jc BLOEM grafsteen
Home » cultuuruiting » dichtkunst » J.C. Bloem, ‘Het Gesloten Kerkhof’ (Quiet Though Sad 1947)

J.C. Bloem, ‘Het Gesloten Kerkhof’ (Quiet Though Sad 1947)

De dichter betreurt dat een oud verlaten kerkhof is ingesloten door de oprukkende stad. De dichter Bloem woonde voor de oorlog dicht bij de Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Tot de jaren ’20 lag die nog braak in het Oosterpark.

Overgebleven uit een ruimer tijd,
Nu met een nieuwe stad benauwd omgeven
En door goedkope huizen haast verdreven –
Hoelang gunt men ‘t gesteente hier nog respijt?

Dit is den dood niet langer meer gewijd,
Dit kerkhof, schrijn van zo verleden leven,
Dat de herinnering eraan reeds even
Verganklijk werd als zijn verganklijkheid.

Toch moet het eens – hoe kort nog maar geleend?
Alleen gelegen hebben in de weiden,
Met bomen, ruisend in den vrijen wind.

Eenzaamheid en geheim zijn hooploos heen.
Niet die den dood, noch die de liefde lijden
Vinden de stilten, waar men sterft en mint.

Analyse

A. parafrase
(korte samenvatting van het gedicht)

De dichter betreurt dat een oud verlaten kerkhof is ingesloten door de oprukkende stad. Bloem beseft dat zelfs de herinnering aan dit kerkhof vergankelijk zal zijn. Het menselijk tekort is zo immens dat zowel degenen die al lang dood zijn als degenen die moeizaam ‘geliefd en geleefd’ hebben, uiteindelijk niet de stilte zullen vinden.

Context

De dichter Bloem woonde dicht bij de Oosterbegraafplaats die zich vanaf het jaar 1866 achter de Mauritskade bevond. Ongeveer waar nu de achtertuin van het Tropenmuseum zich bevindt. Rond 1892 werd deze begraafplaats verplaats naar de Middenweg (Nieuwe Oosterbegraafplaats) maar kaarten uit die tijd laten zien dat op deze plaats de dodenakker nog lang braak bleef liggen. Zelfs op een kaart van 1921 zien we het knekelveld nog ingetekend, terwijl Het Koninklijk Instituut voor de Tropen (Het huidige ‘Tropenmuseum’) en het Laboratorium voor de Gezondheidsleer (het huidige hostel ‘Generator’ )al gebouwd is.
Het kerkhof is dus ‘met een nieuwe stad benauwd omgeven’.

oosterbegraafplaats in oosterpark

De gedichten van Bloem kenmerken zich door een spanning tussen een verlangen naar een volmaakt verleden en de onvolmaakte werkelijkheid. Dit komt in dit gedicht tot uiting in de tegenstelling tussen de “ruimer tijd” (r1) en het huidige, “benauwd omgeven” (r2) kerkhof.

B. versleer
(herkennen, benoemen en het op waarde schatten van stijlelementen en beeldspraak)

‘Het Gesloten Kerkhof’ is een traditioneel gedicht met een vast metrum en rijmschema:

Sonnet

1. Strofenbouw
1e strofe: kwatrijn (4 regels)
2e strofe: kwatrijn (4 regels)
(volta: wending)
3e strofe: terzet (3 regels)
4e strofe: terzet (3 regels)

2. Rijm
Er sprake van 2 soorten eindrijm
Mannelijk (1-lettergreep) : tijd – respijt
Vrouwelijk (2-lettergrepen):  omgeven – verdreven

Half rijm door assonantie
(gelijkheid van de klinkers van de beklemtoonde lettergrepen (of klinkerrijm))
r6: verleden leven

Halfrijm door alliteratie
(gelijkheid van de medeklinkers (of medeklinkerrijm).
r5  den dood
r13 die den dood,  liefde lijden,


3. Rijmschema

Italiaans sonnet
abba (omarmend)
abba
cde (verspringend)
cde

Volta

De volta zit tussen de octaaf en het sextet.
r13 Toch moet het eens – hoe kort nog maar geleend?
Het woord “Toch” markeert de volta of wending, waarbij de dichter overgaat van de huidige desolate toestand (octaaf) naar een gedachte over het vroegere, geïsoleerde bestaan van het kerkhof. Bevat een tussenzin.

Als je de structuur van dit sonnet (abba cddc efg efg) vergelijkt, is het alsof je naar een goed gebouwd huis kijkt. Het octaaf (abba cddc) zijn de twee funderingsmuren die elkaar stevig omarmen (omarmend rijm), terwijl het sextet (efg efg) een lichtere, meer open dakconstructie vormt die de gedachten van het octaaf afsluit. De volta (Tóch) is de deur die u toelaat om van de ene (benauwde) kamer naar de andere (reflectieve) kamer te gaan.

4. Ritme en metrum en versvoet

Metrum:
Het metrum is de regelmatige afwisseling tussen beklemtoonde (-) en onbeklemtoonde (u) lettergrepen in een gedicht. Wanneer deze afwisseling volgens een vast patroon terugkomt, spreken we van metrum. De steeds terugkerende afwisseling wordt de versvoet genoemd.

1. Vaste Vorm: “HET GESLOTEN KERKHOF” is een sonnet. Bloem wordt gerekend tot de dichters van ‘traditionele’ gedichten die doorgaans een regelmatige vorm en metrum kennen.

2. Jambische Metrum: In de Nederlandse poëzie, zeker in de traditionele dichtvormen zoals het sonnet, is de Jambe de meest voorkomende versvoet. De jambe heeft het patroon: onbeklemtoond gevolgd door beklemtoond (u -).

3. Pentameter: Een sonnetregel telt doorgaans tien of elf lettergrepen en is vaak een pentameter (vijfvoetige versregel).

Bij toepassing op dit gedicht is het metrum overwegend Jambisch (u -), vaak in vijfvoetige vorm (pentameter).

Dit dominante Jambische metrum kan, zoals in veel poëzie, op bepaalde plekken doorbroken worden. Wanneer de regelmatige afwisseling bewust of onbewust wordt doorbroken, wordt dit antimetrie genoemd; dit kan dienen om bepaalde woorden extra nadruk te geven. Een dichter past soms ook elisie toe (het weglaten van een onbeklemtoonde klinker of lettergreep) om het gedicht in een bepaald metrum of ritme te persen. Hij gebruikt dan ‘t in plaats van het.
J.C. Bloem staat erom bekend een breed golvend ritme te gebruiken in zijn poëzie. Dit ritme wordt vaak gevormd door de jambe, die door zijn stijgende karakter (van u naar -) een vloeiende klank geeft.

Als het gedicht in jambische pentameter geschreven is, is het metrum als een constante, rustige hartslag: ta-DÚM, ta-DÚM, ta-DÚM, ta-DÚM, ta-DÚM. Zelfs als er af en toe een onregelmatige slag (antimetrie) tussendoor zit, blijft de luisteraar de verwachte regelmaat voelen, wat bijdraagt aan de eenheid van het gedicht

Elisie
Het weglaten van een onbeklemtoonde klinker of lettergreep, meestal omwille van het metrum of het ritme. (‘t één en ’t ander of   d’ eedlen = de edelen of Neêrland = Nederland) Elisie is vaak een aanleiding om te scanderen.

r4:  Hoelang gunt men ‘t gesteente hier nog respijt? bevat een retorische vraag (een vraag waarop geen antwoord wordt verwacht). De afkorting ‘t is een vorm van elisie (het weglaten van een onbeklemtoonde klinker of lettergreep, meestal omwille van het metrum of ritme)

Antimetrie
(betekent dat het algemene metrum van het gedicht bewust (ter benadrukking van dat woord) dan wel onbewust doorbroken wordt; een lettergreep krijgt dan een klemtoon, terwijl hij deze volgens het metrum niet zou mogen krijgen of andersom)

Enjambement
(Als een (dicht)regel afbreekt op de plaats waar de zin logischerwijze zou moeten doorlopen, omdat er geen natuurlijke pauze valt)
r1 Overgebleven uit een ruimer tijd,
r2 Nu met een stad omgeven.

Beeldspraak

Bij beeldspraak worden zaken uit de werkelijkheid met beeldend taalgebruik op een indirecte of figuurlijke manier omschreven. Zo kan de lezer zich iets goed voorstellen, vaak beter dan wanneer iets uit de werkelijkheid direct omschreven wordt. Met originele beeldspraak krijgen teksten en schrijvers een eigen stijl.

Metafoor

Beeldspraak die berust op vergelijking
r6 Dit kerkhof, schrijn van zo verleden leven,
De term “schrijn van zo verleden leven” kan worden gezien als een asyndetische vergelijking ( een vergelijking zonder verbindingswoord als ‘als’ of ‘zoals’) of metafoor, waarbij het kerkhof wordt vergeleken met een kostbare bewaarplaats of reliekhouder.

Zuivere metafoor
In een zuivere metafoor wordt een vergelijking gemaakt, maar alleen het beeld wordt genoemd. Het object waar het beeld naar verwijst, is weggelaten

Metonymia
Net als bij de zuivere metafoor wordt bij de metonymia wel het beeld maar niet het object genoemd. Groot verschil is, dat er géén overeenkomst is tussen het beeld en het object

Stijlfiguren

Een stijlfiguur is een opvallende, kenmerkende vorm (figuur) van uitdrukken (stijl). In tegenstelling tot beeldspraak hebben stijlfiguren niets met beelden, objecten of figuurlijk taalgebruik te maken; het zijn taaltrucjes.

Twijfel (Dubitatio)
De keuze voor het vreemde ‘geleend’ in r13 is zo’n taaltruc. De regel is ongebruikelijk vanwege de ingevoegde, losstaande vragende zin:
“Toch moet het eens – hoe kort nog maar geleend?
Alleen gelegen hebben in de weiden…”
Deze ingevoegde zin (een tussenzin, gescheiden door gedachtestreepjes) onderbreekt de logische stroom van de hoofdzin. De tussenzin is in feite een uiting van Twijfel (Dubitatio). De dichter drukt onzekerheid uit over de mate waarin het kerkhof nog zijn oorspronkelijke, vreedzame bestaan had. Dubitatio wordt gebruikt om de moeilijkheid of vreselijkheid van een zaak te benadrukken. Hier wordt de onzekerheid en de vluchtigheid van de tijd benadrukt.Hoewel de retorische vraag (“Hoelang gunt men ‘t gesteente hier nog respijt?”) al in regel 4 stond, herhaalt de dichter hier de onzekerheid, maar nu gericht op de geschiedenis van de plek in plaats van op de toekomst. Het woord “geleend” in de vraag impliceert dat het kerkhof, ondanks zijn functie als schrijn voor het verleden [r10], nooit permanent eigendom was, maar slechts tijdelijk is toegestaan in het landschap. Dit sluit aan bij de thematiek van Bloem, waarin vaak de spanning tussen een verlangen naar een volmaakt verleden en de onvolmaakte werkelijkheid centraal staat

Hyperbool

De vergelijking bos en krant is namelijk erg overdreven.

Antithesis

Paradox

Retoriek
r4:  Hoelang gunt men ‘t gesteente hier nog respijt? bevat een retorische vraag (een vraag waarop geen antwoord wordt verwacht).

Personificatie
(r15 “bomen, ruisend”)

Enumeratie
opsomming: r16: “Eenzaamheid en geheim”.

Vergelijking
r12: Verganklijk werd als zijn verganklijkheid

Inversie
(Onderwerp en persoonsvorm omkeren en een zinsdeel er voor zetten)
In de eerste en de een vierde zin van de eerste stofe; in de derde zin van de tweede strofe en de middelste zin in de derde en vierde strofe.

Litotes
(bevestiging door een ontkenning van het tegenovergestelde)

Eufemisme
((spreek uit: uifemisme) is een verzachtende / nette manier van uitdrukken. Meestal doe je dat om iemand niet te kwetsen.)

Understatement
(Bij een understatement zeg je iets ook in voorzichtige bewoording, maar dan met spot.)

C. Interpretatie
( interpretatie van het gedicht, waarbij ook relevante stijlelementen en beeldspraak hun plek moeten krijgen)

-Het kerkhof dat moet verdwijnen staat symbool voor het verlangen naar een verleden dat niet meer bestaat. De ik-persoon verlangt naar zijn jeugd waar ‘Eenzaamheid en geheim’ nog wel bestonden maar ze ‘zijn nu  hooploos heen’. Hij is ouder. Quiet but sad.

-betreuren dat zaken vergankelijk zijn: een mens is vergankelijk want gaat dood, hij rot weg op een kerkhof maar ook dat kerkhof  wordt door de tijd opgenomen en zelfs de herinnering aan dat oude kerkhof verdwijnt:  het toppunt van vergankelijkheid.

🦷🦷🦷🦷🦷 ? Voor een overweldigende en duurzame ervaring zeker raadplegen… want dit zijn kunstwerkjes waar de tand des tijds geen vat op heeft

Blader door alle onderwerpen

Snel bladeren