Brief aan de lezer (70)

Het is voorbij, voorbij… De mooiste herfstkleuren zijn uit de bladeren. De kastanje heeft zich al overgegeven. De iep houdt nog moedig stand. Weldra is elke boom ijselijk kaal. Hoe vaak hebben we dit nu al niet meegemaakt? Het is gebeurd.
Tegelijk denk je dan: wacht effe: vergankelijkheid is op zich ook weer vergankelijk. Zonder dollen. In de lente komt alles weer goed.
Mijn vrouw zegt de laatste tijd in dit geval: “Hou toch op, man! Het is al goed.” Heeft ze natuurlijk gelijk in. De herfst is een prachtig seizoen. Maar daar hoort nu eenmaal een schepje weemoed bij.
Je moet wel oppassen dat de herfstblues je niet overvrouwt. De kans is groot dat je aan de drank raakt. Wel schrijf je dan weer hele mooie gedichten. Dat kunnen we leren van onze beroepsmelancholicus J.C. Bloem. Hij sleet, notabene in mijn buurt in Oost, zijn dagen, rond 1900. Iedereen kent zijn gedicht over de Dapperstraat. Veel minder bekend is zijn ode aan de oude Ooster begraafplaats. In zijn tijd bevond zich namelijk op de plek waar nu het Tropen Instituut staat, een dodenakker. De arme grafzerken moesten wijken voor de oprukkende stad.
De sombere Bloem kon het niet aanzien. Heb je als dode eindelijk dan een eeuwige rustplaats, gaat je steen op de schop. Bloem dichtte:
“Hoelang gunt men ’t gesteente hier nog respijt?”
Bloem beseft dat zelfs de herinnering aan dit knekelveld vergankelijk zal zijn. Het menselijk tekort is zo immens dat zowel de personen die al jaren dood zijn als degenen die “geliefd en geleefd hebben”, uiteindelijk niet de stilte zullen vinden waar ze recht op hebben.
Gelukkig vonden de knekels uit de tuin van het Tropen Instituut een nieuwe halte aan de Middenweg. De nieuwe Ooster begraafplaats is een paradijs.
Het zal nog wel even duren voordat ook deze ‘nieuwe’ dodenakker op de schop gaat. Met een QR-code op je zerk lig je daar nog wel veilig — maar reken maar eens ben je de sigaar.
Marlin






