie

Synesthesie is het aan elkaar koppelen van zintuiglijke waarnemingen.

schreeuwende kleuren (gehoor-zicht)
een scherpe blik
(gevoel-zicht)

zoete klanken (smaak-gehoor)

een warme stem (gevoel-gehoor)

een zure glimlach (smaak-zicht)

Vergelijkingen

Tussen het beeld en het object is een zekere overeenkomst. Ze staan vlak bij elkaar en worden al dan niet  verbonden door een voegwoord (meestal  ‘als’)

Met verbindingswoord (polysyndetische vergelijking):

Toen hij uit de sloot kwam, zag hij eruit als een varken. 

Hij is hier het object, een varken is het beeld. Als een varken noem je in dit

verband de vergelijking met als. De overeenkomst is de viesheid.

zijn lange, bleke benen (o), die reeds licht verdorden

komen als berkenstammen (b) door het groen opdoemen.

Bron: M. Vasalis, ‘De idioot in het bad’ (fragment)

in: Gedichten. Van Oorschot, Amsterdam 1998

Zoals zich in het voorjaar soms

nog één bruin appeltje

verbeten vasthoudt aan de tak

die bijna weer in bloei staat (b)

zo hangt zij aan het leven. (o)

[…]

Bron: R.A. Basart, ‘Mijn oudtante’ (fragment)

in: Oranjebal. Bert Bakker, Den Haag 1975

Een dergelijke vergelijking waarbij het beeld in een bijzin zit beginnend met (zo)als, wordt ook een Homerische vergelijking genoemd. Meer algemeen is dit een breedsprakige vergelijking, waarbij de schrijver zo opgaat in het vergelijken, dat hij dingen noemt die geen verwantschap meer hebben met het beeld.

Zoals in de bergen een havik,

vlugger vliegt dan al wat er vliegt, op een schichtige duif komt gestreken

— deze wiekt zijdelings weg, maar de havik, telkens weer stotend,

schiet en schiet op haar af met snerpende kreten: zijn

vraatzucht spoort hem tot grijpen — zo snelde toen ook Achilles naar voren,

vol van begeerte.

Zonder verbindingswoord (asyndetische vergelijking)

Haar handen (o), bedrijvige vlinders (b) in de schijn van het theelichtje.

De handen, het object, zijn kennelijk druk aan het werk waardoor ze lijken op de bedrijvigheid van vliegende vlinders (het beeld).

Zuivere metafoor

In een zuivere metafoor wordt een vergelijking gemaakt, maar alleen het beeld wordt genoemd. Het object waar het beeld naar verwijst, is weggelaten. Zuivere metaforen komen ook vaak in spreekwoorden voor.

Wanneer des nacht de donkre vogels komen

en ons weer wekken met hun stalen stem, (o)

Bron: Koos Schuur, ‘Het kind en ik’ (fragment)

in: Herfst, hoos en hagel. De Bezige Bij, Amsterdam 1946

Koos Schuur schrijft hier ‘donkre vogels’ met ‘hun stalen stem’. Daarin kun je lezen dat hij overvliegende ronkende vliegtuigen bedoelt.

De hemel, waarin grauwe bergen lood stonden.

Met grauwe bergen lood bedoelt de schrijver hier zware wolken. De overeenkomst zit hem vooral in de kleur van het lood (donkergrijs) en de wolken.

Dat schaap heeft zich laten beetnemen.

Hij haalde voor hem de kastanjes uit het vuur. 

Kennelijk heeft de ‘hij’ in deze zin een vervelend of zelfs gevaarlijk klusje voor iemand gedaan. Net als dat het vervelend of gevaarlijk is (gepofte) kastanjes uit het vuur te moeten halen. 

Allegorie

Een metafoor die door het gehele gedicht, verhaal of boek wordt volgehouden. In feite is de tekst dan één lange uitgewerkte metafoor. Het bekendste voorbeeld is Elckerlyc (± 1485) waarbij het object (de gehele mensheid) wordt verpersoonlijkt in een persoon, Elckerlyk (‘Iedereen’)

Metonymia

Net als bij de zuivere metafoor wordt bij de metonymia wel het beeld maar niet het object genoemd. Groot verschil is, dat er géén overeenkomst is tussen het beeld en het object, maar dat er wel een zekere relatie benadrukt tussen het beeld en het object. Er zijn erg veel metonymia, maar de meest voorkomende komende zijn:

  • Het benadrukken van een specifieke, opvallende eigenschap of bijzonder kenmerk van het object. (Ook wel perifrase)

Een zee van ruisend groen (een bos)

Dat blazende en krabbende ondier (een kat)

De tijd voor slapen (de nacht)

  • Het benadrukken van het materiaal waar iets van gemaakt is,

Het voetbalelftal won goud. (= het materiaal waar de medaille van gemaakt is)

  • Het benadrukken van de relatie tussen deel en geheel van een persoon of een ding (Ook wel synecdoche)

Ze hadden vele monden te voeden (Deel duidt geheel aan.)

Met een vloot van twintig zeilen was hij bij voorbaat kansloos.(idem)

Engeland won bij Gibraltar de oorlog. (Geheel duidt deel aan.)

  • Het benadrukken van de maker van een product in plaats van het product zelf.

Hij heeft een echte Van Gogh aan de muur hangen. (= de maker van het product)

NB. een speciaal metoniem kan is het bijvoeglijk gebruik ervan waarbij een  bijvoeglijk naamwoord gebruikt wordt dat niet in verband staat met het  zelfstandig naamwoord waar het voor staat, maar meestal iets meedeelt over een levend wezen dat ermee in verband gebracht kan worden:

Een luie stoel 

Niet de stoel is lui, maar degene die erin zit.

Vallende ziekte

Niet de ziekte valt, maar degene die aan de ziekte lijdt, valt steeds.



6. Stijlfiguren

Een stijlfiguur is een opvallende, kenmerkende vorm (figuur) van uitdrukken (stijl). In tegenstelling tot beeldspraak hebben stijlfiguren niets met beelden, objecten of figuurlijk taalgebruik te maken; het zijn taaltrucjes.

Hyperbool
r11 “zijn helse mond het merg uit haar gebeente zoog”.
Het merg uit het gebeente zuigen is een hyperbool (overdrijving) om de extreme psychische uitputting te schetsen.

Paradox

Rhetoriek

Enumeratie

Een enumeratie wordt gebruikt om een opeenvolging van emoties of handelingen te benadrukken.
De acties van de man worden opgesomd: “Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard”.
De ontsnappingsplannen zijn ook een opsomming: “ik sla haar dood en steek het huis in brand… Ik moet de schimmel… wassen / en rennen… tot bij een ander lief…
De redenen waarom hij de daad niet pleegt, zijn eveneens een opsomming: “wetten in de weg en praktische bezwaren, / en ook weemoedigheid...”.

2. Antithese (Tegenstelling)
De dichter gebruikt de antithese om de onmogelijkheid van de man om zijn verlangen (doodslag, vlucht) om te zetten in realiteit te benadrukken.
Strofe 5:
Het cruciale conflict in strofe 5 wordt gevormd door de tegenstelling: “tussen droom en daad“.

3. Inversie (Strofe 5):
De normale zinsvolgorde (S-V-O) wordt doorbroken om de nadruk te leggen op de belemmeringen: “staan wetten in de weg en praktische bezwaren”. Door met het werkwoord te beginnen, wordt de nadruk gelegd op het bestaan van de obstakels

Litotes
(bevestiging door een ontkenning van het tegenovergestelde)

Stijlfiguren (theorie)

Inversie
In een gewone Nederlandse zin krijg je eerst het onderwerp en daarna de persoonsvorm:

Bij de zin ‘Piet liep in het park te wandelen’, ligt de nadruk op Piet. Maar wanneer je persoonsvorm en onderwerp omdraait én er een ander zinsdeel voor zet: ‘In het park liep Piet te wandelen’, dan ligt de nadruk op het park. Inversie wordt dan ook gebruikt om bepaalde woorden meer nadruk te geven

Prolepsis (vooropplaatsing)
Prolepsis is geïsoleerde vooropplaatsing van een zinsdeel dat aandacht moet krijgen. Het verschil met inversie is dat er geen sprake hoeft te zijn van omkering van onderwerp en persoonsvorm en dat de vooropplaatsing geïsoleerd is.
Die vent, ik mag hem niet.

De etterbak, ik wil hem niet meer zien.
Deze foto, ik had die liever niet geplaatst.
Op tv, in de krant, op internet, overal kom je die afbeelding tegen.

Repetitio

Het herhalen van hetzelfde woord.

Geld, geld is het enige wat hem bezighoudt.

Anafoor

Het herhalen van hetzelfde woord of dezelfde woordgroep aan het begin van opeenvolgende zinnen of zinsdelen.

Niemand die het weet, niemand die wat doet, niemand die het wat kan schelen…

Epifoor

Het herhalen van hetzelfde woord of dezelfde woordgroep aan het einde van opeenvolgende zinnen of zinsdelen.

Hij had de bergen gezien, de oceaan gezien en niets gezien.

Het ziet eruit als wijn, het ruikt als wijn, het smaakt als wijn, dus is het wijn.

Symploke

Een stijlfiguur die zich voordoet wanneer een anafoor en een epifoor gelijktijdig optreden.De woorden aan het begin én aan het einde van de zinsdelen komen overeen.

Iedereen wil het spel zien, iedereen wil de bal zien, iedereen wil een overwinning zien.

Enumeratie (opsomming)

Een enumeratie gebruik je om iets te benadrukken. Meestal zit er in de opsomming een climax (een in kracht toenemende rij) of een anticlimax (een in kracht afnemende rij).

Twee, zes, twintig, honderd mensen kwamen naar het feest toe.
Hij is
wereldberoemd, nou ja… in Nederland, eh in Zaltbommel dan. Ik bedoel: daar hebben ze van hem gehoord.

Een enumeratie kan ook een opsomming van een aantal zinnen zijn vaak met een vorm van herhaling (epifoor, anafoor of symploke)

Wist u dat:Jochem Uytdehage twee gouden en één zilveren medaille heeft gewonnen? Gretha Smit een zilveren medaille heeft gewonnen? Renate Groenewold ook een zilveren medaille heeft gewonnen?

Parallellisme

Bij een parallellisme is er sprake van steeds eenzelfde, zich herhalende zinsconstructie. Het effect is dat de tekst een beetje plechtig gaat klinken. Meestal kom je het parallellisme tegen in gedichten:

Wanneer ik morgen doodga,

vertel dan aan de bomen

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan de wind,

die in de bomen klimt

of uit de takken valt,

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan een kind,

Dat jong genoeg is om het te begrijpen.

Vertel het aan een dier

misschien alleen door het aan te kijken.

Vertel het aan de huizen van steen,

vertel het aan de stad

hoe lief ik je had

Maar zeg het aan geen mens.

Ze zouden je niet geloven.

Ze zouden niet willen geloven dat

alleen maar een man alleen maar een vrouw

dat een mens een mens zo liefhad

als ik jou.

(‘Voor een dag van morgen’, Hans Andreus)

Tautologie
Bij een tautologie wordt iets twee keer, met verschillende woorden gezegd ter benadrukking van het uitgedrukte.

De kinderen waren aan het schreeuwen en gillen.

De stoet kwam met veel pracht en praal voorbij.

Pleonasme
Bij een pleonasme wordt een betekenis die het hoofdwoord al in zich heeft versterkt door een overbodig bijvoeglijk naamwoord. Je wilt de eigenschap van het hoofdwoord benadrukken. Vaak leidt een pleonasme tot foutief Nederlands en spreekt men ook wel van een stijlfout:
In Oostenrijk genoten zij van de stilte tijdens hun wandeling door de witte sneeuw.
Enkel en alleen dat snoepje mocht Sandra pakken.

Het paard van Sinterklaas is een witte schimmel.

De gele zonnebloemen vullen het hele veld.

Oxymoron

Twee woorden die elkaar in hun letterlijke betekenis tegenspreken worden gecombineerd tot één begrip of uitdrukking. Het is dus een dommigheid waarover is nagedacht met als effect dat de boodschap nadruk krijgt.

Goed fout, modern klassiek, Eyes wide shut, oorverdovende stilte, een levend lijk, een onbestorven weduwe, de kleine reus, knap lelijk, etc.

Antithese (tegenstelling)
Antithese is het moeilijke woord voor tegenstelling. Door twee tegenstellingen in een zin te gebruiken vallen ze meer op.

In Noorwegen is het ‘s winters ijskoud maar in Zuid-Spanje blijft het lekker warm.

‘s Lands grootste kruidenier gaat op de kleintjes letten.

Chiasme (kruisstelling)

Twee bij elkaar behorende zinnen of delen van een zin zijn wat de woordrangschikking betreft elkaars spiegelbeeld of vormen een omgekeerde herhaling (repetitio met omkering)

alleen het geruisch van uw bloed 

en van uw hart het gehamer

vervulle uw lichaam,verstaat ge,uw leven,uw kluis. 

H.Marsman

De woorden geruisch-gehamer en bloed-hart vormen elkaars spiegelbeeld. Als je deze woorden met een lijntje met elkaar verbindt, ontstaat een kruis

Denkend aan de dood kan ik niet slapen. Niet slapend denk ik aan de dood.

(J.C. Bloem)

When the going gets tough, the tough gets going.

(Billy Ocean!)

Hyperbool (overdrijving)
Een hyperbool is een overdrijving.

Ik heb bij de bushalte een eeuw staan wachten.
Je wordt doodgegooid met informatie over de verkiezingen.

Exclamatio

Een exclamatie is gewoon een uitroep: Hoera! O Jee! Help!  O schone!

Asymmetrie
Doordat je dingen bij elkaar zet waartussen geen verband is, ontstaat een grappig effect.

Zij had mooi blond haar, prachtige ogen, een krachtige kin en een pukkel op haar neus.

Paradox
Een paradox is een schijnbare tegenstelling. De schrijver lijkt zichzelf tegen te spreken, maar dat is niet zo. Je moet er daarom goed over nadenken wat de schrijver eigenlijk bedoelt.
Slagen doe je door te mislukken (Harry Mulisch in: De Elementen)
Mulisch maakt hier duidelijk dat je van je fouten (mislukken) kunt leren, waardoor je later een grotere kans hebt tot slagen.

Schrijven is de kunst van het schrappen.
Hoe gespecialiseerder iemand is, des te minder kan hij.

Eufemisme
Een eufemisme (spreek uit: uifemisme) is een verzachtende / nette manier van uitdrukken. Meestal doe je dat om iemand niet te kwetsen:

Gisteren hebben we opa naar zijn laatste rustplaats gebracht.
Zij werkt daar als interieurverzorgster.
‘Hoe is het met uw stoelgang?’,  informeerde de dokter.

Zijn vader is gestorven aan K.

Understatement
Het understatement lijkt veel op het eufemisme, maar er is een groot verschil. Bij een understatement zeg je iets ook in voorzichtige bewoording, maar dan met spot.Het verschil zit hem dus in de spot. Om een understatement te kunnen begrijpen, moet je altijd de situatie kennen waarin hij uitgesproken wordt.
Een man wiens auto in de gracht was verdwenen die opmerkte: Lastig, hoe kom ik nou thuis?

Toen zijn partij weer vier zetels had gewonnen in de peilingen reageerde de fractieleider met: ‘Niet slecht’.
Ik had een twee voor het proefwerk, ik had dus wel een paar foutjes gemaakt.

Litotes
De litotes wordt vaak gebruikt door politici. Het is een bevestiging door een ontkenning van het tegenovergestelde: Interviewer: Mijnheer Zalm, gaat de belasting dit jaar nog omlaag? Zalm: Het is niet onwaarschijnlijk dat de belasting dit jaar nog naar beneden gaat. De woorden niet onwaarschijnlijk vormen een litotes. Handig voor politici, want ze kunnen altijd in een later stadium zeggen dat ze geen ‘ja’ gezegd hebben.
Daar ben ik niet blij mee.
Ik vind dat geen verkeerd plan.

Retorische vraag
Een retorische vraag is een vraag waarop de steller van de vraag geen antwoord verwacht (een wedervraag), maar veelal verontwaardiging of een ‘zekerheid’ uit wil drukken.

Hoe lang moet ik deze vragen nog aanhoren?

Twijfel (Dubitatio)

Onzekerheid in een vraagvorm uitdrukken om de moeilijkheid of vreselijkheid van die zaak te benadrukken.

Waarover moet ik eerst klagen of waar moet ik bij voorkeur, rechters, beginnen? Of welke hulp of aan wie moet ik hulp vragen? Aan de onsterfelijke goden? Aan het Romeinse volk?

Praeteritio

Noemen op welk(e) onderwerp(en) niet in te willen gaan, maar het daarmee toch doen. 

Om nou te zeggen dat het lelijk is, gaat mij te ver.

Het is van geen belang te weten dat hij in het verleden verschillende keren met de politie in aanraking is geweest.

Och, waarom zou ik vermelden wat wij daar hebben gezien. Veel kerken zijn gevuld met gouden en zilveren voorwerpen en schilderijen van bekende meesters.

… om nu maar te zwijgen van…

… ik zal niet zeggen dat hij een (…) is, maar…

Ironie, sarcasme, cynisme
Ironie is vriendelijke spot. In principe wordt het tegenovergestelde gezegd van wat er bedoeld wordt. Bij sarcasme is hetzelfde het geval, maar nu is het veel harder. Cynisme is nog harder dan sarcasme. Het is vaak van de situatie, soms ook van de persoon, afhankelijk of iets ironisch, sarcastisch of cynisch is.
Moeder over haar zoontje van twee jaar oud: Onze Harry is een echt boefje. (=ironie)
Leraar tegen leerling die net een 3 heeft teruggekregen voor een proefwerk: Jij hebt zeker erg je best gedaan, toen je dit proefwerk moest leren (=sarcasme).
Krijgsgevangene: De bewakers waren best aardig, ze sloegen niet elke dag (=cynisme).

Synoniemen
Synoniemen zijn woorden met ongeveer dezelfde betekenis, maar veelal met een verschillende sferen/gevoelswaarden. Je kunt dan gebruik maken van deze verschillen.

rijwiel – fiets
troittoir – stoep
laten inslapen – doodmaken

Asymmetrie
Doordat je dingen bij elkaar zet waartussen geen verband is, ontstaat een grappig effect.

Zij had mooi blond haar, prachtige ogen, een krachtige kin en een pukkel op haar neus.

Allusie (toespeling).

Al dan niet verhulde verwijzing naar een andere tekst. Zo verwijzen Jacques Perk en Hugo Claus hieronder naar het ‘Onze Vader’, maar beiden stellen het gebed wel in dienst van iets anders:

Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij,

Uw wil geschiede; kóme uw heerschappij;

Naast u aanbidde de aard geen andren god!

(Jacques Perk: ‘Deinè Theos’)

Onze Vader

Die in de hemel zijt

Gezegend is Uw Bom

Dat Uw rijk kome

Dat Uw Megatonnen ontvlammen hier op aarde

Als in de Hemel.

Geef ons heden ons nucleair wapen

En vergeef ons onze voorlopige vrede

Zoals wij vergeven wie ons weerstaat met

gejank om vrede

Maar dat wij mogen ver-assen en verdwijnen

Tot op het einde der tijden

Amen.

(Hugo Claus: Bericht aan de bevolking)

C. Interpretatie

( interpretatie van het gedicht, waarbij ook relevante stijlelementen en beeldspraak hun plek moeten krijgen)

Het gedicht illustreert hoe het leven kan vastlopen; de droom van vrijheid is onmogelijk vanwege de realiteit, waardoor de hoofdpersoon uiteindelijk verstijft in bitterheid. De wetten en bezwaren staan tussen droom en daad, net als de traditionele, strakke rijmschema’s en metra in poëzie soms de vrije expressie in de weg staan, maar hier dragen ze juist bij aan het gevoel van onontkoombaarheid.

🦷🦷🦷🦷🦷 ? Voor een overweldigende en duurzame ervaring zeker raadplegen… want dit zijn kunstwerkjes waar de tand des tijds geen vat op heeft

Blader door alle onderwerpen

Snel bladeren