De Oude Kerk kan met recht de oudste kerk van Amsterdam genoemd worden. In de tweede helft van de 13de eeuw plaatsten de eerste bewoners van het gebied rond de monding van de Amstel, op de oostelijke oever, reeds een godshuis. Deze houten kapel, gesitueerd op een ellipsvormige grafheuvel, werd nog voor 1300 uitgebouwd tot een basiliek.
In de 14de eeuw ontwikkelde dit primitieve kerkje zich tot een driebeukige hallenkerk. In de loop der eeuwen werd de kern van het kerkgebouw uitgebreid met zijkapellen. Omdat de koorbeuken bijna tegen de Oudezijds Voorburgwal stonden aangeleund en een kerktoren de westzijde van de kerk begrensde, kon men enkel in de breedte en in de hoogte uitbreiden. Vandaar dat de afmetingen van de Oude Kerk enigszins uit verhouding lijken. Door de beperkte uitbouwmogelijkheden verdween de kruisvorm al snel. In de 16de eeuw waren ook in het noorden en het zuiden de grenzen van de groei bereikt.
Door haar centrale ligging in het middeleeuwse Amsterdam was de Oude Kerk één van de belangrijkste gebouwen van de stad. Veel gilden, families en andere sociale en economische verbanden uit die tijd beschikten over een eigen kapel met altaar. Rijke kooplieden lieten zich het liefst zo dicht mogelijk bij het hoofdaltaar begraven. Bovendien bood de kerk ook onderdak aan verschoppelingen en straatvolk, waardoor de kerk bekend stond als ‘de huiskamer van de stad’. Deze centrale functie moest in de loop van de 16de eeuw afgestaan worden aan de Nieuwe Kerk. De glorie en de uitstraling van de Oude Kerk werden nog verder aangetast tijdens de beeldenstorm van 1566. Na de Alteratie van 1578 ondergaat de kerk grote wijzigingen.
Na de Reformatie bleef de Oude Kerk geliefd bij prominente Amsterdammers. De organist en componist Jan Pieterszoon Sweelinck, de architecten Vingboons en de eerste vrouw van Rembrandt – Saskia van Uylenburgh – vonden er hun definitieve rustplaats. Toch verplaatste het middelpunt van het openbare leven in de 17de eeuw zich langzaam richting grachtengordel. De Nieuwe Kerk en de Westerkerk werden sindsdien de belangrijkste ontmoetingsplaatsen.
Als laatste poging om de aandacht weer op zich gevestigd te krijgen liet het kerkbestuur de beroemde klokkengieter François Hemony uit Zutphen overkomen om de speel- en luidklokken van de kerk te gieten. In 1659 voltooide hij deze klus en nog steeds is de klokkentoren uitgerust met 35 speelklokken en 4 luidklokken van Hemony. In de 18de eeuw werd het kerkinterieur tevens uitgebreid met twee orgels. Eén daarvan, het Vater-Müllerorgel, is wereldberoemd.
Al deze vernieuwingen ten spijt verloor de Oude Kerk definitief haar centrale positie in de stad toen koning Willem I in 1815 in de Nieuwe Kerk werd ingewijd. In de 20ste eeuw raakte de kerk in verval. In 1951 moest de kerk gesloten worden: het instortingsgevaar was te groot geworden. In 1955 werd de stichting De Oude Kerk opgericht. Pas in 1979, werd de gerestaureerde kerk weer opengesteld voor publiek.
In 1994 is wederom een restauratie van start gegaan, onder leiding van prof. J. van Stigt. De gebrandschilderde glas-in-loodramen worden voorzien van ‘voorzetramen’ met gehard glas. Het kerkinterieur, waaronder de twee zeer kostbare orgels, wordt op deze manier minder blootgesteld aan vocht. Wanneer de herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd kan de kerk met gemak opnieuw de status opeisen die zij gezien haar rijke historie en centrale positie in de stad verdient.
Literatuur: A. van Rooijen, DE OUDE KERK TE AMSTERDAM IN VOGELVLUCHT, Amsterdam 1985.






