(J. C. Bloem, even lid van de NSB )
Brief aan de lezer (49)

“Altijd november, altijd regen, altijd dit lege hart, altijd.” Als in november de regen mijn ramen doet rammelen moet ik ‘altijd’ aan die regels van Bloem denken. Ik kan het niet helpen. Ik zit weer op mijn zolderkamertje, huiswerk te maken. Stiekem lees ik het gedicht. Buiten is het al bijna donker. Altijd november.
Het is natuurlijk een beetje overdreven dichterlijk. En ik heb er niet meer het gevoel bij dat ik als puber van 15 had… Dat spijt mij. Eigenlijk maak ik nu pas mee wat ik toen nog helemaal niet kon beseffen.
Het moest toen nog allemaal beginnen — het Leven met de hoofdletter L. Mijn hemel! Wat wist ik ervan? De regen trommelde op het dak. ‘Die arme man zit gevangen,’ dacht ik, ‘hij komt er nooit meer uit!’ Vooral die dreigende paukenslagen van ‘altijd’ op het eind. Ik voelde ze in mijn binnenste trillen. “Verloren zijn de prille wegen, om te ontkomen aan den tijd.” Christus! Als puber zwelg je in zelfmedelijden. Een leeg hart? Kom, kom, Marlin. Dat hockeymeisje uit Bilthoven-Noord ziet je inderdaad niet staan maar ‘altijd’… dat is echt een beetje te gortig.
Ook daar kun je dus naar terugverlangen, een wereld zonder grijstinten. Neem de dichter zelf. Hij was in de jaren ’30 gecharmeerd van het fascisme. Maar dat was even, niet altijd. Na een jaar zei hij de zwarthemden alweer vaarwel. En toen zat hij natuurlijk met dat lege hart, die arme stakker. De wereld was veel minder zwart-wit. Gelukkig maar. Een hard gelach voor Bloem.
Nu zitten we opgescheept met die pathetische regels van hem. Altijd november, altijd regen. Op de Dappermarkt, waar het ook altijd regent, hangen zelfs regels van hem aan de gevel. Ik kijk er naar als ik kaas koop. Domweg gelukkig in de Dapperstraat. Tsja. Scherpslijpers zullen hem van de gevel willen poetsen. Die vuile NSB-er! Ja, wijs zijn we nu — stakkerig wijs. Het leven met de grote L wordt langzaam weggeschrapt. Altijd in november.
Ozo, Marlin






