Metamorphosen boek I – 497-502
Hij ziet haar onverzorgde lokken langs haar schouders vallen en denkt ‘hoe fraai als zij die opbond’, ziet de gloed die uit haar sterrenfonkelende ogen straalt, en ziet de lippen die meer te bieden hebben, prijst haar vingers, handen, haar armen die tot bijna aan de schouders onbedekt zijn; wat wel bedekt is, droomt hij zich nog mooier.
De waternimf Daphne was een dochter van de riviergod Ladon of Peneius. De nimf wilde echter niets van mannen weten en was vooral gefocust op de jacht. Haar geluk vond ze in de bossen en het jagen op dieren. Door haar schoonheid had ze veel aanbidders die graag met haar in het huwelijksbootje wilden stappen, maar zij wees ze allemaal af. Het liefst bleef ze, net als de godin Artemis, haar hele leven een maagd en ongehuwd. Ook de god Apollo viel als een blok voor de mooie nimf, tevergeefs.
Liefdespijlen
Apollo’s hartstochtelijke gevoelens voor de nimf kwamen niet uit het niets. Eerder had hij de god van de liefde Eros (Cupido) beledigd om zijn kunsten met de pijl en boog. Op deze neerbuigende woorden reageerde Eros door twee pijlen uit zijn koker te halen. Een gouden pijl met scherpe punt die de liefde opwekt en een loden pijl die het liefdesvuur dooft. De eerste pijl schoot hij af op Apollo en de tweede schoot hij naar Daphne. Nadat de liefdesgod zijn pijlen had geschoten, raakte Apollo helemaal in vuur en vlam voor Daphne. Hij kon alleen nog maar aan haar denken, zo schreef Ovidius:




