Vaart en duin header h5 Verkade album `thijsse
Home » Geen categorie » 5. Vaart en duin — Lente, Verkade-album, J.P. Thijsse

5. Vaart en duin — Lente, Verkade-album, J.P. Thijsse

HET IS ZOO GOED, IN ‘T VOORJAAR TE ZITTEN AAN DEN WATERKANT, HET WATER IS DAN VEEL HELDERDER DAN IN DEN ZOMER, HET WIER HEEFT NOG NIET DE GEHEELE OPPERVLAKTE BEDEKT EN ER ZWEVEN NOG NIET ZOOVEEL KLEINE LEVENDE WEZENTJES OF OVERBLIJFSELEN ER VAN IN ROND

VAART EN DUIN

Hover preview demo

Mij dunkt, ik hoor die zanglijster (1) Preview al lachen! 21 Maart, begin van de Lente?

VAART EN DUIN

HET IS ZOO GOED, IN ‘T VOORJAAR TE ZITTEN AAN DEN WATERKANT, HET WATER IS DAN VEEL HELDERDER DAN IN DEN ZOMER, HET WIER HEEFT NOG NIET DE GEHEELE OPPERVLAKTE BEDEKT EN ER ZWEVEN NOG NIET ZOOVEEL KLEINE LEVENDE WEZENTJES OF OVERBLIJFSELEN ER VAN IN ROND als in den heeten zomertijd. Lucht en wolken worden erin weerkaatst met groote zuiverheid en de bodem is zoo duidelijk te zien, dat zelfs de bewegingen van kleine zandkorreltjes merkbaar zijn.

Licht en zwierig schieten waterplanten uit den bodem op, hun fijne blaadjes strekkend naar alle kanten: waterpest en hoornblad, vederkruid en waterranonkel. Het gegroefde kroos vormt dichte massa’s van driekante groene blaadjes, klein kroos drijft in cirkel ronde schijfjes aan de oppervlakte en de groote bruine bladeren van de waterlelie komen ineengerold naar boven, om zich aan de oppervlakte uit te spreiden en in de warme zon aan de bovenzijde eene groene tint aan te nemen. Langzaam volgen groote groen.:! knoppen, maar de witte bloem zelve is een bloem van den zomer en als er zich een opent vroeg in Mei, dan brengt dat feit den groenen kikvorsch (122) in een toestand van de allergrootste verbazing.

Het ontwaken van de kikvorschen valt samen met den terugkeer der vogels. de bruine kikvorsch komt tegelijk met de kieviet, de groene met den nachtegaal, wieni naam hij vo.!ren mag. 0, wat worden die “boerennachtegalen” gesmaad en gehoond

maar wat doet het den natuurvriend goed, wanneer hij na den langen winter hun tevreden of uitgelaten gekwaak weer hooren mag.

En dan komen die wonderlijke massa’s kikkerdril in de slooten, de zwarte kikkereitjes, omgeven door een dikke geleilaag, waar de kleine vischjes tevergeefs in happen en die <lc eieren voor tal van schadelijke invloeden beschermt. Prompt op tijd verschijnen de kleine kikkerlarven, eerst klein. met gesloten bek en wapperende kieuwtjes aan weerszij van den kop, dan grooter, met achterpooten, dan met voorpooten en eindelijk verliezen ze hun platte zwemstaart en worden heusche, kleine speelgoedkikkertjes.

Maar al te dikwerf speelgoed! Speelgoed voor kleine onnadenkende wreedaards, speelgoed voor jongelui, die al graag den natuuronderzoeker uithangen en nog niet voldoende beseffen, dat het leed, door hen het dier aangedaan. lang nkt vergoed wordt door de luttele aanwinst van hun kennis.

Het kluchtige dier met zijn mensch achtige maniertjes verdient werkelijk een betere behandeling. Hij heeft het toch al hard genoeg te verantwoorden door al zijn behaarde. gevederde en geschubde belagers, waaronder otter en ooievaar, ringslang en snoek de meest geduchte zijn.

Op den bodem rollen en wiebelen ruwe cylindervormige massa’s heen en weer. Het zijn de larven van koker juffers ( 1O t) in haar kunstige huisjes. Bij tientallen bewegen zij zich in een smallcn strook langs den oever, waar de zonnestralen het ondiepe water doorwarmd hebben.

Heel in de diepte is het hun nog te koud, of liever daar vinden ze nog geen voedsel genoeg, de kleine levende wezens, die hun prooi vormen. zoeken ook nog den zonnigen waterkant.

Geen twee van die huisjes zijn aan elkander gelijk. Sommige zijn opgebouwd uit korte stukjes gras, andere uit blaadjes van het driekante kroos, weer andere uit doode stokjes met grove zandkorrels er aan en nog weer andere uit alleraardigste kleine schelpjes en slakkenhuisjes. Er zijn groote en kleine, korte en lange. uit de meeste komen kop en voorpooten van de bewoonsters te voorschijn, maar bij vell! is geen spoor van een dier te bemerken en dan lijkt het heel vreemd, hoe in het absoluut stilte water zoo’n hoopje groen in heftige beweging kan verkeeren.

Maar andere verschijningen leiden onze aandacht van de kokerjuffers af. Een kll!in blinkend vischje schiet pijlsnel door het water en blijft dan opeens met trillende vinnetjes stilstaan in de zon. Borst en rug schitteren in alle felle tinten van rood en groen en

blauw en de groote oogen schijnen vuur te schieten. Alweer een stuk speelgoed voor de jeugd: het stekelbaarsje ( 123). Deze mooie roodborst is het mannetje in vollen voorjaarsdosch. Een klein kegelvormig hoopje van zand en steentjes op den bodem is het nest, waarin de eieren of jongen beschermd moeten worden. Komt een ander dier, een kokerjuffer, een kever of een stekeltje daar te dicht bij, dan schiet als een vuurstraal het toornige mannetje op den vijand af en hij slaagt er bijna altijd in, die te verjagen.

Maar als de schooljongen komt met zijn schepnet, dan is de roodborst er bij en mee moet hij In het chocolaad-blikje of jampot, hetzij om verpleegd te worden in een goed verzorgd aquarium, hetzij om vergeten en verwaarloosd den honger- en verstikkingsdood te sterven in een ftesch met water voor een zonnig venster.

Nu komt in het heldere water van mijn vijver weer een ander personage te voorschijn.

Tamelijk onbeholpen en als tegen zijn zin omhoog geschoven, komt een groote, groen bruine kever naar de oppervlakte. Helder gele randen versieren borststuk en dekschilden; het is de gcelgerande watertor (97); een mannetje, want zijn dekschilden zijn glad en vertoonen een groote glimplek In ‘t zonlicht. Hij heeft de oppervlakte bereikt en hangt daar nu met zijn kop omlaag. De dekschilden zijn even opgetild, zoodat de lucht kan binnendringen tusschen lichaam en vleugeldek, en als de tor nu weer met krachtige slagen van zijn roei-achterpooten nederdaalt, dan heeft hij versche lucht genoeg. om het daar beneden langen tijd uit te houden.

Op een ander plek vertoont zich zijn geribbeld wijfje en telkens zien wc langs den plas van die groenbruine kevers boven komen, ook andere familicgenooten, half zoo groot. En alle zijn het even groote roovers, verdelgers en verslindcrs.

De groote zwarte watertor (100), die nu om lucht naar boven komt, is al niet veel beter, al voedt hij zich ook wel van tijd tot tijd met planten. Hij heeft zijn luchtvoorr:iad niet op den rug, maar tusschen fijne haartjes aan den buik, waar hij wel een zilveren plastron schijnt te dragen. Wordt de voorraad te klein, dan komt hij aan de oppervlakte met den kop omhoog en dan weet hij langs zijn dikken voelspriet de luchtvoorraad te vergrooten. ‘t Is een prachtig mooi dier en als we oplettend rondzien tusschcn kroos en wier, dan ontdekken we ook wel het kunstig drijvend nest, waarin de eieren regelmatig zijn opeengestapeld. Een spits mastje steekt een centimeter boven het water uit. Uit die eieren komt de larve te voorschijn: het leelijkste, aFgrijselijkste waterdier van onze slooten. Maar dat is een dier van den zomer.

In den avond verlaten vele van deze kevers het water en vliegen gonzend rond en dan kan het je wel gebeuren, dat zoo’n dikke pikzwarte of geelgerande eventjes in ‘t voorbijgaan tegen je hoofd komt aanbonzen. Maar nu in ‘t zonnetje blijven ze in het water rondzwemmen om prooi, of zich koesteren in het lekkere bovenste waterlaagje.

Daar daalt een zilveren balletje neer, zoo groot als een knikker. Het is de waterspin (102) die zijn luchtvoorraad draagt om het geheete lichaam, vastgehouden door tallooze fijne haartjes. Hij begeeft zich naar een lichte plek in ‘t water, ook een zilveren bel, dat is zijn nest, zijn schuilhoek, waarin hij van tijd tot tijd de lucht moet ververschen.

De draden, die hij tusschen de waterplanten heeft gespannen, kunt ge niet zien, want ze zijn even doorzichtig als het water zelve.

Daar wordt zijn weg gekruist door een wakkeren zwemmer. Ha, hoe gaan de lange achterpooten door ‘t water, het lichaam van het dier schiet als een bootje vooruit. Dat is het bootsmannetje (98) of ruggczwemmer, in vorm en kleur wel een van onze mooiste waterinsecten. Het rozerood van de vleugels, het geel van kop en borststuk vormen met de zilverglanzende luchtmassa van de buikzijde een prachtig geheel. De lange achterpooten zijn prachtige roeiriemen, flink lang en bij lederen slag worden zij verbreed door een haarfranje, die bij den terugslag weer vlak tegen den poot gaat aanliggen en zoo den weerstand minder maakt.

Kinderen, die met een schepnetje de slooten afvisschen, nemen niet licht die bootsmannetjes mee. Waarom niet? Weten ze, dat de bootsman, als het hem lust, een ferme steek kan geven? Or hebben zij de ervaring opgedaan, dat hij in het aquarium de andere dieren aanvalt en doodt? Het een is zoo goed waar als het ander, maar wanneer je bootsmannetjcs houdt in een afzonderlijke flesch met wat zand en waterplanten, dan kun je er veel plcizier van hebben. 1k heb ze eens een jaar lang gehouden in een gewonen glazen jampot. Ze tierden opperbest en kregen aardige jongen, die al dadelijk den echten bootsmansvorm hadden en prachtig op hun rug konden zwemmen.

Wie wel altijd mee moeten in de gevangenis, dat zijn de salamanders (99). Die zijn nu ook op zijn mooist, de mannetjes met prachtige, kleurige kammen op den rug en zeer verbreeden staart. Wie stil aan den slootkant zit, kan ze telkens voorbij zien zwemmen.

Op goede dagen liggen ze bij dozijnen aan den zonnekant In het ondiepe water. Af en toe komt er leven in ‘t gezelschap, dan zwemmen ze met slangachtige kronkelingen om en over elkander. De eitjes van deze die:-en worden niet gelegd in klompen of snoeren, maar afzonderlijk aan de waterplanten. Ze zijn niet gemakkelijk te vinden, je moet er geduldig stengel na stengel voor nazien.

Uren lang kan ik aan zoo’n zonnigen vijver liggen te kijken, naar al dat gedierte, dat uit de groene diepte verrijst en zich komt verlustigen in het lauwe kantwater. En ook aan de oppervlakte zelf is leven en beweging zonder ophouden. Daar krinkelen in zuivere cirkelbochten de glimmendblauwe draaikevertjes (101) rond in scholen van soms wel meer dan honderd. Wat een drukte en gewoel. Soms raakt er een in geestdrift en die is dan niet tevreden met lustig te gljjden langs het oppervlak, maar hij geeft zich een zetje en huppelt vier, vijf keer achtereen omhoog net op de manier van een

plat steentje, dat wij langs het water pleielen of schuifen of kiskassen, of hoe noemen ze het bij u in stad of dorp?

Die draaikevertjes lijken wel geen beenen te hebben, maar dat is slechts schijn. Ze bezitten aardige grijppootjes en allermerkwaardigste roeipooten, bovendien een dubbel stel oogen: één dat kijkt langs de bovenzijde van ‘t watervlak en een tweede waarmee het dier kan zien, wat er in het water gebeurt. Ze zijn schuw en schichtig in hooge mate; een slag met een stokje jaagt het heele gezelschap naar omlaag en ieder kevertje neemt bij het neerduiken weer een luchtbel mee.

Tusschen de onrust van de schijnbaar pootlooze draaikevertjes bewegen zich de langpootige schaatsenloopers met de uiterste kalmte. Waar hun pooten het water raken, heeft de gladde vlakte een heel klein deukje, maar overigens maken deze dieren den indruk van geheel gewichtloos te zijn. En het is toch ook eigenlijk wel iets heel bijzonders, zoo je heele leven lang te loopen over het water en nooit nat te worden. ~—-,…—–e-“””l’~..—–. Er zijn verschillende soorten van schaatsen loopers. sommige kort en dik, andere zoo lang en zoo smal van lijf, dat het haast onbegrijpelijk is, hoe zoo’n schimmetje nog een hart en ingewanden. spieren en zenuwen, een hecle anatomie, kan bevatten.

De oever zelf raakt dicht begroeid.

Het riet is nog kort, maar st>!ekt toch al met duizend pieken boven het water vlak. Kalmoes en lischdodden vormen dichte bossen en de gele lisch (118) steekt zijn grijsgroene bladeren al hoog in de lucht en ontplooit aan de knoopige stengels de eene bloem na de andere, heerlijke groote bloemen, mooi van het oogenblik af, dat ze als netjes opgerolde puntige knop uit de bloeischeede komen, totdat ze verwelken en de groote, groene, onrijpe vrucht overlaten.

De gele bloemdekblaren wapperen in den wind, de bladachtige stempels met hun uitgeknipte punt steken er vroolijk boven uit en op mooie dagen zoemt en gonst het om de bloem van vliegen en bijen, die uit de diepe bloemdekbuis den zoeten kruidigen honing komen halen. Er bestaat een groote verscheidenheid in de honderden lisschen langs den slootkant: verscheidenheid in tint van geel, verscheidenheid in de bruine versiering van de groote hangende dekslippen, verscheidenheid in den stand der stempels, die nu eens hoog boven de bloem uitsteken, dan weer vlak op de dekslippen liggen.

Wij willen eenige van deze heerlijke bloemen afsnijden en thuis in glazen zetten, om te zien, hoe ze zich ontplooien en hoe telkens een verwelkte bloem vervangen wordt door een frissche, die bijna dezelfde plaats inneemt. Zoo kan één stengel een week lang het venster sieren.

Tusschen de lisschen staan hier en daar de groote waterzuringen, die hun groote bladeren omhoog steken, haast op de manier van tropische pisangs. . Op andere plekken verdringen zich de ruige bladeren en stengels van de smeerwortels(81), met de mooie hangende, klokvormige bloempjes, die in gedraaide trossen bij elkaar staan en allerlei kleuren kunnen vertoonen: geelachtig wit, oranje, rose, lichtblauw, donkerblauw, violet en paars. Een ruige plant, die alle fijnheid en gratie schijnt te missen, maar als ge de bloem openmaakt, dan vindt ge daarin vijf driehoekige dekseltjes, waarvan de randen versierd zijn met “het allerfijnste goudsmeedwerk.

Hoe dichter de oever begroeid Is, des te meer kans bestaat er, dat er aardige vogels huizen. Op rustige plekken aan breede wateren broedt nu de fuut( 138), in gedaante en kleur en manieren een van onze zonderlingste watervogels. Zijn nest is een drijvende moddennassa, niet te onderscheiden van de zwarte veenmassa’s, ontstaan uit de hatr verrotte planten van het vorig jaar.

Meer algemeen vertoont zich de koet (137), net een zwart eendje met een witten bles.

Als hij zich schuil houdt tusschen de oeverplanten, dan hoort ge toch nog altijd zijn korte keffende roepjes. Hij heeft een mooi hoog nest, opgebouwd van stengels en bladeren, en daar liggen zijn tamelijk groote en talrijke bruine, fijn gespikkelde eieren, waaruit later enorm leelijke ruige, kleine, harige duiveltjes van jonge koeten te voorschijn komen.

Maar het echte vogeltje van den waterkant, het beminnelijkste vriendje van den een zamen hengelaar, dat is het waterhoentje(121), dat zelfs In kleine vijvers en smalle slooten zijn nest durft te bouwen en hoe langer hoe meer vertrouwt raakt met de menschen.

Hoe sierlijk zwenkt het diertje rond, hoog op ‘t water, het spierwitte staartje opstijgend als de achtersteven van een ouderwetsche karveel. Bij lederen slag met de groene pooten schokt het slanke nekje voor en achteruit en de groote roode plakkaat boven op den bovensnavel blinkt in de zon. Hij hapt in de lucht en langs het water en als hij zijn bek vol heeft met kleine insecten, dan stuurt hij regelrecht naar huis en loopt voor de gauwigheid met weergalooze behendigheid over een groot bed van wiebelende waterleliebladeren. Als hij aan den waterkant komt tusschen de bloeiende lisschen, dan komt hem ongeduldig al een spitse snavel te gemoet en het broedende wijfje neemt haar voedsel in ontvangst. Dadelijk maakt de man weer rechtsomkeert, om in weinig minuten weer een nieuwen voorraad op te doen.

Hoe dikwijls heb ik deze familietafereelen begluurd langs den vijver van Duin en Daal, aan het Meertje van Caprera en in de grachten van de ruîne van Brederode, toen die nog frisch en helder waren. Nog broedt daar ieder jaar een paartje en ‘t is een groot genoegen er naar uit te zien in den tijd, dat de ruïne overdekt is met de heerlijke, geurige muurbloemen ( 127).

Het Is wel een van de liefelijkste openbaringen van de Lente, dat zij de oude ver-

vallen bouwwerken zoo guitig versiert met mooie bloemen. Tot boven aan toe komen uit de muren de grijsgroen bebladerde stengels te voorschijn met honderden oranje bloemen, omzwermd door bijen en vlinders. Elders staat weer in een muurspleet een lijsterbes te bloeien, of een vlier ontwikkelt er zijn bladeren en laat zijn breede bloem tuilen zien, die nu nog groen zijn. De groote abeel op de binnenplaats. heeft pas zijn witte bladeren gekregen en de hooge wilgen langs de gracht vertoonen gele bloesemkatjes tusschen lichtgroen loover.

Langs de grachtkanten staan in dichte rijen de lisschen te bloeien en wilgenroosje en koninginnekruid zijn gereed hen te volgen, terwijl op en om de muren en in de boschjes look zonder look en fluitekruid bloeien in een wolk van wit. Hief vinden we ook onze oude vrindjes, de oranjetip-vlindertjes ( t 40) weer. Bij dozijnen vliegen ze over de witte bloemen, de wijfjes heelemaal wit, de mannetjes met groote oranje vlekken aan de toppen der voorvleugels. En als ze gaan zitten op het bloeiend pijpkruid of op de lookraket, dan zijn ze opeens verdwenen, zoozeer harmonieert de wit met groen gekleurde onderkant hunner vleugels met het wit en groen van deze lentebloemen.

Nu nog een keer de duinen in, om nog meer vlinders en vogels en bloemen te ontmoeten. Ik ken een pad waar de rustige wandelaar geduld wordt, ik weet een plekje, waar we een paar zonnige morgenuren verdroomen kunnen. Het is een berke boschje aan de oosthelling van niet hooge, maar steile duinen. De helling van die duintjes is in de hoogte begroeid met duindoorns, maar lager komen wilde rozen en wilde asperges en eindelijk allerlei fijne bloempjes: wikke, vergeetmijnietjes, viooltjes, aardbeitjes (116) en pimpernel, fijn kruidig goedje, waarboven de glinsterende vuur vlinders (82) en de fijne blauwtjes (143) rondfladderen.

Waar veel viooltjes(75) bijeenstaan, daar komt ook een bruin met zwarte vlinder rond vliegen en als hij zich te midden van de bonte bloempjes neerzet en de vleugels opslaat, dan blijkt de onderkant daarvan bezet te zijn met groote glinsterende plekken van het mooiste parelmoer. Het is de parelmoervlinder (75), die in de duinen even algemeen is, als de oranjetip in de pinksterbloemen-wei aan den boschrand.

Het is goed, dat we buiten het boschje zijn gaan liggen, want nu kunnen we niet alleen nachtegaal en roodborst, fitis, roodstaart en winterkoning in het bosch hooren zingen, maar we zien ook, hoe een zanglijster vlug van onder een bloeienden meidoorn rent naar een open plekje en daar met veel animo een huisjesslak(IOS) stukslaat, die hij in den bek had. Hij pikt de weeke slak er uit en hipt daarmee weer het bosch in en nu weet ik, dat daaromtrent zijn nest met geelbekkige jongen te vinden moet zijn. Hij heeft al wat slakjes verbruikt, want de slachtplaats ligt vol met stukgehakte huisjes.

Een bontgekleurde tapuit(124) houdt er nalezing.

Een groote ronde violette kever loopt over een open zandplek, hij rolt een konijnen-

bolletje voor zich uit, het is de mesttor(106), die hier nuttige grondwerkersarbeid verricht.

Nu zien we ook naar konijntjes (129) uit en jawel, die zitten te spelen aan de overzijde van de vallei, tusschen de duindoorn. Toen ik de verrekijker aan de oogen bracht, bleven ze opeens als versteend stil zitten. Maar als ik ze wijs kan maken, dat ik hier zit te dutten, dan begint het gestoei weer van voren af aan. Zij rennen elkaar na in groote kringen en de witte staartjes lijken in de verte wel vlindertjes, want het grauwe dier zelf steekt tegen den duin-achtergrond bijna niet af.

Opeens vliegt met luid gejoel een groote vogel met kromme snavel over ons heen.

Het is een wonder, dat wij hem al niet eerder gehoord hebben, want wie in Mei een wandeling doet door het duin, wordt vroeg of laat altijd begeleid door dezen hoogvlieger en luidkrijter, de wulp {125). Ik wil nooit zeggen. dat een wulp schreeuwt, daarvoor is zijn geluid veel te diep, te metaalachtig, te welluidend. Het is een heerlijk krachtig dier, een onvermoeid vlieger, een volmaakt wandelaar, een volleerde dans meester, een uitstekend krabbetjesvisscher, een vlugge sprlnkhanenjager en bovendien een baas in het verstoppertje spelen, die zelf ieder meteen opmerkt en dadelijk onraad blaast.

Zie hem rondvliegen door de blauwe lucht en langs de witte wolken. Wanneer ge denkt, dat hij aan ‘t eind van de vallei verdwenen is, dan roept hij meteen weer vlak boven uw hoofd, want hij ‘ • ,. . ;,…. heeft niet anders gedaan, dan in een ‘./,1r,-:,;,, . i,~ wijden kring rondvliegen. Het duurt langen tijd, eer hij volkomen gerustgesteld is en zelfs nadat hij is neergestreken op een naburige duintop, loopt hij nog lang schutterig heen en weer met veel vleugelgeklep en snavelgezwaai.

Nu vallen opeens veel witte blaadjes van een bloeienden meidoorn vlak bij en daar het niet waait en de meidoorn pas in bloei komt, moet daar ook een vogeltje aan den gang zijn. Jawel daar fonkelt een rood borstje en een rood schedelkapje, het is een kneutje (113), dat flink en vrooliik zijn liedje uitkraait, kweelt en kwinkeleert. Dit is het vroolijkste en prettigste vogeltje van hei en duin, weinig opgemerkt en overal aanwezig en ‘s ochtends vroeg zit hij wel te zingen op den telefoondraad vlak bij mijn huis.

En nu lijkt het wel of de heele helling een kneutjes-verblijf is, want als de kneu in den meidoorn heeft uitgekraaid, dan begint er weer een in den egelantier en eindelijk een stuk of drie hoog boven in de duindoorns. Ze zingen al luider en luider en het duurt niet lang of het komt tot de onvermijdelijke vechtpartijen, die er op uitloopen

het heele kneuengezelschap nutterend en kraaiend in schokkende vlucht een grooten tocht houdt door de lange vallei. . .

Weer blinkt er iets in ‘t zand , het is een gouden loopkever (104), die een rups heeft vangen en er mee marcheert naar een rustig plekje om hem op t . e peuzelen. Een idje achter hem scharrelt een bruine zandloo~kev~r (105) e.~ net a~s 1.k hem pakken wil,. t hij zijn metaalglanzend dekschild op en vhegt mcens v1Jfen_twmttg meter ver weg. : kunt aardig buiten adem raken, als je die zandloopkevers wilt vangen en bovendien geduld verliezen met te hengelen naar hun lcelijke, dikkoppige, gebochelde larven, ie hun verblijf houden in loodrechte, twee tot drie decimeter diepe putten. Maar daar ril ik vandaag niet aan denken.

Hoe heerlijk staan al de heesters in bloei! De berken zelf zijn uitgebloeid, maar de meidoorn heeft geurigen bloesem en heerlijke, mooie witte knoppen. En de sneeuwbal lf Geldersche roos ( t ï) (hij groeit in de duinen veel meer dan in Gelderland) is overdekt met zijn platte witte tuilen, kleine echte bloempjes in ‘t midden en daaromheen een krans van groc>te witte lokbloemen, die zelf geen stampers of meeldraden hebben, noch honing voortbrengen, maar de insecten den weg wijzen naar die echte kleintjes binnenin.

Die laten dan ook niet op zich wachten, want het wemelt op die witte sneeuwbal van vliegen, wespen, bijen, vlinders en kevers.

En vlak daarbij staat weer een berberis(115), een eeuwenoude struik met honderden stammetjes, die dicht opeen uit de aarde komen, zich fijn vertakken en tusschen de bundeltjes van lichtgroene blaadjes ontelbare trossen met mooie goudgele bloemen dragen.

Gij kent de bijzonderheid van die bloempjes; wanneer de binnenzijde der meeldraden wordt aangeraakt, dan buigen deze plotseling naar binnen: ze kunnen niet tegen kriebelen.

Menige honigbij zal geschrokken zijn, als zijn tong zoo opeens bekneld raakte tusschen meeldraad en stamper. Maar hij kon niet laten, om in een andere bloem weer naar den zoeten honing te zoeken en bracht zoo wel het stuifmeel over, dat dienen moest om den stamper te doen rijpen tot de lekkere en mooie zure roode bes, die we in den herfst zullen zoek:n.

Al die heerlijke heesters staan hier dicht opeen en het is, alsof op zoo’n gezegend plekje ook alle vogels, alle vlinders gaarne willen komen. Onophoudelijk schitteren bonte kleuren, onophoudelijk klinken vroolijke liedjes. Een vogel is er, die in lied en vlucht op deze plaats de lentevreugd nog duidelijker openbaart dan de nachtegaal en de ~~is in het bosch. Het is de boompieper (89), een grauw diertje, dat wel op een leeuwerik hJ~t. ~et vluggen wiekslag stijgt hij snel zingend omhoog, spreidt dan vleugels en staart Wl)d -~t en ~lt zonder eenige beweging in de grauwe veertjes zingend weer neer. 81 st1 > het 1gen is de zang vlug, krachtig en vroolijk, bij het dalen gaat hij over in reine, langgerekte fluittonen, vol vervoering en bijna klagend en als de vogel op een d

boomtop is neergekomen, dan krijgt de vreugd weer de overhand en besluit hij zijn lied met een fllnkcn, rammelenden, krachtigen triller.

Zoo gaan ook wij de lente door, met blijdschap, als de winter wijkt, met diepe ontroering, wanneer al het schoone leven zich aan ons openbaart, met vreugd en vertrouwen, als de teere bloesem overgaat tot forschen bloei en ontwikkeling, als de pracht der rozen den zomer binnenleidt.

🦷🦷🦷🦷🦷 ? Voor een overweldigende en duurzame ervaring zeker raadplegen… want dit zijn kunstwerkjes waar de tand des tijds geen vat op heeft

Blader door alle onderwerpen

Snel bladeren