
Op de gravure van J. van Meurs uit 1663 is te zien dat er in de 17de eeuw op de hoek Oude Hoogstraat/Kloveniersburgwal een ander gebouw stond dan vandaag de dag. In 1555 werd hier namelijk het Bushuis gebouwd. In de vormgeving van deze opslagplaats voor kruit en wapens is de eerste stap te zien richting een andere stijl van bouwen. In plaats van een middeleeuwse trapgevel verwerkte de bouwmeester ‘C’ en ‘S’-voluten in de topgevel. Dit ‘vroeg-renaissancistische’ Bushuis werd in 1603 door het stadsbestuur verhuurd aan de pas opgerichte Verenigde Oost-Indische Compagnie. Deze eerste Naamloze Vennootschap van de wereld kwam voort uit een aantal kleinere compagnieën die sinds het einde van de 16de eeuw de handel ‘overzee’ beheersten. Dankzij het nieuwe samenwerkingsverband — dat de risico’s voor de aandeelhouders aanzienlijk spreidde — en het handelsmonopolie dat zij verwierven in grote gebieden van Azië, groeide zij uit tot de eerste ‘multinational’ van de wereld. Het centrale bestuur van de VOC, de heren XVII, hield in eerste instantie kantoor in het Bushuis aan de Oude Hoogstraat. Deze ruimte werd al snel te klein. Men besloot in 1606 om op het terrein van het Sintjorishof een nieuwe vleugel aan te bouwen. Een poort naast het Bushuis gaf toegang tot dit complex. In 1891 werd het oude Bushuis op de hoek gesloopt en vervangen door het huidige gebouw, ontworpen door rijksbouwmeester C.H. Peters in neogotische stijl.
Op de binnenplaats, die via het poortje te bereiken is, trekt de zuidvleugel direct de aandacht. Deze indrukwekkende voorgevel werd, samen met een gedeelte van de westvleugel, opgetrokken in 1606. Het is nog steeds niet precies duidelijk wie aan het begin van de 17de eeuw verantwoordelijk was voor het ontwerp. De balustrade boven op de topgevel en de zandstenen blokken en banden doen vermoeden dat het gebouw een produkt is van het stadsfabrieksamt — een voorloper van Publieke Werken —, geleid door Hendrick de Keyser.
De ingangspartij bestaat uit een halfcirkelvormige boog, opgebouwd uit kussenblokken en afgedekt door een kroonlijst. Hierboven is een rond bovenlicht geplaatst dat wordt omlijst met voluten. Het fries onder de vensters van de eerste verdieping bestaat uit trigliefen, waarvan de onderste gedeelten over de architraaf hangen in de vorm van rolletjes. Men noemt dit wel een lambrekijn. De raamopeningen op de parterre zijn voorzien van boogvormige nissen, waarin voluten en maskers zijn verwerkt. De vensters van de eerste verdieping hebben een rechte bekroning, waarin wigvormige kussenblokken zijn verwerkt. In 1633 werd de westgevel uitgebreid tot de Oude Hoogstraat en bouwde men evenwijdig aan de straat de noordvleugel. Het onderstuk van deze vleugel, bestaande uit zware natuurstenen blokken, doet denken aan het basement van een Italiaans stadspaleis uit de renaissance. De toegangspoort tot de binnenplaats werd voorzien van Toscaanse halfzuilen, die een gebroken fronton dragen. Zo ontstond rond de binnenplaats een complex waar de VOC tot haar ondergang aan het einde van de 18de eeuw kantoor heeft gehouden. Momenteel is in het gebouw een faculteit van de Universiteit van Amsterdam gevestigd.
Het Oost-Indisch huis is een aantal keren in haar lange geschiedenis verbouwd en gerestaureerd, waardoor zij als voorbeeld kan dienen voor de verschillende manieren van restaureren in de loop der eeuwen. De eerste reparatie vond plaats in de 18de eeuw. Waarschijnlijk uit geldgebrek voorzag men de rijke topgevel van de zuidvleugel niet meer van voluten maar versoberde men de gevel tot een lijst. Hier en daar verving men het glas-in-lood in de vensters door een houten roedeverdeling. In de loop van de 19de eeuw werden naar de mode van de tijd alle kruiskozijnen van het complex vervangen door schuiframen met grote ruiten. Bij de volgende verbouwing, in 1891, werden deze schuiframen weer vervangen door kruiskozijnen, echter met grote ruiten. De 18de-eeuwse top kreeg weer de oorspronkelijke gevelvorm uit 1606.
In 1978 werd het Oost-Indisch huis voor het laatst gerestaureerd. De kruisvensters van de verbouwing van 1891 werden weer verwijderd en reconstructies van de oorspronkelijke kruiskozijnen met kleine ruitjes (echter geen glas-in-lood maar een houten roedeverdeling) weer teruggeplaatst. Gezien de vele gedaanteverwisselingen die het gebouw heeft doorgemaakt blijft het altijd de vraag of de restauratoren in 1978 er goed aan gedaan hebben om de 19de-eeuwse toevoegingen te verwijderen. Anderzijds blijft het een sensatie om de binnenplaats aan de Oude Hoogstraat op te wandelen en je, door de aanwezigheid van de gereconstrueerde kruiskozijnen, weer in de 17de eeuw te wanen.
Literatuur: H.J. Zantkuijl, BOUWEN IN AMSTERDAM, Amsterdam 1994, blz. 188-191. H.J. Zantkuijl, VERANTWOORD RESTAUREREN, in: AMSTELODAMUM, jrg. 65 (1978), blz. 100-120.






