“Vroeger dacht men dat de vliegenzwam ( 112) heel erg vergiftig was, maar nadat men wist, dat de Lappen hem eten, heeft een ondernemende schoolmeester in Duitsland er zich een schoteltje van toebereid en dat is hem best bekomen, al moest hij ook bekennen, dat ‘t nu juist niet bepaald smakelijk was. We behoeven dus dezen prachtigen paddestoel niet meer met angst te naderen. Er zijn wel menschen, die voor geen geld ter wereld hem zouden willen aanraken. Dat is erg overdreven. Er is geen enkele paddestoel, hoe vergiftig ook, waarvan de aanraking alleen reeds schadelijk zou kunnen zijn. Zelfs kunt ge van de allervergiftigste altijd nog gerust een brokje van een paar kubieke millimeter in den mond nemen, om te proeven, want dat is voor ‘t bepalen van de soort soms noodig. De vliegenzwam dan heeft een blinkend witten steel met een komvormige verdikking onderaan en een witte manchet. De hoed zelf is prachtig rood, met blinkend witte schubben bezet. Meestal groeit hij in groepjes en dikwijls in kringen. Heel veel paddestoelen vertoonen zich in kringen, dat komt doordat de zwamvlok z.ich naar alle kanten door den grond uitbreidt en doorda.t de sporendragers zich meestal ontwikkelen op den rand van de zwamvlok. Daar wisten onze bijgeloovige voorouders natuurlijk niets van en die maakten zich toen van de zaak af door die kringen “heksenkringen” te noemen en er allerlei ijselijkheden bij te bedenken.”
J.P. Thijsse, Herfst (6e facsimiledruk; Utrecht 1997), 40





