Home » geheugen » zolder » Gesneden koek

Gesneden koek

Feuilleton (456)


De dakloze Pakmedan viel door een zwart gat en kwam ergens anders weer tevoorschijn. Waar hij was wist hij niet, wanneer evenmin. In de verte trok een stoomlocomotief een witte veeg door het landschap. 1930, schatte hij. Hij herkende de spoorbrug bij de Houtmankade in Amsterdam. De natuurkundige Heisenberg had drie jaar eerder al vastgesteld dat je nooit tegelijkertijd precies kon weten waar iets was en hoe het bewoog. Pakmedan vond dat een geruststellende gedachte.
Bij zijn kar met oude boeken stond een meneer met hoed. Duidelijk van stand. Hij wees op het Verkade-album Herfst dat boven op de stapel lag.
‘Hoeveel, beste man?’

Pakmedan keek naar het boek, toen naar de man.

‘Wat geeft u ervoor?’

‘Een dubbeltje.’

Pakmedan trok een gezicht alsof hem zojuist een familiebezit was ontfutseld.

‘Vijftien cent.’

De man begon door het album te bladeren. Paddenstoelen. Bessen. Vogels tussen rood en geel blad. Op sommige plekken ontbrak een plaatje.

Achter hen klonk metaal op metaal.

De Hembrug begon te dreunen.

Eerst kwam de stoom. Een witte wolk schoof over het water en slokte een stuk van de brug op. Daarna verscheen de locomotief. Zwart, glimmend, sissend. Achter de machine een rij houten rijtuigen.

Voor ieder raam zaten meisjes.

Pakmedan kende die trein.

Amsterdamse meisjes.

Verkade.

De man met de hoed keek nauwelijks op.

‘Twaalf cent.’

Pakmedan antwoordde niet.

In een van de coupés zat een meisje met haar knieën tegen die van haar vriendin.

‘Au, trut, je zit op me poot.’

‘Mot je ’m daar maar niet neerlegge.’

‘Waar dan?’

‘Buite.’

‘Ja, da’s lekker.’

Gelach.

Aan de overkant probeerde een meisje haar haar in het donkere raam te bekijken. Ze likte haar vingers nat en streek een krul tegen haar voorhoofd.

‘Nel, zit ’t zo?’

‘Je ziet d’r niet uit.’

‘Ach, val dood.’

‘Nee, echt. Net me tante Sjaan.’

‘Die is vijftig!’

‘Nou, daarom.’

Weer gelach.

Er ging een sigaret van hand tot hand.

‘Geef ’s hier, gierigaard.’

‘Je heb d’r zelf vanmorgen al drie gerookt.’

‘Ja, en?’

‘Straks ken je niet eens meer werreke.’

‘Da ken ik nou ook al niet.’

Toen siste een meisje bij de deur:

‘Daar heb je ’m.’

De sigaret verdween.

De meisjes gingen recht zitten.

De conducteur schoof de deur open.

‘Goedemorgen, dames. Kaartjes alstublieft.’

‘Môgge.’

Niemand bewoog.

‘Kaartjes.’

‘Wat heb-ie haast.’

‘Ik heb geen haast. Ik wil jullie kaartjes zien.’

‘Nou, vraag ’t dan effe aardig.’

De conducteur keek haar aan.

‘Mag ik alstublieft uw vervoerbewijs zien, mejuffrouw?’

Ze stootte haar vriendin aan.

‘Hoorde je dat, Truus? Mejuffrouw!’

‘Toe maar. Straks vraagt-ie je nog ten huwelijk.’

‘Mot-ie eerst met me ouwe heer komme prate.’

‘Die gooit ’m driehoog van de trap.’

De conducteur zuchtte.

‘Zijn we klaar?’

‘Wij wel. U begon.’

Onder de bank klonk een kuchje.

Het werd doodstil.

De conducteur keek naar beneden.

‘Wat was dat?’

‘Wat?’

‘Daaronder.’

‘Daaronder?’

‘Onder die bank.’

Een meisje boog zich voorover en keek.

‘Niks.’

‘Ik hoorde toch wat.’

‘Muis.’

‘Een muis?’

‘Ja.’

‘Met schoenen aan zeker.’

Onder de bank stonden twee voeten.

Een van de meisjes schopte er snel tegenaan.

De voeten verdwenen.

‘Mot je nou kijke,’ zei Truus ernstig. ‘Nou benne ze weg ook.’

De conducteur zette zijn handen in zijn zij.

‘Eruit.’

Niemand bewoog.

‘Kom. Eruit.’

Heel langzaam kroop een meisje onder de bank vandaan. Haar muts hing scheef en er zat stof op haar jas.

‘Môgge.’

De coupé barstte los.

Zelfs de conducteur moest moeite doen zijn gezicht strak te houden.

‘Kaartje.’

Het meisje klopte haar jas af.

‘Vergete.’

‘Dan betaal je bij.’

‘Waarvan?’

‘Dat is mijn zaak niet.’

‘Nou, dan weet ik ’t ook niet.’

‘Morgen neem je een kaartje.’

‘Morge ben ik ziek.’

‘Dat zei je gisteren ook.’

‘Toen was ik ’t nog niet.’

De conducteur wees naar haar vriendinnen.

‘En jullie houden eens op met dat gedonder.’

‘Wij doen toch niks?’

‘Nee. Jullie nooit.’

Hij schoof de deur dicht.

Even bleef het stil.

Toen zei Nel:

‘Hij hep wel mooie oge.’

‘Ach meid, krijg de kolere.’

De hele coupé gierde het uit.

Buiten schoven het water, de schepen en het staal van de Hembrug voorbij.

Zaandam kwam dichterbij.

Een kwartier speling

De houten wanden van de derde-klasse koes-koepé schudden en trillen op het denderende ritme van de ijzeren wielen. Binnen in de krappe ruimte hangt de zwoele damp van jonge longen en goedkope tabak.

“Gommes, Bet, trek toch niet zoo’n weemoedig gezicht!” schatert Hannes uit, terwijl hij haar met een kameraadschappelijke por bijna van de houten bank drukt. “Laat die bollenkoorts varen, meid, we bennen nog niet aan de poort!”

Betje herstelt met een schok haar evenwicht, trekt haar witte boezelaar recht en lacht door haar bleekheid heen. “Hou je kalm, Hannes! Als de opzichter je zóó ziet dollen, rukt hij je bij je kladden en vlieg je direct den gribus in!”

“Ba! Die ouwe zeurpot,” valt Gerrit de smidsknecht haar bij. Hij heeft zijn pet — zoo’n model van één gulden negentig — brutaal over één oor getrokken en trommelt met zijn zware schoenzolen een lollig deuntje op de vloer. “Nu bennen we nog koning in ons eigen vaarwater! Kom, Bet, zing ons liever dat deuntje van de huppelende zonnestippen!”

Een scherpe lach klinkt op, gul en onbezorgd, zóó oprecht dat zelfs de meest mankelieke reiziger erdoor zou opvrolijken. De jongelui dollen, plagen elkaar met zachte duwtjes en vergetens voor even de kille werkelijkheid die achter de beslagen ruiten wacht.

Dan gilt de stoomfluit. Een snerpend gekrijs van staal op staal snijdt de vrolijkheid abrupt doormidden. De deuren van de coupé vliegen open; de koude, natte ochtendwind slaat hen hard in het gezicht.

Vier kwartier later — neen, amper vijftien minuten! — is de baldadige pret als sneeuw voor de zon verdwenen.

Daar staan ze nu, schouder aan schouder in de klamme, reusachtige fabriekshal waar het donderende en krijschende geweld van de machines de wet voorschrijft. Geen woord wordt er meer gewisseld; de monden zijn stom geworden, de blikken strak. Betjes fijne, beenige vingers vliegen mechanisch en koortsachtig over het koude ijzer van de lopende band. Hannes zwoegt zwijgend tusschen de loeiende raderen, het zweet blinkend op zijn voorhoofd. De motoren draaien, de machines gonzen rusteloos door, maar de geest is voor twaalf lange uren uit de jonge lichamen geweken.

Pakmedan legde het dubbeltje en de drie losse centen in zijn jaszak.

Hij keek naar zijn kar.

Uit de doos van Firma Schrödinger stak weer een staart.

‘Zo,’ zei hij. ‘Jij bent er dus ook weer.’

Aan de overkant begon een nieuwe werkdag.

🦷🦷🦷🦷🦷 ? Voor een overweldigende en duurzame ervaring zeker raadplegen… want dit zijn kunstwerkjes waar de tand des tijds geen vat op heeft

Blader door alle onderwerpen

Snel bladeren