Brief aan de lezer (71)

Het sneeuwt. Op ons achterbalkon zie ik een roodborstje scharrelen. Het schijnt dat de roodborsten helemaal niet zo blij zijn met dat ‘je’. De merels en de lijsters lachen zich gek. Het roodborstje is sowieso de pispaal in de tuin.
“Laat mij erin… laat mij erin” klinkt het plotseling heel helder in mijn hoofd. Mijn moeder zong dat liedje vaak toen ik klein was. Prachtig en zielig tegelijk. Het vogeltje zat te bibberen van de kou. In tegenstelling tot wat de tekst ons wil doen geloven, deed er namelijk nooit ’een meisje open’. Laat staan dat ze kruimeltjes brood in de aanbieding had. Na dat tevergeefs ‘getik’ tegen het raam, vlogen zij meestal het bos weer in…
Tsja. Die roodborst is mij er eentje. Toch mag ik haar wel. Ook dit beestje heeft weer zo’n kwetsbare blik. Nieuwsgierig maar ook wanhopig. In haar sociale onvermogen lijkt ze verdorie mijn moeder wel. Vrij brutaal en direct. Maar ook gesloten. Het schijnt dat meer mensen in het roodborstje een reincarnatie zien van hun ouder. In de Europese folklore staat het bolle beestje met opvallende kleur en de ranke pootjes symbool voor de ziel of een boodschapper. Wonderlijk.
Ik zie mijn moeder vrolijk in de sneeuw hippen. 14 jaar geleden vloog zij naar een andere wereld. Nu is zij dan toch weer op bezoek.
Ik ben op mijn hoede, als vanouds. Met een schuin kopje staart ze mij aan en zwijgt, ook als vanouds. Zij zit buiten, ik zit veilig binnen. Dat is nieuw. Vroeger was het andersom. Toen kon ze mij niet binnenlaten. Ze zat potdicht. Het had weinig met mij te maken. Ik heb dat nooit willen zien. De mythe van de afwijzing. Ik heb er een scene van gemaakt.
Nu is het te laat. Ik wil pesterig tegen haar zeggen: ho, ho… eerst zingen “laat mij erin” anders kom je er niet in! In de wereld buiten ons huis doen ze dat ook, Mama. Moet ik je dat nog steeds uitleggen?
Vastgevroren patronen uit een tijd die allang voorbij is.
Nu besef ik dat ze het gewoonweg niet kon — hulp vragen. Snel doe ik de balkondeur open. Weg is het roodborstje.






