Weinig van de veelal gehaaste bezoekers van het Centraal Station zullen zich bewust zijn van hetgeen architect P.J.H. Cuypers (1827–1921) eind 19de eeuw in de vorm van het gebouw tot uitdrukking wilde brengen. In veel van zijn ontwerpen liet Cuypers zich inspireren door de middeleeuwse maatschappij en bouwkunst. Zijn eigen tijd beschouwde hij als een periode van culturele achteruitgang en stijlloosheid. Ook met betrekking tot het stationsgebouw greep hij terug naar een element dat in zijn tijd al lang uit het Amsterdamse stadsbeeld was verdwenen. Het ‘moderne’ Centraal Station, de locatie bij uitstek waar de reiziger van de 20ste eeuw de stad zou binnenstappen, moest in de ogen van Cuypers van een afstand de vorm krijgen van een middeleeuwse stadspoort. Eeuwenlang was de stadspoort een gedwongen halteplaats geweest aan de rand van de stad. Samen met kerktorens en andere openbare gebouwen bepaalde zij het silhouet van de middeleeuwse stad. Cuypers wilde dit beeld herstellen. Wanneer we de nieuwe ‘stadspoort’ dichter naderen wordt duidelijk dat Cuypers de hoofdfaçade van het gebouw tevens heeft willen ontwerpen als een soort ‘paleis voor de reiziger’. De noklijn van het gebouw, die over de volle lengte op gelijke hoogte is doorgetrokken, en de symmetrische verdeling van de torens en uitspringende gevels doen denken aan de architectuur van een Frans paleis uit de renaissance.
Het plan om een Centraal Station op een aantal aangeplempte eilanden midden in het Open Havenfront te bouwen stamt uit de tweede helft van de 19de eeuw. De spoorlijnen Haarlem–Amsterdam en Utrecht–Amsterdam werden toen nog geëxploiteerd door twee particuliere organisaties: respectievelijk de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (HJSM), met het station Haarlemmerpoort in het westen van de stad en de Nederlandsche Rijn Spoorweg Maatschappij (NRS), met het station Weesperpoort in het oosten. In 1869 kwam ook de lijn Nieuwe Diep (bij Den Helder) – Amsterdam gereed. Om deze nieuwe verkeersstromen door de stad, waarin overigens passagiers nog maar een beperkte rol speelden, in goede banen te leiden koos men voor het hart van de binnenstad. Aangezien daar weinig ruimte was begon men in 1869 met het aanplempen van drie eilanden in het IJ.
In tegenstelling tot de overige stationsgebouwen van Nederland werd de opdracht tot het ontwerp van het Centraal Station aan een beroemde bouwmeester verleend. Cuypers had al verschillende bouwwerken (zoals bijvoorbeeld de Vondelkerk) op zijn naam staan en ontving de opdracht in 1876. Vooral wat betreft de constructieve aspecten van het gebouw werd hij bijgestaan door de architect A.L. van Gendt (1835–1901). De constructies van de perronoverkappingen werden door ir. L.J. Eijmer van de Staatsspoorwegen ontworpen. Maar ook in het ontwerp van de eindgevels van de kappen wist Cuypers zijn vormentaal door te voeren. Door aan weerszijden van de ‘moderne’ ijzeren spanten twee middeleeuws ogende torens te plaatsen, probeerde de architect ook hier de treinreiziger bij aankomst het idee te geven een nieuwe ‘stadspoort’ binnen te rijden.
Aan het einde van de 19de eeuw werd de treinreiziger naar de sociale stratificatie van de tijd onderverdeeld in verschillende klassen. Zo kende men een wachtkamer der derde, tweede en eerste klasse. In het oostelijk paviljoen bevond zich als hoogste in de hiërarchie de koninklijke wachtkamer. Zij verleent momenteel nog steeds slechts toegang aan het vooraanstaande gezelschap waarvoor zij is ingericht: de leden van het koninklijk huis. De wachtkamer die door haar royale afmetingen de symmetrie van het totale stationsgebouw enigszins doorbreekt werd in april 1996 door koningin Beatrix gebruikt tijdens het Noorse staatsbezoek.
Architect Cuypers verwerkte in zijn decoratieprogramma voor deze zeer bijzondere wachtkamer veel symbolen die refereren aan het koningshuis en gezag. De koninklijke gasten reden na een bezoek aan Amsterdam met koets en al het gebouw binnen. Boven de doorriten, gezien vanaf het Stationsplein, bevinden zich het alliantiewapen van koningin Emma, het wapen van Nederland, de prins van Oranje en Willem de Zwijger; daarboven worden in een reliëf van Eduard Roskam de drie elementen van de reis verzinnebeeldt: het afscheid, de reis en het weerzien.
Eenmaal in het gebouw stapte het koninklijk bezoek uit voor de staatsietrap, overdekt met middeleeuwse kruisribgewelven. De indrukwekkende twee meter hoge vaas van albast eist hier alle aandacht op. Vervolgens besteeg men de trappen, aan weerszijden gedecoreerd met twaalf schilderingen van kinderfiguren die de maanden van het jaar voorstellen. Op de overloop richting de eigenlijke wachtruimte zijn de vier levensfasen van een mens uitgebeeld: een kind, een student, een volwassen man en een grijsaard. In de koningszaal was er ruimte voor ontvangstceremonieel en nam men plaats op de speciaal voor de wachtkamer door Cuypers ontworpen stoelen. Wanneer de koninklijke trein dan uiteindelijk arriveerde werd de wachtkamer verlaten en betrad men perron 2b. Twee grote smeedijzeren hekken, met in het midden de koninklijke kroon, houden de koninklijke wachtkamer nog steeds voor het grote publiek verborgen.
In 1995 is het zogeheten ‘Koningspaviljoen’ volledig gerestaureerd. De door de trillingen van treinen veroorzaakte wandscheuren zijn gerepareerd. De dikke, vergeelde vernislagen van de wandschilderingen werden verwijderd en vervolgens opnieuw ingekleurd; de bloemversieringen werden weer van het oorspronkelijke gouden biesje voorzien. Alleen de drie beschilderde houten panelen in de toegangshal boven de poort richting het Stationsplein waren nauwelijks meer van de ondergang te redden. De figuren die de omvang van het Koninkrijk der Nederlanden verbeelden – een Javaan voor Oost-Indië, een Hollandse boer voor Nederland en een indiaan voor West-Indië – zijn replica’s. Zij werden geschilderd op platen triplex en voor de originele schildering geplaatst.
Literatuur: A. Oxenaar, CENTRAAL STATION TE AMSTERDAM, HET PALEIS VOOR DE REIZIGER, Den Haag 1989.






