Home » geheugen » zolder » natuur » 2. In Bosch en Park — Lente, Verkade-album, J.P. Thijsse

2. In Bosch en Park — Lente, Verkade-album, J.P. Thijsse

SLAPEND, DROOMEND OF HALF WAKEND HEBBEN TAL VAN PLANTEN EN DIEREN DEN WINTER DOORGEBRACHT ONDER MOS EN BLADEREN. ALS NU DE LENTE KOMT, DAN WORDT HET VOOR DE PLANTEN ZAAK, DEN DEKEN AF TE WERPEN, ZICH TE BEVRIJDEN VAN DE DEKKENDE BLADERLAAG

IN BOS EN PARK

en dat doen zij op twee manieren. Sommigen beuren met vereende krachten dikke plakken bladeren omhoog, zoodat de voorjaarswind er onder kan komen, om ze op te drogen en weg te vegen, andere boren met scherpe punten er door heen, bijten er wellicht gaten in, en ontplooien dan hun bladeren en bloemen. |

Hover preview demo

Tot de eerste groep behooren de leverbloernpjes, de winteraconietjes en de bosch-anemoonen, tot de tweede de helmbloem (39) Preview

Hover preview demo

en de aäronskelk (40). Preview Ook zijn er, die ‘t op beide manieren probeeren, zooals de vogelmelk.

Ook zijn er, die ‘t op beide manieren probeeren, zooals de vogelmelk.
De leverbloempjes(17). aconieten(29) en anemoontjes leggen dat zeer listig aan. Zij komen gebukt uit den grond. de boordjes, het bloempje met beschuttende blaadjes eromheen, neergebogen, zoodat die den bladerlast niet onmiddellijk te dragen krijgen. Eerst als de vrijheid gewonnen is, dan strekken zij zich uJt, richten zich op en openen de mooie bloempjes, hemelsblauw, goudgeel <l spierwit.

Het eerst komen de aconietjes te voorschijn, tegelijk met de sneeuwklokjes. Ge zoudt ze eerst voor boterbloemen houden, maar aan de breede groene franjekraag om de bloem en de mooie, groene honlgbekertjes erin zijn ze dadelijk te onderscheiden.. Ze behooren in alle heesterperken en boschjes aangeplant te worden evenals de leverbloempjes of hepatica’s waarvan de prachtige hemelsblauwe bloempjes een aardige afwisseling geven met het geel en wit, dat de meeste voorjaarsbloemen kenmerkt.
En de anemoontjes! (30) Gelukkig groeien zij nog in het wild in menig bosch en park van ons land en dat zal er niet minder op worden, nu tegen dom en onnadenkend plukken en uitgraven van mooie wilde bloemen in school en huis even sterk wordt opgetreden als tegen het verstoren van vogelnesten en het onnoodig vangen van insecten.
Het is in ‘t laatst van Maart, wanneer de anemoontjes goed beginnen te bloeien en dat is dan het glanspunt van de vroege lente. Sneeuwklokjes, hazelaar, helmbloem en gele sleutelbloemen (67) bloeien nog en daarbij komen nu de anemonen en de bosch klaverzuring, de gevoeligste van alle boschplantjes, een echte veeleische11de schoone. is het te koud of te warm, te droog of te nat, te licht of te duister, dicht gaan de klaverblaadjes en omlaag gaan de fijne bloemkelkjes. Maar als het weer zoo juist van pas is, zoo, dat iedereen roept over den heerlijken lentedag, dan worden de mooie frissche groene blaadjes uitgespreid en op lange, malsche steeltjes komen de witte, roodgeaderde bloempjes in groot aantal te voorschijn.
Wat een liefelijke kleuren en vormen sieren dan den boschbodem! Hier het frissche groen en het teer rose van de klaverzuring (94 en 95), ginds de sierlijk ingesneden donker groene blaadjes van de anemonen met de witte bloempjes wijd open of de jongere nog half dicht, zoodat het wijnrood van de achterzijde der kelkblaadjes u tegenblinkt. En overal het dichte mostapijt, grillige vormen van grijze korstmossen (12) en blaadjes en takjes en boompjes van bladmossen (t 1) met urntjes en doosjes van allerlei vorm en stand op la!1ge stelen en korte stelen, hier in rijen en colonnes dicht opeen, daar in groepen van vijf of zes, ontspringend uit het midden van een enkel bladrozet. De mosblaadjes zelve, nu eens fijn verdeeld als de fijnste kant, dan weer kort en stug en dicht opeen als takjes van een thujaboom. of breed en groot met spitse punten en doorschijnende kanten.
Mos op den bodem en mos tegen de stammen, tegen de eiken, die nog niets van de lente willen weten en hun bruine knoppen dicht gesloten houden, maar ook tegen de larixen, die volop meedoen aan het voorjaarsfeest en hunne dunne twijgen versierd hebben met risten van de allerschoonste purperen en gouden bloesems.
De larix (38) is wel de sierlijkste naaldboom, die in ons land groeit. Eigenlijk is hij geen inlander, hij is aangeplant. De boschkweekers zijn niet al te best over hem te spreken, omdat hij nog al eens last heeft van insectenvraat en zwamziekte, maar dat mag ons er toch niet van weerhouden. om hem als sierboom overal aan te planten.
Hij vereenigt het statige van de spar met het bevallige van den berk; langs den trotschen kegelvormigen kroon hangen lange fijne twijgen luchtigjes neer. in het najaar vallen alle naalden af en zoo staat de boom dan ‘s winters kaal, alleen met blauwig grijs korstmos langs de takken en over de dikke knoppen. Deze bersten vroeg in ‘t voorjaar open, dan is de heele boom fijn ~pikkeld met groen en daartusschen komen dan de heerlijke bloesems te voorschijn.

Op de zonnige zandeden koesteren zich de bonte vlinders: het gele citroentje (139), een enkele atalanta (83) met haar rood ordelint, de dagpauwoog ( 141) met zijn vier bonte vlekken e .. n koningsmantel (142), donkerpurper, met goud gezoomd. Den heelen winter door hebben ze verborgen gezeten in hoeken en gaten, verstijfd, verdoofd en .t die prachtige schoenlappers leken toen niet meer dan lapjes vuil, want ze zitten met de vleugels opgeklapt, zoodat alleen de dof gekleurde onderzijde en niet de bonte bovenkant te zien is. Maar nu is alle leed geleden, en zooals ze nu zitten in de zonne plekken op den boschgrond. lijken ze een nieuw soort van zeer bijzondere lentebloemen.

Allerlei gedierte komt nu uit den grond te voorschijn. Je kunt geen moskluit optillen, geen bladerhoop wegruimen, of daar zit een nog loome wespen- of hommelkoningin, een dikke rups of een heel klompje kevers, die ondanks hun koude bloed toch bij elkaar gekropen zijn, om het gedurende den winter niet al te koud te krijgen. En dat alles wordt nu wakker, rekt zich en poetst zich en gaat aan den arbeid: nesten bouwen, honing zamelen, eieren leggen, jongen verzorgen, bladeren beknagen, prooi verdelgen en elkaar bekampen, waar ze elkaar in den weg zijn.

Maar in de eerste dagen loopen ze niet te hard van stapel, want nog iederen dag kan de winter weerkomen en de zon, die opkomt met vogelzang en ‘s morgens nog bloemen kleuren, bloemengeur. vlinders en vliegen te voorschijn roept, kan ‘s avonds bloedrood ondergaan achter het besneeuwde dennenbosch. Doch ieder keer, als de zoelte weer over wonnen heeft en het sneeuwkleed is verdwenen, dan blijken de krachten in den grond hun werk niet te hebben gestaakt en er zijn weer nieuwe dingen te voorschijn gekomen Hier zijn het dicht opeen de groeipieken van de lelietjes van dalen (84), ginds de donkerder en dikker spitsen van de alronskelk ( 40), elders spiraalvormig gekromde varenveeren (70), dikke punten van salomonszegel (45) of die merkwaardige voorjaars paddestoelen, de heerlijke morieljes (144). Op korten dikken steel dragen ze een kop zoo groot als een vuist of grooter nog en die is versierd met vakjes en richeltjes, zoodat hij doet denken aan lekkere wafelrjes, waarvan hij ook den warm bruinen tint vertoont.
En als dan een dikke wijngaardslak, die ook pas het winterdeksel van zijn schelp heeft afgewipt, met welbehagen aan dat broze goedje zit te knabbelen, dan is dat een stilleventje van een smulpartij, dat bij al het lentemoois volkomen op zijn plaats is.
De vogelzang wordt hoe langer hoe indrukwekkender. De zanglijster zingt nu den heden dag, nu eens boog in de boomen, dan weer op den grond, ja soms zingt hij onder het loopeo, zoo blij is bij. Ook de winterkoning weet zich niet te bergen van de pret, hiJ. huppelt en danst over stronken en palen en snort schetterend van den eenen tak op den anderen. De meezen schetteren en schateren, klingelen en fluiten, roepen en tieren. En boven alles uit klinkt de krachtige vinkenslag. het helderste. sterkste, vroolijkste geluid van de vroege lente.

Van alle montere vogels is de vink (6) wel de meest opgewekte. Wij zien hem met welgevallen om zijn lustigen slag, zijn opgewekten lokroep, zijn prachtig mooie kleuren, zijn aardige bewegingen, hetzij hij in dansende vlucht door de lucht schokt, or met vlugge passen trippelt over den boschbodem. zoekend naar de laatste nog niet ontkiemde beukenootjes.

Wanneer hij die niet vinden kan, dan gaat hij naar den akker en pikt daar allerhande zaad op, of hij brengt een bezoek aan de bessentuinen en vreet al de lekkere dikke knoppen van de bessenboompjes.
Hoog in de toppen van de boomen zit de groene specht (51) te schreeuwen ; ‘t is een luide, ruwe schaterlach. dien hij laat hooren. Wan neer hij van standplaats verwisselt, vliegt hij door de lucht in groote bogen, telkens met snelle wiekslagen eventjes rijzend en met beweginglooze vleugels omlaag zwevend. Alle spechten vliegen zoo.
Ofschoon deze groene specht in zijn lentevreugd klimt tot in de hoogste twijgen van eeuwenoude eiken, is toch de grond zijn arbeidsveld. want hij houdt zich voornamelijk bezig met de mierenjacht en zoo staat hij dan wel eens midden in de wei de grazige mierenheuvels uiteen te hakken. om de lekkere poppen. de miereneieren. te bemachtigen.
De bonte specht (52) komt weinig op den grond. Die klautert altijd tegen de stammen. tikkend en borend en hakkend of hij plukt zich een dennenappel. zet hem vast in een takvork en klooft de schubben. om de geurige harsige zaden te krijgen. Dag in dag uit werkt hij op hetzelfde plekje; de grond onder den boom is bezaaid met afgekloven pijnappels.
Hij roept of lacht nu niet, die bonte specht, maar als hij plezier in zijn leven heeft of opgewonden raakt, dan slaat hij aan het trommelen. Hij zoekt aan een boom een dorren tak van een bepaalde dikte en grootte en ratelt daarentegen met zijn stevigen snavel, tot de tak gaat meetrillen en een luiden rolîelroon voortbrengt. die ver in ‘t rond gehoord wordt. Zoo heeft dan het bosch-orkest ook zijn trommelman.
Maar de dolste pretmaker. dat is toch eigenlijk de boomklever of blauwspecht(53), een vreemd gevormd vogeltje met een veel te langen snavel en een veel te zwakke staart. Doch dat deert hem niet, hij loopt evengoed of nog beter dan de spechten tegen de boomen op. Hij kan zelfs langs de stammen naar omlaag loopen en dat niet angstig voetje voor voetje, maar in razende vaart en langs de grilligste wegen. Daarbij schreeuwt hij zonder ophouden; nu eens luid en schel: • piet, piet, piet, o piet” dan weer “waddele watsj wobbelewop, twatj, twatj, twatj” en allerlei van die geluiden, die herinneren aan ‘t blazen van zeepsop of het borrelen en bruisen van een klein watervalletje.

De stedeling krijgt van het lente-ontwaken in het bosch niet veel te zien, hij moet zich vergenoegen met het park en daar valt werkelijk genoeg te genieten. Of is het niet heerlijk, reeds op de eerste warme Februari-dagen de kleine heestertjes bespikkeld te zien met groene knopjes, die dagelijks grooter worden? En terwijl het ijs nog in de vijvers ligt, bloeien de elzen reeds langs den oeverzoom. in gazons en bedden komen de winteraconietjes, de blauwe scilla’s en de bonte crocussen (27) te voor schijn en in de warme middagzon werken daarin de alomtegenwoordige honigbijen.

Al die bloempjes, scilla, crocus, aconiet zijn op hun mooist, juist voor ze opengaan, vooral de crocussen komen dan zoo heerlijk frisch uit de lichte vliezige bloeischeeden te voorschijn, hier zuiver wit, ginds donkerblauw, daar paarsgestreept, en vooral ook niet te vergeten de vroeg gele, die een aparte soort vormen. Jammer, dat de musschen in te groot aantal de steden bewonen en daardoor voor hun onderhoud zelfs hun toevlucht moeten nemen tot de malsche voorjaarsbloemen; ze vreten heele randen en perken van crocusjes in een dag kaal.
Nog voor de crocus bloeit, is de kornoelje ( 42)

begonnen, een heestertje, dat in onze bosschen zelden in ‘t wild voorkomt, maar gelukkig meer in parken en plantsoenen wordt aangeplant.
De gele bloemknoppen, paarsgewijs aan de dunne twijgjes gezeten, waren reeds midden in den winter gemakkelijk te herkennen. Nu gaan ze zwellen en uitzetten, eindelijk openen ze zich en dan komt er een groepje goudgele bloempjes te voorschijn, zoo zuiver en lijn, dat ze in de barre Maartsche vlagen in ‘t geheel niet op hun plaats lijken.
Toch kunnen ze die vlagen heel goed doorstaan, ze sluiten de gouden bloempjes, halen, als ‘t nog kan, de gele schutblaadjes er weer om heen en dulden zoo den storm, tot weer de warme zon gaat schijnen. En dan is ook in eens het heestertje weer van boven tot beneden met blinkende sterretjes besprenkeld.

Als eenmaal de kornoelje begonnen is, dan volgen snel achter elkaar de andere hees ters, die uit alle oorden van de wereld hier vereenigd zijn: de vroege pruimpjes, met bruin ronde knoppen en zuiver witte bloempjes, de amandels (119) met prachtig rose bloempjes, de groote op tulpen gelijkende bloemen van de magnolia(79) en de geurige, kleurige trossen van de ribes (120), door Frisch groene blaadjes beveiligd. Maar dan is ‘t haast Mei.
De boom van de vroege stadslente is de iep. Midden in den winter zijn de groote ronde bloemknoppen al duidelijk te onderscheiden van de kleine spitse bladknopjes. In Februari gaan die bloemknoppen zwellen. Dan steken de iepetakken lang zoo fijn niet meer tegen de lucht af als in December, de lijntjes zijn dikker en spikkelig geworden en vloeien ten laatste tot doezelige massa’s ineen. Wanneer dan de knoppen zich openen, komen ontelbare bloempjes te voorschijn, ieder op zichzelf nietig en lichtpaars met bruin, maar met elkander gaven ze aan de iepenkroon een heerlijke wijnroode kleur, waardoor een Amsterdamsche gracht in de lentezon even mooi wordt als een larixlaan of beukenallée.

Hover preview demo

Als eenmaal de kornoelje begonnen is, dan volgen snel achter elkaar de andere hees ters, die uit alle oorden van de wereld hier vereenigd zijn: de vroege pruimpjes, met bruin ronde knoppen en zuiver witte bloempjes, de amandels (119) Preview met prachtig rose bloempjes, de groote op tulpen gelijkende bloemen van de magnolia(79) en de geurige, kleurige trossen van de ribes (120), door Frisch groene blaadjes beveiligd. Maar dan is ‘t haast Mei.

Wat de vogelwereld betreft, zijn de eerste lenteweken in de stad gekenmerkt door een eigenaardige wisseling van wit en zwart. De zwarte roeken komen van hun zwerf tochten terug en betrekken gaandeweg met veel misbaar hun nestkolonies(33) in de hooge iepen. De witte meeuwen (32) verlaten de grachten, waar ze ovel’winterd hebben. Ze zwerven nog wat rond op de weilanden, bezoeken het bouwland, om achter de ploeg larven en wormen uit den grond te pikken en betrekken eindelijk hun broedplaatsen in de zilte moerassen aan den zeekant. De zwarte roeken krijgen in dien tijd hoe langer hoe grooter witte plekken aan de mondhoeken, de witte meeuwen hebben achter het oog een donkerbruine vlek, die al grooter en grooter wordt en eindelijk aanwast tot een donker kapje, dat den heelen schedel bedekt.
Zanglijsters en zwarte Jijsters beginnen ook al vroeg hun nesten (64 en 63) te bouwen in de coniferen en sommige paren slagen er werkelijk in, om hun jongen groot te brengen, ondanks de felle vervolgingen door de straatbengels. Nestjes zoeken is een heerlijk werk en voor mijn part mogen alle kinderen het doen, zooveel zij willen, mits ze de nesten en eieren met rust laten en de vogels geen schrik aanjagen.
De vlijtigste nestenbouwers zijn natuurlijk de musschen, die plakken in den laatsten tijd de hooge pyramide-populieren vol met slordige nesten en de vezels daarvoor trekken ze vaak van de lindetakken, die ze daardoor heelemaal van schors ontbloten. De tak gaat daardoor dood: een euveldaad te meer voor den bruinen diksnavel.
Nu komen ook vogels in ‘t park, die ‘s winters weinig of niet gezien werden, en wel het eerst de goedmoedige groenvink (50). Zijn snavel is nog dikker dan die van de musch en rozerood van kleur, zijn veertjes groengrijs met mooi heldergeel op de vleugels en de staart is pikzwart.
Op mooie heldere Maartsche dagen, als er geen wolkje aan de lucht is, zitten die verbeelden, of een vreugdekreet of zoo iets, maar de menschen, die aan hun eigen traditioneele muziek gewend zijn, vinden het niet mooi.
Toch is het wel aardig, als een stuk of tien van die groenvinken te gelijk aan den gang zijn en als ze willen, dan zingen ze een ander, veel mooier liedje met zachte fluittonen en mollige trillertjes, die ons gewone muzikaal gevoel uiterst weldadig aandoen.
Ze worden hoe langer hoe makker, die groenvinken, ze maken hun nest zelfs in laurieren en stamfuchsia’s, die in potten langs de wandelpaden staan: een vertrouwelijk heid, die zelfs den meest feilen nesten-vernieler moest ontwapenen.
De groenvink is wel een trekvogel, maar er zwerven er hier ook wel rond gedurende den winter. De eerste vogel die in de lente uit .het warme Zuiden” naar de stads parken trekt, is de kleine tjiftjaf (61). ‘t is een klein, groenachtig bruin vogeltje, weinig grooter dan het winterkoninkje, maar veel slanker. Omstreeks midden Maart wordt zijn eenvoudig, helder liedje gehoord, niet meer dan een herhaling van twee toontjes, die weinig in hoogte verschillen, maar waarvan de eene altijd duidelijk den klemtoon heeft. Soms maakt hij er een drieslag van en dan komt het accent op de middelste toon. Het gewone lied kan men weer geven door: tjif-tjef, tjif-tjef, tjif-tjef; het andere door te-tjif-tjef, te-tjif-tjef, te-tjif-tjef, enz.

Van den vroegen morgen tot den laten avond klinkt dat liedje door het hout en het ‘t kost volstrekt geen moeite, den kleinen zanger zelf te zien, want hij trippelt en fladdert door hoornen en struiken van den hoogsten top tot vlak bij den grond en schuw is hij in het geheel niet. Zijn nest gaat hij pas bouwen over eenige weken, als- er wat meer jong groen is uitgekomen, want hij verbergt het op den grond of in lage struiken en het is een kunstwerk van den eersten rang.
Een dag of tien na den tjiftjaf komt zijn dubbelganger, de fitis (85), ook een echt park vogeltje, maar tegelijk een veelvuldige verschijning in bosch en duin. Voor mij is het beeld van de fitis onafscheidelijk verbonden aan die heerlijke berkeboschjes in de duinen, waar omstreeks Paschen de blauwe hondsviooltjes (21) bloeien tusschen ‘t dorre gras en waar dat groengrijze vogeltje fladdert tusschen de zilveren berkestammen spelend met de geurige bloesemkatjes, die bij honderden aan de dunne twijgen hangen.

Hij is mooier dan de tjiftjaf, geler van tint, het lichte streepje boven het oog is veel duidelijker en het liedje, dat hij zingt, is zoo zuiver en rein en aandoenlijk, dat gevoelige menschen het plaatsen naast of zelfs boven den zang van den nachtegaal.

Dit vogeltje is zeer algemeen, maar bijna niemand kent het. Buiten vogelkundige i werken vindt men er nooit gewag van gemaakt en de Europeesche dichters, die zoo

druk gezongen hebben van nachtegaal en leeuwerik, het vroolijk v’ïnkje en den zwarten merelaar, negeeren de fitis volkomen.

Daarom is het hoog noodig, dat ieder, die vari de lente houdt, niet ruste, voor hij den liefelijken zanger hee~ leeren kennen. Hij toeft in de parken gaarne, waar dicht aan ‘t water boschjes staan van berken en elzen, met allerlei klein goed er tusschen.
Heel graag zit hij ook in den Noorschen ahorn (59). Dat is de boom, die in den bloeitijd zoo dicht met bloesem bedekt is, alsof hij reeds zijn bladerkroon droeg, en waarvan de bladknoppen bij het ontplooien zoo kleurig en mooi zijn, alsof het bloemen ware.,.
In het begin van April puilen de gele bloementrossen uit de dikke knoppen, eenige weken lang lokken zij met geur en kleur en zoeten honig bonte vlinders en bijtjes van allerlei soort en wanneer daarna de bloemen gaan verwelken, dan openen zich de bladknoppen met gele en purperen schubben. in dien tijd zijn de ahornlanen en ahorngroepen letterlijk de glanspunten van het park.
De meeste boomen zijn nog bladerloos en vormen nu een prachtigen donkeren achter grond voor de heldere kleurenmassa’s van dezen moolen boom.
Het duurt dan nog wel een week, voordat dit kleurenspel gestaakt wordt en dan begint de boom er eindelijk uit te zien, zooals wij dat van een boom gewoon zijn: hij krijgt een kroon van mooie groene bladeren en als je goed toek1Jkt, dan zie je daar tusschen de aardig gevormde groene vleugelvruchtjes.
De bladeren zelf zijn sierlijk van vorm, met hun vijf uitstekende punten en het regel matige adernet. Ze zijn van allerlei grootte; aan denzelfden tak zitten groote en kleine, langgesteelde en kortgesteelde. Door deze verscheidenheid is het mogelijk, dat ieder blad een plaatsje kan vinden, waar het ongehinderd door de zonnestralen bereikt kan worden.
De gewone ahorn (57) heeft ook een prachtige knopontluiking met allerlei tinten van groen en rood en bruin, maar hij kan toch den Noorschen niet evenaren. Toch is het de moeite waard, de ontwikkeling ervan na te gaan van ‘t oogenblik ar, dat de groene knoppen beginnen te zwellen, totdat de lange groene bloemtrossen neerhangen onder de wijd uitgespreide vingerblaren.
En dan de kastanjeboomen Hoe glimmen eerst de groote donkerbruine koppen in het Maartsche zonnetje l De bruine was ligt er dik op en de bijen komen ervan inzamelen, om ze te gebruiken voor de eerste reparaties aan hun woningen. lederen dag worden de knoppen grooter, eindelijk barsten ze aan hun top. de schubben worden teruggeslagen en dan komt de donzig bruine tak te zien met de bladparen als saam gevouwen handjes en misschien een bloemtros er midden In.
Hoe die handjes worden uitgespreid, hoc de blaadjes eerst slap hangen en hoe later bij warmer weer en grooter werkzaamheid der wortels het trotsche kastanjeblad wordt uitgespreid en de bloesemkaars ontstoken wordt, dat zien we jaar op Jaar met dezelfde belangstelling en bewondering, en met denzelfden weemoed, want het ontsteken van die kaarsen beteekent het einde van de lente.
Maar zoover zijn we nog lang niet. Voordat de kastanje bloeit, kunnen we nog weken zwerven in wel en bosch, door de duinen en aan den waterkant.

Snel bladeren