EERSTELINGEN
…eerder dan de menschen, die op de kalender afgaan, en meenen, dat de Lente den eenentwintigsten Maart haar intocht doet.
Mij dunkt, ik hoor die
zanglijster (1)
al lachen! 21 Maart, begin van de Lente?
Maar dan zitten wij al lang in de zorgen! Neen hoor, de ware pret begint al, wanneer de dagen weer langer worden, zoo in het begin van Januari. Hoor maar eens, wat de andere vogels er van zeggen .
En waarlijk, daar gaat hij zitten in den hoogsten top van zijn geliefkoosden abeel of iep en roept ze allen op. Want de zanglijster is alle talen machtig en ‘t kost hem niet de minste moeite, om in één adem koolmees en pimpelmees, roodborst en huis musch, wulp en spreeuw toe te spreken, ieder in zijn eigen dialect.
Uit pure vreugd en baldadigheid gooit hij daar nog allerlei geluiden tusschen in van eigen vinding: mooie loopjes en melodieën en afschuwelijke krijsch- en sisgeluiden, net a is een kwajongen, die al tamelijk goed viool kan spelen, maar ‘t niet kan laten , om zijn instrument van tijd tot tijd te gebruiken als speelgoed.
Dag aan dag zit hij in denzelfden boom, dikwijls op denzelfden tak zijn blijdschap uit te galmen, eerst alleen in de morgenuren bij dooiweer, dan ook tegen zonsondergang en eindelijk heele dagen lang, onverschillig wat weer het is. Al hagelt, regent en sneeuwt het tegelijk, het hindert hem niet. Alleen, wanneer er onverwacht weer eens een winterweekje komt en de grond hard bevriest, zoodat hij niets anders te eten kan vinden, dan wat bevroren hulstbessen of onrijpe klimopvruchten, dan verstomt zijn lied en dan kan hij in een paar dagen geweldig afvallen, zoodat hij ten slotte niet meer is dan vel over been.
Doch zoodra de thermometer boven nul staat, begint de vreugd opnieuw. Deze afwisseling van bitteren strijd en uitgelaten vreugde maken de eerste lenteweken tot den heerlijksten tijd van het jaar, vol pit, fermheid en blijdschap.
Den eenen dag verdringen de musschen (4) zich hongerig en haveloos om het voeder bakje, den volgenden zitten ze onbezorgd en voldaan gezellig te sjielpen in de kale hoornen. Wat ze elkander daar te verhalen hebben is een raadsel, maar zeker is het, dat de zon erbij betrokken is, want ieder straaltje vangen ze op tusschen de halt opgerichte grijze veeren. En als de zon op ‘t punt is onder te gaan, dan is hun gezelschap ‘t grootst en het gesjielp op zijn luidruchtigst.
Blijft het zonnige weer aanhouden, dan sleepen de musschen dra met vezels en strootjes en dat beteekent nesten bouwen. Die vogels hebben het onder de bescherming van onze huizen en daken al zoover gebracht, dat zij den winter soms totaal negeeren en kale jongen hebben met Nieuwejaar. Maar dat lijkt ons een afdwaling der natuur, veroorzaakt door het stadsleven.
Doch in Februari, dat is wat anders. Dan gaat de zanglijster ook al bouwen en de meezen ontbinden gaandeweg hun groote winterlegers e~ trekken bij kleine troepjes, ten slotte zelfs bij paren door het land.
Wie de meezen voert met spekzwoord of soepbeentjes, vet in een notedop of een kokesnoot – alles opgehangen in de hoornen – kan dat gemakkelijk waarnemen. In den winter komen heele troepen op ‘t voer af. Niet, dat ze alle tegelijk eten, 0 neen, dat gaat bij beunen: de sterkste het eerst en dan wippen de andere ongeduldig door het hout onder het uiten van hun klokjesheldere loktonen. Het zijn meest koolmeezen, ( ) met zwarten kop en zwarte middenstreep over zwavelgele borst, maar ook komen er prachtige pimpelmeesjes (3) bij met lichtblauwen schedel en donkerbl_auwen h~~k;::;
En als nu de lente komt dan worden de troepen in de boomen minder talrlJ ‘ ‘ . d l”d k k oot of hetzelfde er zitten er meer op het voeder; d1kw1Jls twee op eze ,, e o esn nd vark.ensribbetje. De een is wat grooter en mooier en forscher geteekend dan de a er~ ‘t is een mannetje, dat zijn wijfje vergunt mee te eten en dat van tijd tot tijd ~oedenll • . ·t t kken Bijna a e opvliegt naar een derden vogel, die boven aan t touwtJe z1 e ru •
jonge vogelhuishoudens hebben last van zoo’n derde, zoo’n indringer, en ‘t kost het mannetje heel wat ongerustheid en strijd, om hem ten slotte van de baan te krijgen.
De pimpelmeesjes verschijnen eerder gepaard dan de koolmeezen. Dat hangt mis schien samen met de omstandigheid, dat zij op ietwat vertrouwelijker voet staan met de menschen, want in den omgekeerden bloempot of nestkastjes, die gij ter beschikking van de vogels stelt, zullen zich veel eerder pimpelmeesjes dan koolmeezen vestigen.
Toch zijn er nog altijd drie kansen tegen etn, dat er in plaats van pimpeltjes, ring musschen or spreeuwen in komen en de kansen voor roodstaartjes staan zoowat gelijk.
Die meesjes beginnen nu ook hun lentelied te zingen, dat veel liever en vroolijker is dan hun winterzang. Zoo gaat het ook met roodborst (64) en winterkoning (5). Die hebben den heelen winter door gezongen, vorst of geen vorst, maar nu het Lente wordt, zingen zij eens zoo mooi en eens zoo lang, het roodborstje hoog fijn en aandoenlijk, de winterkoning dartel en blij, met geraas en geschetter en trillers zonder eind.
Hij is nog doller dan de zanglijster, want die zit ten minste nog stil op zijn tak.
De winterkoning echter houdt het nergens langer uit dan een minuut, telkens verandert hij van plaats, altijd door zingend, zoodat hij eindelijk met zijn korte snorrende vleugeltjes gaat gelijken op een soort van muzikaal balspel. Ten slotte schijnt hij uitgeraasd . _ …_ __ te zijn, en dan sluipt de bruine dwerg –·-··,; ..,—–:·- -: t v u o s o sc r h e e e n n d v e a n b o d o e m v st c r 1 o c n k n e e n s te d n o , o r d ‘ i e o m hi j v o o n c d d e ~ r I h a t n e d e z n oe h k e e e n f , t . o f om bo uwstou • en te vergaren Daar ontmoet hij den zwarten lijster (31), die ook al met lentegedach ~ d e a e s a t n r d u z o f o f o e o r l ‘ n m v p a i a n n a d r e z r o d o e v , f n t e i r g d e w r a i l a n ij g t s e z t r e a k r a s o m p n r i o n I n g s g • e in d tj a e z n s i j : . – .. n n : b• m . j h a : a ~ n d d m g . e e l t e d h e e n b • ~ z n o o k d a a n t . hij t H e d n ij a r t o s p g n r e d i d l n o r g a o t a p t • t d e e u n n s vlucht en begint in zijn agitatie natuurt\ en einen indringer los, deze slaat op de elke sterke gemoedsaandoening, al is he:J ;: van voren af aan te zingen. Want andere vogels de aanleiding tot een lied 00 n onaangename, is voor hem en vele De zwarte lijster koelt nu zijn ~ dorre bladeren gehoord had en laat dew : op een arme aardworm, die hij onder de hebben en dat eigenlijk een armzali z;c t hoorcn, waarvan de lijsters het monopolie mooie, zwartgerokte, goudgesnavclde g u~? gefluit is. Waarom zou hij zuchten. die mere W cl, verleden week vochten drie bruine
merelwiJfies om hèm, en· nu moet hij weer dag aan dag met andere merelmannen vechten om de eene van de drie, die toen de baas en daardoor zijn wijfje geworden is.
Dat veroorzaakt in de merelwereld al dat gejaag en geraas en geroep, al die onrust en onwaardige vechtpartijen, die men niet verwachten zou van een zoo edelen zanger.
Hoe rein en rustig klinkt zijn lied, ‘s avonds uit de hooge boomen 1 Als de merel zingt, dan is het ook tijd om naar bloemen uit te zien. Wel is waar hebben den heelen winter door madeliefjes en kruiskruid, vogelmuur en paarse doovenetel hun bloempjes vertoond tusschen ijs en sneeuw, maar dat was toch niet het ware. Die bloempjes bleven klein en dicht bij den grond, weinig in aantal en zonder kleur en fleur.
Maar nu wordt het anders. De vogelmuur (26) groeit uit en vertakt zich en waar met Kerstmis zich niet meer vertoonde dan een enkel bloempje tusschen een paar groene blaadjes, daar spreiden zich nu kussens uit van dicht sappig groen en als de zon schijnt, dan wordt dat groen overdekt en verborgen door duizenden bij duizenden tienpuntige sterretjes van het reinste wit, zoodat het plekje grond bedekt lijkt met een ijle sneeuwlaag. En de madeliefjes(24) verheffen zich op hooger stelen. In den winter zijn ze altijd eenvoudig wit met geel, flets geel en slap wit. Maar nu ‘t lente wordt hebben ze warmer tinten van noode, het geel wordt dieper en nadert tot oranje en de randbloempjes krijgen een tipje rood. Hoe helderder voorjaarsweer, des te meer madeliefjes met roode randjes.
Op dezelfde plaatsen als de vogelmuur bloeit het kruiskruid(5), het gemeene kruiskruid, zooals het in de boeken heet. Dat woordje gemeen heeft in de plantkunde een andere beteekenis dan in het dagelijksch leven, het is eigenlijk een afkorting van “algemeen” en er zit dus heelemaal geen kwaad bij. In dit geval echter kunnen wij haast niet nalaten, met ccnigc minachting aan het plantje te denken, het is zoo gewoon en zoo min, het staat altijd op verwaarloosde plekjes en heeft in vorm en kleur en levenswijs weinig, dat bij den oppervlakkigen beschouwer bewondering wekt of aandacht trekt.
Een echt versmaad, nederig onkruid.
Even nederig en bijna altijd over het hoofd gezien is een ander bloempje, dat dikwijls reeds in November bloeit, den heelen winter zonder schade door alle wisseling van vorst en dooi blijft groeien en nu in de lachende voorjaarszon zijn gansche levens kracht ontwikkelt. Het is het hongerbloempje (9), een nietig plantje, bestaande uit een rozctjc van groene blaadjes vlak op den grond, waaruit een dunne vertakte bloemstengel verrijst. De bloempjes zijn kleine kruisbloempjes met gespleten kroonblaadjes, zoodat er in plaats van vier acht schijnen te zijn.
Maar op de zandgronden en in sommige tuinen en parken groeien deze kleine plantjes dicht opeen bij honderden en duizenden. In den voormiddag gaan bij zonnig
weer de bloempjes wijd open. De dunne steeltjes, die ze dragen, zijn nauwelijks zicht baar en zoo schijnt er dan een witte sluier te zweven boven de groenende duinhelling.
Het hongerbloempje heet ook wel voorjaarsvroegeling (9) en dat is eigenlijk een veel aardiger naam. Want dit dappere plantje wekt maar zelden gedachten aan honger en gebrek. Integendeel, de bloempjes bevatten flink ontwikkelde honigklieren en verschaffen overvloedig voedsel aan vliegen en bijen en vroege voorjaarsvlinders.
Er zijn ook vlinders van den winter, vreemde geheimzinnige dieren, maar de echte vlinder van het voorjaar is het bontgekleurde klein vosje (7). Die heeft ook een fijn lentegevoel en komt uit zijn schuilhoek wel te voorschijn, nog voor de zanglijster zingt.
Dikwijls moet hij dan smadelijk den terugtocht blazen, maar als de merel gaat zingen, dan staan zijn kansen al beter en dan is hij er ook zeker van, dat hij op de bloemen van het klein hoefblad (7) smakelijk zijn bekomst kan eten.
Met het sneeuwklokje is het Klein Hoefblad eigenlijk de eerste echte voorjaars bloem, want vogelmuur, madelief, kruiskruid, doovenetel en voorjaarsvroegeling zijn te beschouwen als overwintenaars.
Het sneeuwklokje (28) komt ook wel reeds in December uit den grond kijken, maar houdt zijn blaadjes en bloemen nog lang in de beschermende scheede besloten. Eind Januari of in ‘t begin van Februari komt op zonnige plekjes een enkel bloempje uit het hulsel te voorschijn, maar het opent zich nog niet. Als een groote, bevroren witte droppel blijft het hangen en eerst na eenlge dagen spreiden in de wanne Februari-zon de buitenste dekblaadjes zich uit en de groengestreepte binnenste bloemblaadjes bieden aan de hongerige bijen hun honigvoorraad aan.
Weken lang duren de bloempjes. Als ze zich openen, ligt het ijs nog in de sloten en is de zanglijster nauwelijks begonnen te zingen. Wanneer zij verwelken. heeft de kieviet al eieren en zien wij de komst van de zwaluwen tegemoet. Al dien tijd staan ze frisch en ongeschonden te bloeien, ongedeerd door storm of vorst, onaangeroerd door de vraatzieke slakken of door het nog vraatzuchtiger konijn. Geen wonder, dat deze plant de lieveling is van allen en dat is wel de oorzaak ervan, dat we ze zoo weinig in ‘t wild vinden.
Overal waar ze groeien worden ze uitgegraven en meegenomen naar tuintjes en parken en daar komen ze ieder jaar in steeds toenemend aantal weer te voorschijn.
Daarbij moeten ze zich het gezelschap laten welgevallen van uitheemschc sneeuwklokjes soorten en, wat erger’ is, van .dubbele” sneeuwklokjes.
Zooeven noemde ik tegelijk met het sneeuwklokje het klein hoefblad als eerste
in sommige streken van ons land komt het weinig ol niet voor, en ‘t is dus geen wonder, dat enkele menschen het niet kennen.
—
Nu dan, een goede kennis van me, een echt liefhebber van bloemen en vogels, maar volstrekt geen plantkundige, kwam op een mooien Februari-dag opgetogen thuis met zijn kleeren vol slik en zijn handen vol bloed en een sigarenkistje, dat hij bij wild vreemde menschen geleend had, vol pollen van een alleraardigst bloempje, die hij met groote zorg en liefde in zijn tuin plantte. Het was het kleine hoefblad.
Nu is dat werkelijk een heel mooi bloempje. Het hoofdje zit op den dikken, beschubden stengel en als de zon schijnt, dan gaan de fijne straalbloempjes wijd uitstaan, als de stralen van een zonnetje, het gele hartje komt dan te zien en zelfs een volkomen oningewijde kan dan merken, dat het bestaat uit een aantal bekervormige kleine bloempjes.
Het blijkt ook, dat ieder straaltje van het zonnetje een bloempje is met een echten stamper er in, die later een mooi gepluimd vruchtje oplevert.
Bij koud en donker weer gaan de hoofdjes dicht, maar als de zon straalt, dan straalt het kleine hoefblad ook, dan lijkt het zich uit te rekken in de lekkere warmte en vlinders en bijen komen zich verlustigen op de mooie bloem.
Mijn vriend was er wat mee in zijn schik en zijn vrouw ook en ze waren zoo edelmoedig, aan een belangstellend buurman ook een paar polletjes cadeau te doen.
Na eenige weken raakten de bloempjes uitgebloeid, en de pluizige vruchthoofdjes verwaaiden. Ook kwamen er mooie witte hoefvormige blaadjes te voorschijn, die in ‘t eerst volstrekt niet in den tuin misstonden. Maar in den loop van den zomer werden ze toch wel wat groot en grof. En op andere plekken in den tuin kwamen ook al van die blaadjes te voorschijn. In alle perken vertoonden zich bovendien kleine kiem plantjes, die ook al spoedig hoefvormige blaadjes vormden en moeilijk te wieden waren.
Eindelijk werd het een heele misère, het mooie plantje bleek een allerlastigst, bijna onverdelgbaar onkruid te zijn, dat uiterst snel en gemakkelijk opkomt uit zaad en zich even gemakkelijk voortplant door onderaardsche uitloopers, zoodat het omhoog en omlaag bestreden moet worden.
Voor den tuin is het dus niet geschikt, op den akker is het te vreezen, maar langs dijken en wegen en op braakliggend terrein is het een welkome lentebode, een prachtig plantje, een toevlucht voor vlinders, vliegen en bijen. Maar in de poëzie heeft het zich geen plaats naast het sneeuwklokje weten te verwerven.
Men plant de sneeuwklokjes meestal in het gras, maar eigenlijk behooren ze thuis in ‘t kreupelhout en mooier, rijker lentetafereel is er wel niet denkbaar dan bloeiende sneeuwklokjes onder bloeiende hazelaars.
De afgevallen hazelaarsbladeren, die gedurende den winter de opkomende spruitjes van het sneeuwklokje bedekten, vergaan in het voorjaar spoedig tot zware boschaarde, zoodat de witte sneeuwklokjes bij het ontluiken een mooien donkeren achtergrond hebben, een bodem, die door de zon gemakkelijk verwarmd wordt. Ook de lenige twijgen
van den hazelaar zelf zijn donker van tint, opgevroolijkt door tallooze lichte stipjes.
En nu ontplooien zich tegelijk met de sneeuwklokjes aan die donkere takken de teere zwavelgele bloeikatjes (13). Den heelen winter door waren ze als stijve cilindertjes reeds aande takken te zien, maar nu rekken ze zich tot fijne franje, die roerloos neerhangt op windstilte plekken onder beschutting van het hooge duin of de dichte bosschen. Duizen den bij duizenden hangen er aan de twijgen en waar deze zich aan hoogopgeschoten stammen horizontaal vertakken, loopt ge onder een troonhemel van goud.
Ook ontbreekt het koninklijk purper niet. Overal tussehen de bungelende katjes vertoonen zich groene knoppen vlak op den tak en velen daarvan dragen een prachtig purperen pluimpje. Dat zijn de stamperbloemen; in den herfst worden dat de mooie vruchten, de groenachtig bruine hazelnoten in hun krulkraag van wazig groen. Weken lang duurt deze bloesempraal, schooner dan de bloei van menigeen van de uitheemsche h ces t e rs, die onzen hazelaar uit parken en tuinen hebben verdrongen · Als eenmaal de hazelaar zijn katjes laat bengelen, dan volgen snel andere h t en boo m en • Het eerst komt de . e ls. de watervriend. Z . ijn meeJdraadkatJCS· (l 4 ) Z . t . J n ee a s n t g er e s r dan die van den hazelaar en dieper ~eet, soms rossig en bruin. Ze zijn ook talrijker en h angen dichter opeen, zoodat d . e bloeiende cis doo . r zijn bloesem ” o ‘ eheel verbo r gen wordt E r z 1•1 • 0 sommige streken m ons land, wa . a r bijna niets dan elzen ., , . . , . . . _ .1 . en, en daar • . • Maart wegzoom en waterkant en we1debosch omlijst en bedekt zijn m met warm-te • De stamperbloemen zitten aan dezelfde takjes als de meeldraadbl .,.s 1u ters. d , ocmen maar zrn kleiner en vallen mln er in t oog, a1 blijken ze ook bij nader t ‘ .! ze met mooie donkerroode stempels en stijlen. OCZien uitgerust te ZIJn .
En heel donker rosachtig bruin wordt het elzeboscb, waar het gekapt is ” k te stronken staan fel gekleurd tusschen het uitgebleekte w· • De versc::h a1ge ap . mtergras Voor ons openbaart de l~nte zich met alleen in vogelzang, blocmensch • . ar ook in de hernieuwde werkzaamheid van den mensch . oon en vlmderpraa 1• ” d m a n af tot houtkappen toe. H et h . j kt een allenardigste bez· i h n veld en bosch , van mes~iJi egeen wonder, dat de houthakker al van ouds een va dtg ~id, dat houtkappen en t s n c 11evet· 6 ·e is geweest. Wel is waar maakt de vertelllnto hem mgs &Uren uit de poëz 1 . “‘ we I alt11·d negen va n de tien gevallen . 1s hij toch gelukkig en tev • – , . ; . u , en en in h arm . , maar in op het minst zijn kmdercn nog altijd hoogst merkw d. et tiende geval be1 e ven d I aar ige en pi • .
Flinke handenarbeid in e open ucht, nu eens in een vroolijk e12~engc dingen. stemmigen sneeuwhemel is werkelijk een kostelijk H 2 onnet)C, dan weer ond f e r ee n goede beschutting tegen den wind. En alle vno,ets I e ts . et d 1 ·c h te kreupelhout p naar t ~ d e n blauwkiel en zingen hem toe, als wilden ze – h ~. – . ~ da n · ke ~ n v U oo rt k d o men kijken akkeboShoopen, die hij op~erpt en waartussc~en zij zic:h zoo heerli r e Prachtige t D winterkoning kan met wachten en kruipt nu al tusscb Jk kunnen verschuilen e en de takken d • oor en de
roodborst komt vlak bij den arbeider trippelen en als deze op een takkebos gaat zitten om uit zijn bonten stukkezak de ferme boterhammen te eten, dan zet de. roodborst zie op den bijlsteel en zingt het Fransche liedje, dat Madame Michelet hem geleerd heeft .Je suis Ie compagnon du pauvre bûcheron”. • Dan gaat de man weer aan ‘t werk en onder zijn bijl komen weer te voorschlJ de roodbruine stompen van de elzen, de geelachtige van eik en beuk, de meclwl van de esschen. De meidoorns en abeelen laat hij staan, de eerste, omdat er • geen behoorlijke paaltjes en takkebossen van gemaakt kunnen worden, de laatst omdat ze snel kunnen opgroeien tot groote dikke hoornen. Ze beginnen nu ook a in bloei te komen.
De abeel (15) hangt zich vol met gele en roode katjes van grover bouw. Ze moet wat kunnen verdragen, want deze mooie boom, die nog veel te weinig gewaardeerd wordt groeit dapper en wel zelfs op westhellingen van de duinen, waar hij de hevigste aan• vallen van den boomverdelgende~ zeewind te doorstaan heeft.
Des te meer verheugt de waterwilg (10) zich in de gunst en belangstelling der voo jaarswandelaars. Den heelen winter prijkt hij reeds met dikke knoppen, die vroeg in ‘t jaa openbarsten en den gladden zilveren katjes een kijkje naar buiten gunnen. Maar dat nog geen bloei. Dagen lang is er geen verandering te bespeuren, maar dan gaan die katjes zwellen en groeien; gele helmknopjes of bleekgroene stempellobben worden zich baar tusschen het zilveren pluis.
Dan strekken zich opeens de meeldraden en nu is ieder katje een stralende bol van wit en goud. De stamperkatjes zijn niet zoo schitterend, maar ook heel mooi, meer groen dan geel, mau toch nog wel zoo helder van tint, dat een bloeiende vrouwelijke waterwilg nog wel een kilometer ver te zien is. Hoe heerlijk is het, op een duin t~ staan en in alle valleien die gouden en groene heesters te zien schitteren, of de lange versierde twijgen te zien wuiven langs de raampjes van den voorbijsnellendcn spoortrein.
Maar beter nog is het, er vlak bij te staan en het lenteleven aan die bloesems te bewonderen. De lucht is blauw en de zon straalt, zooals zij dat alleen in ‘t voorjw doen kan. De grond is merkbaar warmer dan de lucht, op vochtige plekken stijgen dampwolken omhoog. een zichtbare getuigenis van de krachtige werking der zonnestralen.
En ‘t is, or je den grond ziet !event overal komen kiemplantjes en groeipieken te voorschijn en ‘t wriemelt overal van klein gedierte, van vliegjes en mugjes met parel• moeren vleugels, torren in brons en goud en kleine wantsjes met kleurige harlekijnpakjes.
In de katjes van de wilgen is het een onophoudelijk gegons en gebrom van insecten, die er komen om honig en stuifmeel. ‘t Zijn meest de gewone kleine bruine honigbijen maar ook groote kleurige hommels: aardhommels, zwart met wit met twee gele strepen, tuinhommels met drie gele strepen, steenhommels met rood achterlijf, akkerhommels
‘ ‘
met bruin fluwelen borststuk, allemaal groote beesten, die driftig neerbonzen op de bloemen, vlug hun bekomst nemen en dan luid gonzend verder vliegen.
Die honigbijen hebben den winter doorgebracht in de warme korven of kasten, maar waar hebben die mooie hommels gezeten?
Het antwoord op deze vraag vindt ge door op een zonnigen Februarimorgen de bloembedden in den tuin af te dekken. Reeds worden de vochtige dorre bladeren omhoog getild door hyacinthen (16) en narcissen (92), die uit den grond opschieten en crocusjes en tulpen (18) boren er met spitse pieken doorheen. ‘t is nu een lust, die planten te helpen en voorzichtig de hall vergane bladeren weg te harken. Tien tegen een, dat ge dan onder de een of ander bijzonder dikke bladprop een dikke hommel of wesp vindt liggen, die daar den heelen winter beeft geslapen.
Nu wordt hij wakker, strekt dommelig alle zes zijn pooten en als het zonnetje hem bestraalt, dan beginnen ook zijn vleugels te trillen en eindelijk vliegt hij vroolijk de schoone lentewereld in.






