Brief aan de lezer (63)

Persoonlijke noot
“De Geverfde Vogel” van Jerzy Kosinski gaat dus over stigmatisering. Toen ik het boek in de jaren ’80 als puber las wist ik nog niet dat Jerzy verdacht werd van plagiaat. Hij had co-auteurs delen van de roman laten schrijven. En het autobiografische karakter bleek in werkelijkheid niet waar te zijn. Jerzy was als kind helemaal niet door zijn ouders gedumpt op het platteland. Hij had de hele oorlog lang bij hetzelfde gezin gewoond. Het is een beetje dubbel. Een boek over stigmatisering en de auteur wordt zelf uitgestoten door de maatschappij. Maar maakt dat uit in de waardering van het verhaal? Ik vond het een adembenemende geschiedenis.
Het verhaal van een Joodse jongen (zwart haar, olijfkleurige huidskleur), dolend door het grimmige Oost-Europese oorlogslandschap, waarin hij door iedereen agressief wordt bejegend was de wrede, historische werkelijkheid. De verhalen uit de ‘Geverfde Vogel’ van Kosinski zijn weliswaar verzonnen maar niet ondenkbaar, zoals vele ooggetuigenverslagen over deze periode bewijzen. De angst voor en de haat tegen zigeuners en joodse mensen, het primitieve bijgeloof dat boeren op het (Poolse) platteland nog in haar greep heeft – het bestond.
Als puber vond de ik portretten van de mensen waar het jongetje werd ondergebracht hilarisch. Een soort verzameling sprookjesfiguren die het kwade in de mens symboliseren. De jongen vertelde over een gebochelde oude vrouw Martha die hem onder haar hoede nam om klusjes voor haar op te knappen. De vrouw was een soort toverkol die geloofde in hogere machten. Ze waste zich alleen met Kerstmis en met Pasen. Haar kapsel was vervilt tot een groot nest met vlokken. Ze stonk een uur in de wind. Ik moest daar enorm om lachen. Wat een beelden! Elk hoofdstuk heeft zo’n verschrikkelijk personage dat met het jongetje aan de gang gaat. Het waren gitzwarte portretten van primitieve boeren, angstig voor alles wat vreemd was. Toen realiseerde ik mij niet dat dit hele eenzijdige portretten waren van de Poolse mensen die Kosinski als zijn voormalige landgenoten beschouwde. Het waren karikaturen maar dat mag natuurlijk in een roman. Het was fictie. De mensen die in het boek voorkomen zullen later een heel ander verhaal vertellen toen het boek ook in het Pools werd vertaald. Kosinksi, na de oorlog geëmigreerd naar de VS, had het boek in het Engels geschreven en pas veel later werd het boek ook in zijn moederstaal uitgegeven en verscheen het in Polen.
De toverkol in hoofdstuk twee lachte nooit. Zij hield haar mond stijf gesloten want, zo drukte zij het jongetje op zijn hart: elke tand die het jongetje in haar mond kon tellen, kostte haar een jaar van haar leven. Het jongetje moet dan vervolgens aan zijn eigen moeder denken. Hij had haar vaak zien lachen en haar tanden geteld. Hij is bang dat zijn moeder dus ook snel zou sterven.
Alle mensen die het jongetje hoofdstuk na hoofdstuk in het boek ontmoette zijn primitieve, wantrouwende mensen die hun angstige en hardwerkende bestaan door bijgeloof proberen te beheersen.
Ik vond het heel indrukwekkend om te lezen, toen, als puber. Het meest afschrikkende beeld dat mij is bijgebleven is de scene dat het jongetje door Martha rechtop is begraven in de tuin. Alleen zijn hoofd steekt nog boven de aarde uit. Er was namelijk sprake van een besmettelijke ziekte in het dorp. Als het jongetje ook tekenen van besmetting krijgt, moet hij van Martha een diep gat in de tuin graven en er zelf in springen. Het is de meest morbide scene die ook in de verfilming van het boek een grote impact heeft.

Ook het sadisme van de vogelman, die uit liefdesverdriet sommige van zijn gevangen vogels insmeerde met verf en weer losliet, zijn scenes die je niet meer vergeet. De metafoor van de vogel – fel gekleurd en verstoten door soortgenoten – greep mij aan: Wie anders is, wordt vernietigd.
Toen Kosinski’s zogenaamde autobiografie grotendeels verzonnen bleek te zijn is de metafoor van de Geverfde Vogel compleet. Was dit niet zelf een manifestatie van het ‘geverfde vogel’-syndroom? De schrijver die zijn eigen lijden dramatiseerde, verzon, om de wereld te dwingen hem te zien? Een diep verborgen narcisme, wellicht ontsproten uit de wonden van een gekwetst kind? Zo word je vanzelf een geverfde vogel.
Met het verstrijken der jaren, inmiddels worstelend met het echte leven dat na het lezen van de boeken in je pubertijd met een keiharde realiteit zich aandoet, kreeg “De Geverfde Vogel” een nieuwe betekenis voor mij. Na mijn middelbare schooltijd verviel ik in een depressie die na het voltooien van mijn studie nog een keer terugkwam. De depressie werkte als klodders verf op mijn jas.
Het gaat niet alleen om openlijke verwerping, maar ook om de subtiele kunst van uitsluiting. De achterdocht die in ogen sluimert, de gesprekken die verstommen, de onzichtbare grenzen die worden opgetrokken als je een verleden hebt met depressie. Alsof mijn depressie een besmettelijke ziekte is die anderen kunnen oplopen. Maar ook tegelijk het gevoel mij die verfspatten op mijn vleugels in te beelden? Misschien verbeeld ik het maar en word ik helemaal niet beoordeeld als een gek? Alsof er aan mij een steekje los is?
De maatschappij keert zich af van wat ongemak veroorzaakt, met een snelheid die duizelt. Men oordeelt zonder kennis, men veroordeelt zonder proces. De ondraaglijke druk om ‘normaal’ te zijn, om je depressie te verhullen achter een masker van alledaagsheid, maakt de pijn van uitsluiting des te snijdender.
Net als de jongen in het boek leer je te overleven, je aan te passen aan een vijandige wereld. Maar diep vanbinnen knaagt de vrees: dat je op een dag niet meer de kracht zult hebben om te vechten voor je plek, dat je zult bezwijken onder het gewicht van je eeuwige buitenstaanderschap.
Toch ontdekte ik, na lange tijd zwervend als een geverfde vogel, een onverwachte troost. Een zachte, bijna onmerkbare herkenning in de ogen van anderen, die eveneens verfspatten dragen op hun kleren. Spatten die alleen zichtbaar zijn voor wie weet hoe verlammend de angst kan zijn dat het nooit meer goed komt, hoe je voor geen meter contact kunt maken met een gevoel van zekerheid of vertrouwen.
Deze lotgenoten herkennen de gedachtenwereld waarin je voortdurend leeft, waarvan de helft achteraf heel anders in elkaar blijkt te zitten. Zij begrijpen de vermoeidheid die door je botten trekt, terwijl je blijft jagen en hopen op een oplossing in de toekomst. Ze zien de hoop die je koestert, de illusie waarin je leeft dat er een beter verleden mogelijk is.
Terwijl elk ‘normaal’ mens (ja, die heb ik zeker ontmoet, Loesje!) weet dat het verleden voorbij is, dat de meeste mensen om je heen eigenlijk lief zijn en dat je hen kunt vertrouwen, moet de geverfde vogel dit leren door pijnlijke ervaring. Moet leren dat je om hulp mág vragen, dat er troost te vinden is onder lotgenoten.
In de schaduw van onze collectieve buitenstaanderspositie ontstaat een nieuw soort verbondenheid. Een zacht gefluister tussen gekleurde veren, een uitwisseling van verhalen die de zwaarte verlicht. Hier, in dit verbond van kleurrijk gevederden, ligt de verlossing: niet in het wegwassen van de verf, niet in het krampachtig proberen één te worden met de grijze massa, maar in het erkennen van elkaars unieke patroon, elkaars pijn en schoonheid.
De tragische ironie is dat Kosinski, door zijn eigen ‘geverfde vogel’-gedrag, uiteindelijk zelf werd verstoten. Zijn bedrog en plagiaat leidden tot de ondergang van zijn reputatie. Misschien zocht hij nooit de troost van andere geverfd gevederde zielen, zag hij nooit dat zijn unieke kleuren hem niet verdoemden tot eeuwige eenzaamheid, maar juist de sleutel vormden tot diepere verbinding.






