Bekijk de Geheugen Groeve op mijn zolder
De vierkante lamp van koper en messing, met ronde glazen vensters, hebben wij ooit uit Yorkshire meegenomen. Uit een verlaten — althans dat zei mijn moeder 😊 — spoorhuisje, ergens langs een opgeheven lokale spoorlijn bij Leyburn – Richmond. Nu hangt hij bij mij in de gang.
De lamp heeft met zijn donkerbruin verweerde patina-laag een zichtbaar gebruikt verleden. Dat maakt hem extra mooi.
Tijdens de loting van de spullen van mijn overleden moeder viel de oude Engelse spoorweglamp mij toe. Hij heeft altijd in onze huiskamer gehangen. Ik was er heel blij mee. De vierkante lamp van koper en messing, met ronde glazen vensters, hadden wij ooit uit Yorkshire (GB) meegenomen. De lamp kwam uit een verlaten — althans dat zei mijn moeder — spoorhuisje, ergens langs een opgeheven lokale spoorlijn bij Leyburn, het gehucht bij Richmond. Daar lag onze camping: Akebar Park. Hij stond midden op tafel toen we het huisje binnen gingen. Echt idioot in het verhaal is dat toen we thuis kwamen, we ontdekten dat de lamp nog brandde. Zo verlaten was het huisje dus niet geweest. Mijn moeder deed er lacherig over. Mijn vader vond het gênant maar liet het gaan, zoals zo vaak wanneer zijn vrouw handelde tegen zijn principes in. Als jongen van tien vond ik het toen een mooie buit, na een avontuurlijke wandeling. Ik begon hem voor mijn moeder op te poetsen.
Rommelmarkt. Tweedehands.
Het zijn woorden die bij mij een abnormale, diepe weerzin oproepen. Nog steeds. Nu ik iets wil schrijven over de spoorweglamp die afkomstig is uit de inboedel van mijn ouders zijn het de eerste woorden die bij mij opkomen. De associatieve relatie is interessant. Waar appelleert dit voorwerp nu in mijn Geheugen Groeve aan? De lamp komt helemaal niet van een rommelmarkt en is gebruikt, dat lijkt me evident.
Rommelmarkt. Tweedehands. Gelukkig worden deze woorden steeds minder gebruikt. Tweedehands is veranderd in vintage. Rommelmarkt hoor je nog wel, maar vaker is het vrijmarkt of kringloopmarkt. Mijn neurotische reacties op deze woorden zijn daardoor minder heftig geworden. Vooral de connotatie van vintage is uitermate positief. Ook bij mij.
Vintage is geen rommel. Juist door het verouderingsproces hebben sommige voorwerpen meerwaarde gekregen. Het is patina: een unieke, doorleefde uitstraling. Dit geldt minder voor tweedehands kleren. Die zijn nu ook in vintage winkels te verkrijgen, vreemd genoeg. Dat ruik je direct als je zo’n winkel binnen stapt. Maar een metalen doosje vol met medailles, een veel gebruikte brillenkoker of een sleutelhanger van Flipje uit de Betuwe kan ontroeren. Het is waardevol.
Zo ook deze spoorweglamp. Het is niet alleen de oxidatie van metaal en het ouderwetse, vierkante ontwerp met het ronde, koperen schoorsteentje bovenop dat vertedering opwekken. Je droomt meteen weg naar een groen Engels landschap in de jaren ’30. Je ziet de ziel in de lamp zitten.
De lamp is donkerbruin uitgeslagen en ademt in alles een spoorwegverleden dat niet meer bestaat. Je hoort meteen de stoomfluit van een locomotief schallen. Als een zwarte rups zie je het gevaarte door een groen dal met ommuurde akkertjes puffen. Ik zie een oude seinwachter met pet langs het spoor sjokken, de lamp traag zwaaiend van links naar rechts.
Mijn moeder was altijd gelukkig als we in dit deel van Engeland waren. Ze kende de streek al van de serie over de veearts James Harriot uit Yorkshire. Het was ook mijn favoriete serie. We keken vaak samen en moesten altijd lachen om Tristan, de student veterinaire geneeskunde die niet wilde deugen.

Mijn moeder had een haarfijn gevoel voor wat men nu vintage noemt — een woord dat zij zelf nooit zou hebben gebruikt. Zij zei tweedehands of gebruikt. Of gewoon mooi. Dit soort waardevolle vondsten doen op een rommelmarkt of bij een uitdragerij was haar lust en haar leven. Als kind ging ik mee naar de rommelmarkt. Daar lagen tweedehandsspullen.
Toch is het iets anders dan antieke spullen bekijken op een veiling. Het is voornamelijk troep, met hier en daar een verrassing. De meeste spullen waren afgedankt in onze consumptiemaatschappij: stuk, versleten of te klein of uit de mode. Er was altijd wel iets mee. Ik vond het altijd een grote teleurstelling. Als kind haatte ik het om tussen al die troep te dwalen, zonder iets van waarde te ontdekken. Maar goed. Heel soms lag er iets moois tussen de lp ‘Alle zestien goed’ en de Viewmaster met een kapotte lens . Als je in staat was om het ook nog voor weinig te kopen dan was je thuis een held. En welk kind wil dat nu niet zijn.
Roald Dahl, een favoriete schrijver van mijn ouders, schreef een kort verhaal dat altijd een soort voorbeeld is geweest voor mijn moeder. In “Parson’s Pleasure” (uit de bundel Kiss Kiss) verkoopt iemand zonder de waarde te kennen, een zeldzame, antieke Chippendale commode aan een slimme opkoper. Op zo’n ontdekking hoopte mijn moeder. Maar op geen enkele rommelmarkt vonden we zo’n verborgen schat. Wat een tragiek. En waarom niet iets moois gewoon op een antiek markt kopen en er een hoog bedrag voor betalen als je het zo graag wilde hebben? Ik heb het nooit begrepen…
Tweedehands. De frustratie zit diep. Dat durf ik nu wel te stellen. Nog steeds kan ik genieten van een verpakking met een prijskaartje. Onomstotelijk bewijs dat iets spiksplinter nieuw is gekocht en niet tweedehands. Wat een cadeau!
Als ik het woord rommelmarkt opvang in een ruimte waar mensen met elkaar kletsen, voel ik een snerpende pijn in mijn buik. Schaamte. Een kriebel bij mijn kaken van het schaamrood. Ik krijg het benauwd en denk: waar is de uitgang? Weg hier.
Daarna voel ik me schuldig tegenover mijn moeder. Ik heb haar iets aangedaan. Ze is verdrietig en dat is mijn schuld. Tegelijk ben ik woedend op de hele situatie. Godverdomme.
Ik heb deze reactie sinds de middelbare school.
Nu ik dit opschrijf, klinkt het allemaal belachelijk. Ook daar schaam ik mij weer voor. Het gebeurt allemaal in het heden, terwijl het een reactie is op mensen die al lang overleden zijn — mijn moeder — of waar ik geen contact meer mee heb — mijn zus. Die constatering is opnieuw pijnlijk. Ben je daar nou nóg steeds niet klaar mee?
Voer voor psychologen. Zeker voor IFS-specialisten. Want na de schrikreactie hoor ik een voice dialogue in mijn hoofd. Mijn zus, de waakhond van mijn moeder, zegt driegend in mijn hoofd ‘Stel je niet zo aan, debiel. Wees blij dat mama alle tweedehands markten afloopt voor jou.’
En mijn moeder zegt verontwaardigd:
‘Pfff. Meneer is zeker van een hoge stoep gevallen en te goed voor tweedehands.’
Dat roept die Spoorweglamp uit Yorkshire allemaal bij mij op. Nu zie ik met meer afstand dat mijn moeder mij met haar belangstelling voor gebruikte spullen, een gevoel voor schoonheid heeft meegegeven. Ik zie soms de ziel zitten. En het inspireert mij nog steeds om het verhaal van de ziel achter zo’n lamp te reconstrueren. Waarvan akte:
ChatGPT vertelde mij, gebaseerd op gecheckte bronnen, het volgende verhaal over deze lamp.
De ‘welch patent‘ spoorweglamp
Een Welch Patent spoorweglamp, geproduceerd door Lamp Manufacturing & Railway Supplies Ltd. (Londen), is een olielamp die in de vroege 20e eeuw werd ontworpen voor gebruik op het spoorwegnet. Deze lampen dragen vaak inscripties zoals “B.R. (E)” – wat staat voor British Railways (Eastern Region) – en een registratienummer (Rd No. 711206 in dit geval) . Op de bodem van het metalen reservoir staat in reliëf een letter, bijvoorbeeld een “M”, die vermoedelijk verwijst naar de regio of het type lamp . De afgebeelde lamp hieronder is een vergelijkbaar exemplaar met de kenmerkende vierkante olietank (met letter M) en het koperen schoorsteentje; aan de voorzijde is het messing fabrieksplaatje zichtbaar met de tekst “Lamp Manufacturing & Railway Supplies Ltd, London – Sole Owners & Manufacturers – Welch Patent”. Dit rapport onderzoekt de functie en het gebruik van deze lamp in de spoorweghistorie, in het bijzonder hoe spoorwegpersoneel de Welch Patent-lamp toepaste (bijvoorbeeld voor rangeerwerk, inspectie en signalering). Verder belichten we de betekenis van de “Welch Patent”-aanduiding en hoe deze lampen werden ingezet op het Britse spoorwegnet in de 20e eeuw. We leggen ook een link met de vindplaats – een verlaten spoorweghuisje bij een opgeheven lijntje in de omgeving van Leyburn/Richmond (North Yorkshire) – door te kijken naar de betrokken spoorwegmaatschappijen en historische lijnen aldaar. Ten slotte bespreken we de huidige verzamelwaarde van deze lampen, met informatie over veilingen, museale objecten en de zeldzaamheid van dit type spoorweglamp.
Ontwerp en de Welch Patent innovatie
De Welch Patent lamp werd ontwikkeld in de vroege 20e eeuw en valt op door haar robuuste, functionele ontwerp. Het is een metalen lantaarn met een vierkant reservoir (olietank) en een stevige beugel als draaghendel . Bovenop bevindt zich een klein conisch schoorsteentje van koper met een afsluitklepje (vastgezet met een kettinkje), dat diende om de rook af te voeren en de vlam te beschermen tegen wind . De lamp heeft aan voor- en achterzijde ronde glazen vensters (een groter venster aan de voorkant, vaak met koperen rand, en een kleiner venster of opening aan de achterkant) . De zijkanten bevatten eveneens ronde openingen of vensters, waarvan er één doorgaans een deurtje is voor toegang tot de brander. Via dat scharnierende deurtje kon men de brander aansteken, bijstellen of bijvullen . Het geheel is vervaardigd uit staal met elementen van koper en messing, wat de lamp duurzaam maakte voor gebruik in weer en wind .
“Welch Patent” aanduiding: Het messing fabrieksplaatje op de lamp vermeldt “Sole Owners & Manufacturers – Welch Patent” . Dit geeft aan dat Lamp Manufacturing & Railway Supplies Ltd. de exclusieve licentiehouder en producent was van deze gepatenteerde lamp. De term Welch Patent verwijst naar een speciale branderconstructie ontwikkeld door (of vernoemd naar) iemand met de naam Welch. Deze innovatie was technisch zeer belangrijk: de Welch-brander bevatte twee platte wieken parallel naast elkaar in één brander, en had een grote oliereservoir-capaciteit . Dankzij dit ontwerp kon de lamp uitzonderlijk lang branden – tot wel acht dagen onafgebroken op één vulling petroleum . Voor de spoorwegen was dit een groot voordeel: seinen en lantaarns op afgelegen locaties hoefden zo niet dagelijks te worden bijgevuld, wat arbeidsuren uitspaarde en de bedrijfszekerheid verhoogde. De dubbele wick (duplex) brander met een speciale conische bovenstuk zorgde voor een gelijkmatige en zuinige verbranding; zonder het bijbehorende bovenstuk zou de brander niet correct functioneren . Deze techniek was vergelijkbaar met de duplex-oliebranders die in huishoudelijke lampen van de late 19e eeuw werden gebruikt, maar de Welch Patent versie was geoptimaliseerd voor langdurig gebruik in spoorwegseinen.
Registratie en merktekens: Het model is geregistreerd onder designnummer RD No. 711206 (zoals op de lamp geponst) . Sommige vergelijkbare lampen noteren RD No. 711205 – vermoedelijk een variant of opvolgend patentnummer – maar in wezen gaat het om dezelfde ontwerpregistratie uit die periode. Op de lamp zijn doorgaans ook initialen van de spoorwegmaatschappij of regio aangebracht. Bij exemplaren uit de Britse Rail-tijd zien we bijvoorbeeld “B.R. (E)” voor British Railways Eastern Region , “B.R. (M)” voor London Midland Region, “B.R. (S)” voor Southern Region, etc. De lamp die in North Yorkshire is gevonden, draagt B.R.(E) en heeft een “M” in reliëf op de tankbodem. Dit lijkt paradoxaal (EasteRN regio vs. Midland letter), maar er zijn meerdere gevallen bekend van dergelijke mix: zo documenteert de National Trust een Welch Patent lamp met BR(M) op het deksel én letter “M” op het reservoir , terwijl een andere veiling een BR(E) lamp met letter “S” op de bodem beschreef . Waarschijnlijk duidt de letter op de oorspronkelijke eigenaar of het type: M kan staan voor Midland (LMS / BR Midland Region) en S voor Southern. Dit suggereert dat onderdelen uitgewisseld zijn of dat lampen in de loop der jaren door verschillende regio’s zijn overgenomen. Het is goed mogelijk dat de in Leyburn gevonden lamp oorspronkelijk tot de LMS of Midland Region behoorde (vandaar de M), maar later in gebruik was bij Eastern Region (ex-LNER) – bijvoorbeeld na nationale integratie van materiaal rond de Tweede Wereldoorlog. In elk geval bevestigt het opschrift “B.R. (E)” dat de lamp tijdens zijn diensttijd onderdeel was van de inventaris in Brits Oost-/Noordoost-Engeland.
Gebruik in de praktijk door spoorwegpersoneel
Als seinlamp (stationaire toepassing): De primaire functie van de Welch Patent lamp was het verlichten van spoorwegseinen en andere veiligheidsobjecten. Veel mechanische seinen (zoals hooggeplaatste semafoorarmen) hadden een uitsparing waarin een olielamp werd geplaatst. De Welch-lamp fungeerde dan als seinlamp-interieur: de lamp werd van achter in de seinpaal geschoven, zodat haar voorste lens achter de gekleurde glaasjes (“spectacle glasses”) van het semafoor kwam te zitten . Wanneer de seinarm omhoog of omlaag ging, wisselde het zichtbare gekleurde glas (rood of groen) voor de machinist, terwijl de lamp zelf continu wit licht gaf. Door het witte lamplicht door het rode of groene seinlens te schijnen, zag de treinbestuurder het juiste seinbeeld (stop of doorgaan). Dankzij de Welch Patent brander – die lang zonder toezicht kon branden – bleef het sein dagenlang verlicht, zelfs op afgelegen trajecten . Een vrijwilliger-seinlampist merkte op dat deze lampen tot acht dagen konden branden zonder bij te vullen , wat cruciaal was voor sporen waar dagelijks onderhoud lastig was.
Naast seinarmen werden deze lampen ook gebruikt op rangeerheuvels, bufferstops en overweghekken. Bij een bufferstop (stootblok) of een gesloten spoorwegovergang moest ’s nachts een rode lamp zichtbaar zijn voor naderende treinen. Vaak waren er gietijzeren lampbehuizingen op dergelijke objecten gemonteerd, waarin men hetzelfde type olie-interieurlamp plaatste . De vierkante Welch-lampen met grote reservoirbasis waren hier zeer geschikt voor; sommige uitvoeringen hadden aan twee zijden vensters, zodat één lamp zowel naar twee kanten licht kon uitstralen (bijvoorbeeld op een dubbelsporige overweg of aan beide zijden van een buffer). Railway enthusiasts op een forum bevestigden dat de vierkante basis-variant vaak in Norfolk op bufferstops werd gevonden, soms met een plaatje dat de locatie droeg . Het personeel hoefde deze lampen slechts wekelijks (in plaats van dagelijks) te controleren, wat de veiligheidsdiensten efficiënter maakte.
Als handlamp voor personeel: Naast stationaire seinverlichting, kon de Welch Patent lamp dienen als draagbare sein- en inspectielamp. Britse spoorwegmedewerkers zoals rangeerders (shunters), treinbegeleiders (guard/brakeman) en inspecteurs gebruikten olielantaarns om signalen te geven en om ’s nachts te verlichten waar nodig. De LNER (London & North Eastern Railway) had bijvoorbeeld een standaard handlamp ontwerp waarin het Welch Patent-principe toegepast werd . Zulke handlampen waren doorgaans drie- of vierzijdig: ze hadden bijvoorbeeld een helder glas (wit licht) aan de voorzijde, een rood glas aan de achterzijde (om als sluitlicht/tail lamp te dienen) en soms een groen of blauw filter dat kon worden voorgezet voor specifieke signalen. Met de draagbeugel kon men de lamp rondzwaaien om seintekens te geven (bijv. een witte lamp op en neer bewegen voor “vooruit rijden”, of een rode lamp heen en weer zwaaien voor “stop”) – een gangbare praktijk bij rangeerbewegingen en vertrekseinen in de 20e eeuw. De Welch Patent handlamp was relatief zwaar maar zeer betrouwbaar, en de felle dubbele-wiek vlam (vergelijkbaar in sterkte met huislantaarns) zorgde dat signalen duidelijk zichtbaar waren.
Bovendien gebruikten personeel deze lamp voor inspectie van rollend materieel en infrastructuur. Een rangeerder of conducteur kon de lamp gebruiken om koppelingen te controleren, remmen na te lopen of de trein te flankeren bij stilstand in het donker. De oliebranders gaven een stabiel licht en dankzij het lange brandvermogen kon een lamp de hele nacht meegaan. Britse spoorwegen introduceerden na de Tweede Wereldoorlog weliswaar steeds meer elektrische (accu)lampen, maar in de jaren 1950 waren oliehandlampen als deze nog volop in gebruik, vooral in afgelegen lijnen zonder elektrificatie. Dat de in Leyburn gevonden lamp het stempel B.R.(E) draagt, duidt erop dat hij in dienst was bij British Rail’s Eastern / North Eastern Region. In North Yorkshire (destijds BR’s North Eastern Region, later samengetrokken met Eastern Region) werden dergelijke lampen gebruikt tot in de jaren 1960, totdat geleidelijk elektrische seinlampen en retroreflecterende borden de olieverlichting vervingen.
Technische voordelen: De keuze voor de Welch Patent lamp door spoorwegbedrijven kwam voort uit zowel praktische als veiligheidsredenen. De dubbele wieken leverden een helderder licht dan een enkele wiek, wat de zichtbaarheid van signalen verbeterde. Tegelijk kon men de vlam lager zetten om zuiniger te branden zonder dat ze doofde – de brede brander hield beter warmte vast. Het grote olie-reservoir in de vierkante voet kon genoeg kerosine bevatten voor een week branden . Dit betekende dat een lamp bijvoorbeeld op maandag gevuld en aangestoken kon worden, en bij normaal gebruik pas na het weekend weer bijgevuld hoefde te worden, een enorme logistieke verbetering. In de praktijk zal men meestal niet echt acht dagen gewacht hebben (veiligheidshalve werden lampen vaak om de paar dagen gecontroleerd), maar het gaf flexibiliteit om bijvoorbeeld in het weekend minder personeel in te zetten voor seinonderhoud. De Welch Patent onderscheidde zich hiermee van oudere olielampen die hooguit één nacht of enkele dagen brandstof hadden.
Connectie met Leyburn/Richmond en historische spoorlijnen
De lamp is aangetroffen bij een verlaten spoorweghuisje in de buurt van Leyburn/Richmond, in het district Richmondshire (N.-Yorkshire). Dit gebied kent twee relevante spoorlijnen uit de geschiedenis:
- De Wensleydale-lijn (Hawes Branch): Deze lokaalspoorlijn verbond Northallerton via Bedale en Leyburn met Hawes in Wensleydale. De lijn werd in fases gebouwd door voorgangers van de North Eastern Railway (NER) en bereikte Leyburn in 1856 . In datzelfde jaar werd de lijn doorgetrokken tot Hawes, waar hij aansloot op een zijlijn van de Midland Railway (MR) . Die aansluiting maakte een oost-west route mogelijk – strategisch van belang voor bijvoorbeeld militair vervoer tijdens de Eerste Wereldoorlog – en illustreert dat de NER en Midland Railway in deze regio samenkwamen. (Deze historische link verklaart de mogelijke aanwezigheid van “Midland” materieel; zo zou de M-gemarkeerde lamp ooit via LMS/Midland in de regio terechtgekomen kunnen zijn.) Na 1923 viel de Wensleydale-lijn onder de LNER. Personenvervoer werd gestaakt in 1954, al bleef een klein deel (Hawes – Garsdale) tot 1959 bereden . Goederen- en militair vervoer (bijvoorbeeld naar Camp Centuur in Catterick) ging door tot in de jaren ’60. Ten tijde van nationalisatie (1948) was de lijn onderdeel van British Railways North Eastern Region, welke in 1967 opging in de Eastern Region – overeenkomend met de BR(E) markering op de lamp. Het is aannemelijk dat de seininrichtingen langs deze lijn gebruikmaakten van Welch Patent olielampen, zeker in de eerste decennia na de oorlog toen elektrische seinen daar nog niet aanwezig waren.
- De Richmond-tak: Een andere spoorlijn in de omgeving was de tak van Eryholme (aan de East Coast Main Line) naar Richmond, geopend in 1846 door de York, Newcastle & Berwick Railway (later NER). Richmond was eindpunt van dit doodlopende lijntje door Swaledale. Ook deze lijn kwam via de LNER bij British Rail (N.E. Region) terecht. Personenverkeer werd hier in 1968 beëindigd en de lijn sloot geheel in 1969. Gezien de sluitingsdatum viel dit net in de periode dat North Eastern Region fuseerde met Eastern Region, dus materieel zou in de jaren ’60 als B.R.(E) gemerkt kunnen zijn. Het verlaten spoorweghuisje waar de lamp is gevonden, zou bijvoorbeeld een oud seinhuisje, baanwachtershuis of rangeerdershut van een van deze lijnen kunnen zijn. Het is goed denkbaar dat de lamp ter plaatse achterbleef na opheffing van de lijn – misschien als vergeten inventaris of opzettelijk bewaard door een oud-medewerker.
Gezien de Britse spoorwegreorganisatie droegen alle voormalige LNER-lijnen in Yorkshire na de jaren ’50 de regionale code “E” (Eastern). De Welch Patent-lamp past daar goed in: LNER had dergelijke lampen al in de jaren ’30 toegepast , en na 1948 zette British Rail dit voort in de oostelijke regio. De aanwezigheid van de letter M op de tank kan duiden op een herkomst uit de London Midland Region – bijvoorbeeld als de lamp ooit van een elders gesloten lijn of depot is overgeplaatst naar Yorkshire. Dergelijke hergebruik was niet ongewoon; spoorwegen waren zuinig en herverdeelden materiaal tussen regio’s indien nodig. Zo zijn er exemplaren bekend met een basisplaatje met locatie-inscriptie (bijv. “Wood Green” of “Kings X” voor gebruik in Londen) die later elders opdoken . In dit geval zou M ook voor Midland kunnen staan omdat de lamp mogelijk ooit aan de LMS toebehoorde voordat zij bij BR Eastern terechtkwam. Dit blijft deels speculatie, maar het illustreert de verwevenheid van spoorwegmaatschappijen: in de regio Leyburn kruisten NER/LNER en Midland wegen, en de gevonden lamp belichaamt wellicht iets van die gecombineerde geschiedenis.
Historische kaarten en lijnen: Wanneer we oude spoorwegkaarten van Richmondshire raadplegen, zien we dat zowel de Wensleydale-lijn als de Richmond-tak een aantal zijsporen, stations en baanwachtersposten hadden. Elk daarvan was uitgerust met de nodige verlichting. Bijvoorbeeld, Leyburn station had klassieke semafoorseinen die tot de sluiting door olie verlicht werden (de huidige erfgoedlijn Wensleydale Railway gebruikt nog steeds historische olielampen bij speciale gelegenheden). Een baanwachtershuisje bij een overweg in die buurt zou standaard een handlamp hebben voor de wachter, en seinlampen voor de overwegbomen. De vondstlocatie – “een verlaten spoorhuisje bij een dood spoorlijntje” – suggereert dat dit wellicht een kleine post was langs de lijn. Zo’n post zou één of twee Welch-lampen toegewezen hebben: één voor het vaste sein (bijv. een waarschuwingslicht bij het doodlopende eindpunt of een bufferstop in de buurt), en één als draaglamp voor de spoorwegmedewerker ter plekke. Het feit dat de lamp niet is meegenomen tijdens de ontmanteling kan betekenen dat hij al defect of overcompleet was, of eenvoudigweg vergeten tussen de rommel van het verlaten gebouw.
Verzamelaarswaarde, musea en zeldzaamheid
Voor spoorweg-enthousiastelingen en verzamelaars geldt de Welch Patent lamp tegenwoordig als een gewild object. Originele exemplaren duiken met enige regelmaat op in veilingen en verzamelbeurzen. Zo werd een LNER-genummerde Welch Patent lamp onlangs verkocht voor £85 in een veilingshuis , en een vergelijkbare B.R.(E) gemerkte lamp haalde circa £55 op een veiling in 2022 . Afhankelijk van de conditie – compleet met brander en glazen, of juist zwaar verweerd – liggen de prijzen doorgaans in de orde van tientallen tot enkele honderden euro’s. Een antiekhandel beschreef een dergelijk exemplaar (met fabrieksplaatje en intact mechaniek) als “zeldzaam en authentiek stuk Britse spoorweggeschiedenis” en vroeg er rond £130 voor . Vooral lampen die nog de originele dubbele-wiek brander hebben (inclusief het vaak ontbrekende conische bovenstuk) zijn gezocht, aangezien deze onderdelen veelal verloren zijn gegaan of beschadigd raakten in de tijd.
In museumcollecties zijn Welch Patent lampen ook vertegenwoordigd. Het Science Museum Group (waaronder het Nationaal Spoorwegmuseum in York) bezit bijvoorbeeld een Welch’s Patent seinlamp-interieur van de LNER, gedateerd omstreeks 1930 . De National Trust bewaart een vergelijkbaar model in Penrhyn Castle (Wales), compleet met opschrift BR(M) en registratienummer, als onderdeel van hun technologische erfgoedcollectie . Dergelijke objecten worden tentoongesteld als voorbeelden van spoorwegtechniek uit het stoomtijdperk. Ze illustreren hoe ingenieurs creatieve oplossingen vonden voor operationele problemen – in dit geval langeafstand-signalering zonder elektrische voeding.
Internationale interesse is aanwezig maar beperkt tot niche-verzamelaars. Omdat deze lampen specifiek Brits zijn qua ontwerp en toepassing, zijn de meeste exemplaren in omloop terug te vinden in het Verenigd Koninkrijk of Ierland (zelfs op lokale verkoopsites duiken ze op voor £40-£80 ). Toch duiken incidenteel Welch Patent lampen op bij internationale veilingen of online platforms buiten het VK, vaak via eBay of gespecialiseerde dealers. Een voorbeeld is een Welch Patent lamp met opschrift B.R.(S) (Southern Region) die via eBay.com in de Verenigde Staten werd aangeboden als curiosum – vermoedelijk meegenomen door een verzamelaar of expat. Spoorwegfans in landen als Nederland, Duitsland of Australië tonen ook belangstelling voor Britse railwayana, dus het is niet ongebruikelijk dat zo’n lamp in een buitenlandse collectie belandt.
Zeldzaamheid: Hoewel deze lampen bijna 100 jaar oud zijn, kan men ze niet als uniek beschouwen – de spoorwegen hadden er duizenden in gebruik, verspreid over alle regio’s. Veel zijn echter verloren gegaan bij de transitie naar elektrische verlichting in de jaren ’60 of simpelweg gesloopt. Dat maakt authentieke exemplaren in goede staat zeker waardevol voor verzamelaars, maar ze komen nog geregeld boven water bij opruimingen van oude stations, loodsen of van generatie op generatie doorgegeven memorabilia. Hun relatieve overvloed binnen de railwayana-markt houdt de prijzen gematigd: voor een veel zeldzamere lamp (bijvoorbeeld van voor 1900 of van een obscure spoorwegmaatschappij) betalen verzamelaars vaak meer. De Welch Patent is eerder gewild vanwege zijn technische verhaal dan vanwege extreme zeldzaamheid.
Samenvattend vertegenwoordigt de Welch Patent spoorweglamp een fascinerende combinatie van technisch vernuft en spoorweghistorie. In de 20e eeuw bood deze lamp een betrouwbare, langdurige verlichting voor spoorwegseinen en -personeel, van de drukke rangeerterreinen tot de stille landelijke lijntjes van North Yorkshire. De aanduiding Welch Patent herinnert ons aan de uitvinding die dit mogelijk maakte – een dubbele-wiek brander die destijds hoogstaand was. Tegenwoordig leeft de lamp voort als verzamelobject en museumstuk, waarmee het verhaal van de spoorwegen in de olielampentijd levend wordt gehouden voor nieuwe generaties.
Bronnen:
Het bovenstaande is gebaseerd op historische documentatie en recente veilingsrapporten van vergelijkbare lampen, waaronder gedetailleerde beschrijvingen uit museuminventarissen en bijdragen van spoorweghistorische fora en databases . Deze bronnen bevestigen de technische specificaties van de Welch Patent lamp en illustreren het gebruik ervan op het Britse spoorwegnet in de 20e eeuw. Ze koppelen het object ook aan regionale spoorweggeschiedenis (LNER, BR Eastern Region) en tonen de huidige verzamelwaarde via veilingresultaten. Hierdoor ontstaat een compleet beeld van zowel de functionele rol als het cultuurhistorische belang van de Welch Patent spoorweglamp.






