Ga niet rechtdoor, maar sla links af — daar vindt u de ingang van het columbarium. Neem even de tijd voordat u naar binnen gaat.Binnen is de sfeer direct anders. Stiller. De akoestiek verandert zodra u de drempel over bent: geluiden worden zachter, gedempter. Het is een intieme, beschutte ruimte met een stoel waar u even kunt zitten. Veel vakken zijn nog leeg — dit deel van de Nieuwe Ooster is nog niet zo oud.
Kom u weer naar buiten, houd dan iets rechts aan. Zo loopt u vanzelf aan op de urn van Hella Haasse, die hier tussen de berken en het lavendel een plek heeft gekregen. Het kleine zeegroenkleurige urntje valt bijna niet op — maar kom dichterbij en u ziet de gravure: een ring van tekst in haar eigen handschrift, de openingswoorden van Oeroeg, het debuut waarmee ze in 1948 naam maakte.
‘Oeroeg was mijn vriend. Als ik terugdenk aan mijn kindertijd en mijn jongensjaren, verschijnt zonder uitzondering het beeld van Oeroeg in mij.’


… vak 87 op nummer xxx , Kruislaan 126, Nieuwe Oosterbegraafplaats
Volg het pad richting de Vijver. In de code voor de Vijver, tussen de berken en het uitbundige lavendel, staat een urntje dat je bijna mist. Klein, zeegroen van kleur — petrol, turquoise, zeegroen, het is moeilijk precies te zeggen. Bescheiden tot het randje.
Het past volkomen bij de vrouw die hier rust. Hella Haasse schreef in een tijd waarin de Nederlandse literatuur werd bepaald door drie dominante stemmen: Harry Mulisch, Gerard Reve en Willem Frederik Hermans. De grote drie, noemde men hen. Haasse werd zelden in één adem met hen genoemd, al had dat wel gemogen. Misschien waren het de grote vier. Of misschien, zoals sommigen betogen, was zij de grootste van allemaal. Ze heeft er nooit aanspraak op gemaakt.
In alle bescheidenheid werkte ze decennialang aan een oeuvre van romans, verhalen en essays. Van de koloniale wereld van Nederlands-Indië tot de Bourgondische hoven van de late middeleeuwen — Haasse bewoog zich met gemak door tijd en geografie. Haar boeken worden nog altijd herlezen, herdrukt en bestudeerd.
Op de urn is een ring gegraveerd. Kom je dichterbij, dan zie je dat het geen ornament is maar tekst — geschreven in haar eigen handschrift. Het is de openingszin van Oeroeg uit 1948, het boekenweekgeschenk waarmee ze voor het eerst een breed publiek bereikte:
“Oeroeg was mijn vriend. Als ik terugdenk aan mijn kindertijd en mijn jongensjaren, verschijnt zonder uitzondering het beeld van Oeroeg in mij.”
De tekst is niet gecorrigeerd of opgemaakt. Verschrijvingen en doorhalingen zijn meegenomen in het graveerwerk, precies zoals ze op het oorspronkelijke manuscript stonden. Wat hier staat is geen definitieve versie — het is het denkende, schrijvende, zoekende handschrift van een auteur in het moment van scheppen.
Een klein urntje, tussen de berken en de lavendel. Je zou er zo aan voorbijlopen.
We nemen afscheid van Hella Haasse en lopen naar het water, naar de urnenvijver.






