
Alleen enkele gracht- en straatnamen als de Reguliersgracht, Gebed zonder End en Monnikenstraat herinneren in de binnenstad nog aan de aanwezigheid van kloosters. Toch telde Amsterdam aan het begin van de 16de eeuw maar liefst drie mannen- en zeventien vrouwenkloosters! Dit grote aantal baarde de stadsregering indertijd zelfs grote zorgen. Het gebied tussen de Oudezijds Achterburgwal en de Kloveniersburgwal dat na 1425 bij de stad was getrokken werd nagenoeg in beslag genomen door weidse complexen van verschillende kloosterorden. En dat terwijl de stadsbevolking gestaag groeide, zonder dat er veel ruimte was voor nieuwe woningen binnen de stadsmuren. De stadsregering probeerde dan ook in de loop van de 15de eeuw paal en perk te stellen aan de stichting van nieuwe kloosters in de stad. Het merendeel van deze kloosters werd na de Alteratie van 1578 afgebroken of bestemd voor liefdadigheidsinstellingen die de sociale functie van de godshuizen overnamen. Aan de Barndesteeg staat echter nog één van de laatste overblijfselen van de rijke kloostercultuur in Amsterdam trots overeind.
De blinde kloostermuur met de vele muurankers maakte oorspronkelijk deel uit van de noordvleugel van het vrouwenklooster van Sinte Maria Magdalena in Bethaniën. Het complex bestond uit een open binnenterrein met een tuin, een bleekveld en een kerkhof, waaromheen kloostergebouwen stonden opgesteld. In het gebouw aan de kant van de Barndesteeg, het restant dat aan het eind van de jaren ’80 is gerestaureerd, waren vroeger de refter (de eetzaal), de spinkamers en in het hoogste gedeelte de slaapzaal van de zusters gevestigd.
In de 15de eeuw eiste de stadsregering van de zich gestaag uitbreidende kloostergemeenschappen dat zij zich niet alleen wijdden aan godsdienstige oefeningen, maar dat zij ook de Amsterdamse bevolking van dienst moesten zijn. De orde van Cellenbroeders en -zusters speelde bijvoorbeeld een grote rol in de armen- en ziekenzorg van de stad. Ook het Bethaniënklooster had een dergelijke sociale functie. Zij gaf onderdak aan gevallen vrouwen die na ‘hare leden door onreine lusten bezoedeld te hebben, haar leven met deugdelijke bedrijven poogden te beteren’. Niettemin verwaterde dit kloosterideaal snel want op den duur traden slechts vrome en rijke dames toe tot de orde om een ingetogen en vroom kloosterleven te kunnen leiden. Op het hoogtepunt werd het klooster door tweehonderd vrouwen bewoond. In de 16de eeuw verslechterde, evenals bij andere kloosters, de financiële situatie van het klooster van ‘den bekeerden zustereu’. Bovendien streefde het stadsbestuur ernaar om het grondbezit van de orden verder in te perken. Reeds in 1506 was het bestuur van het Bethaniënklooster gedwongen om grond af te staan aan de stadsregering ter hoogte van de huidige Bethaniënstraat; in 1550 werd de Koestraat aangelegd en verkocht. In dezelfde tijd overwoog men om het klooster zelfs op te heffen en in een pesthuis te veranderen.
Na de omwenteling van 1578 werden kerken en kloosters in Amsterdam onteigend door het protestantse stadsbestuur. Veel van de vrijgekomen terreinen werden direct bouwrijp gemaakt om de enorme bevolkingsgroei te kunnen opvangen, die Amsterdam aan de vooravond van de Gouden Eeuw doormaakte. Het terrein van het Bethaniënklooster werd verkaveld en verviel aan verschillende eigenaren.
Het complex aan de Barndesteeg dat nu gedeeltelijk is gerestaureerd werd in 1592 aan twee kooplieden verkocht. De nieuwe eigenaar van het oostelijke gedeelte van het gebouw, de bankier Leenart Raye, liet in de muur ramen en een deur aanbrengen en voorzag de ingang van een fraai zandstenen poortje met daarboven zijn familiewapen. Tevens liet hij op het achtererf haaks op het kloostergebouw een vleugel aanbouwen. Deze aanbouw, die nog goed te bezichtigen is vanaf het achterterrein (te bereiken via het poortje aan de Oudezijds Achterburgwal door de Hoogkamersgang) heeft dus niets met het oorspronkelijke klooster te maken maar vormt, ondanks de herstellingen, wel op deze plaats een herinnering aan het gebouw van omstreeks 1600. Het langere westelijke gedeelte van het kloostergebouw aan de Barndesteeg werd door Marcus de Vogelaer bewoond, het pand kreeg de naam de Oyevaer, en heeft een tijdlang dienst gedaan als de herberg ‘t Turfschip van Breda. Beide panden werden van elkaar gescheiden door een na de verkoop in 1592 opgemetselde muur.
In 1705 vond in het pand de Oyevaer een ingrijpende verbouwing plaats die de oorspronkelijke kloosterruimte een volledig ander aanzien heeft gegeven. Het kerkgenootschap van de Oud-Katholieken, een stroming binnen de katholieke kerk die zich afkeerde van de lijn van Rome, gaf het gebouw weer een kerkelijke bestemming en richtte het in als schuilkerk. In de gevel aan de zuidzijde, niet de straatkant dus, werden halfronde kerkvensters gehakt en de vloer van de eerste verdieping, de voormalige slaapzaal van het klooster, werd gesloopt. De nieuwe schuilkerk ‘De Oyevaer’ beschikte zodoende over een hoger schip. De zware eiken moerbalken uit het plafond werden over de gewelfruggen van de crypte (die zich onder het gebouw bevond) gelegd om de kerkvloer op te hogen. Ook het balkon aan de oostzijde, dat in 1705 werd aangebracht, bestaat uit hout dat afkomstig is uit de bouwtijd van de 15de eeuw. Het nieuwe plafond van de kerkruimte bestond uit een stucgewelf dat het zicht op de oorspronkelijke houtconstructie van balklagen met korbelen volledig ontnam. Tot 1914 hebben in deze ruimte de Oud-Katholieken ongestoord achter de blinde kloostermuur hun kerkdiensten kunnen houden.
In 1970 werd het klooster in erbarmelijke toestand door de gemeente aangekocht, waarna noodzakelijke herstelwerkzaamheden volgden aan de kap en de slechte fundering. In 1987 ontwierp de inmiddels geformeerde Stichting Bethaniënklooster een restauratieplan, waarbinnen het laatste nog gedeeltelijk intact zijnde kloostergebouw van Amsterdam drie nieuwe bestemmingen toebedeeld kreeg. Het souterrain met de kruisgewelven van omstreeks 1540 werd bestemd als ruimte voor kerkdiensten en charitatieve bijeenkomsten. In de kap en de uitbouw werden kamers ingericht voor muziekstudenten van de Stichting Jan Pietersz. Huis. De hoofdverdieping werd ingericht als muziekzaal die ook als vergader- en receptieruimte zou dienen. Door de blinde muur aan de straatkant vormt zij een oase van rust, zonder overlast van straatverkeer.
Tijdens de restauratie van het klooster eind jaren ’80 heeft men geprobeerd om de verschillende functies van het gebouw in de loop der eeuwen weer zichtbaar te maken. Door middel van kleurverschil boven het podium in de oostgevel, is aangegeven hoe het stucgewelf van de schuilkerk uit 1705 oorspronkelijk heeft gelopen. Tevens is aan de waterpas geschilderde kleurvlakken op de dwarsbalk onder de balustrade van het balkon te zien hoe ongelooflijk scheef het pand in de loop der jaren is gezakt. In 1970 heeft men gedurende de eerste noodzakelijke restauraties zelfs overwogen om de blinde muur aan de zijde van de Barndesteeg volledig af te breken omdat zij teveel richting de steeg overhelde. Maar juist omdat de muur, samen met de souterraingewelven, de enige nog authentieke gedeelten van het Bethaniënklooster vormen, heeft men gekozen om tussen de gevels trekstangen en ijzeren balken aan te brengen die moesten voorkomen dat de muur verder wegzakte. Wel is er voor gekozen om een aantal door zwam aangetaste eiken korbelen uit de balklaag te vervangen door nieuwe exemplaren.
Om de zogeheten peerkraalprofielen van de sleutelstukken van dit laat-gotische plafond te accentueren heeft men deze middeleeuwse versiering blauw geschilderd. Tot de tweede helft van de 16de eeuw hakten timmerlieden, nadat het houtskelet in elkaar was gezet, in het sleutelstuk een profiel in de vorm van een rondstaaf waardoor een speelse schaduw ontstond; als bekroning schaafde men van de zijkant een gedeelte schuin af en hakte men een roosje of een doorkruist kussentje op deze plek. Dergelijke korbelen werden na het midden van de 17de eeuw in Amsterdam niet meer gemaakt.
Literatuur: G. Brinkgreve e.a., DE BETHANIËNBUURT, in: speciale uitgave van BINNENSTAD, Amsterdam 1989.





