Home » cultuuruiting » kunsten & vormgeving » Architectuur & Bouwkunst » Architectuur » De Noorderkerk, ‘het bequaemst tot het gehoor en ghebruyck der Godts-dienst’

De Noorderkerk, ‘het bequaemst tot het gehoor en ghebruyck der Godts-dienst’

De Noorderkerk

Noordermarkt 48 · 1623

Te bezichtigen: kerkinterieur

Het is nog steeds niet helemaal duidelijk welke bouwmeester nu verantwoordelijk is geweest voor het ontwerp van de Noorderkerk. Bij de bouw van het compacte godshuis, dat aan het begin van de Prinsengracht in 1623 op het marktplein werd gebouwd, waren in ieder geval drie beroemde ambachtslieden betrokken: stadssteen-houwer Hendrick de Keyser, de stadstimmerman Hendrick Staets en stadsmetselaar Cornelis Danckertsz. Dit drietal, verenigd in het stadsfabrieksambt, was aan het begin van de 17de eeuw verantwoordelijk voor de stedelijke bouwactiviteiten in Amsterdam en drukte een groot stempel op de architectuur van deze tijd. De woonhuizen en kerken die zij ontwierpen en bouwden bevatten veel verwijzingen naar het Italiaanse maniërisme, zodat men hun bouwstijl ook wel beschouwt als ‘Hollandse renaissance’.

In de architectuur van de Noorderkerk is in ieder geval wat betreft de vorm van de hoge kerkvensters met zandstenen omlijstingen en andere renaissancistische elementen in de langsgevels duidelijk de hand van Hendrick de Keyser te herkennen. De Zuiderkerk (1612) en de Westerkerk (1631), die zeker op zijn naam geschreven kunnen worden, vertonen een aantal overeenkomsten met de Noorderkerk. Maar dit neemt niet weg dat ook Danckertsz en Staets betrokken zijn geweest bij de bouw van de kerk op de Prinsenmarkt, zoals de huidige Noordermarkt destijds werd genoemd. De Keyser kwam bovendien in 1621 te overlijden. De zoon van de meester metselaar Danckertsz legde de eerste steen van de kerk in 1620. Een grote eer die niet iedereen te beurt viel en misschien een bewijs vormt dat zijn vader de kerk heeft voltooid.

De Prinsenmarkt maakte in deze tijd deel uit van een nieuwe stadswijk, die men later de Jordaan zou noemen. In de periode 1614-1640 werd ten westen van de Prinsengracht dit gebied in hoog tempo volgebouwd. In tegenstelling tot het grachtenpatroon van de binnenstad werd tijdens deze stadsuitbreiding de bestaande structuur gevolgd van de weggetjes en slootjes die zich aan de westelijke rand van de stad bevonden. Vandaar dat de Jordaan bestaat uit een regelmatig patroon van smalle steegjes en grachten.

Op het moment dat bekend werd dat op een andere plaats, tussen Prinsengracht en de Keizersgracht, een grote protestantse kerk gebouwd zou worden – in 1631 verrees hier inderdaad de reeds genoemde Westerkerk – leidde dit tot opschudding in de nieuwe wijk. De verontruste bewoners richtten zich tot het stadsbestuur met een verzoek om dichter in hun buurt tevens een kleinere kapel te bouwen. Men vond de afstand naar de nog te bouwen kerk veel te ver lopen en een kleine buurtkerk zou dit euvel verhelpen. In een resolutie van de vroedschap uit 1620 is te lezen dat de distantie tussen het Wester Voekhoff ende de Prinsenmarkt bij der Stads Mr. metselaar was overgetreden ende wijder bevonden, als de distantie tusschen eenige van den kerken in de oude Stadt. Met andere woorden: het verzoek van de luyden, woonende in het nieuwe werck bij de Princengraft werd door het stadsbestuur gehonoreerd. Zelfs nog eerder dan de Westerkerk verrees op de Prinsenmarkt een godshuis, dat vanwege haar ligging in het noorden van de stad de Noorderkerk genoemd zou worden.

Het meest opvallende en vernieuwende in het ontwerp van deze kerk was de plattegrond. Nog meer dan de Zuiderkerk van De Keyser uit 1612 leek de Noorderkerk volledig afgestemd op de protestantse kanseldienst. In tegenstelling tot de bouw van de Zuiderkerk, ondanks het ontbreken van een altaar een nog vrij traditionele driebeukige basiliek met een noord-zuidas, kreeg de Noorderkerk de vorm van een Grieks kruis met vier gelijke armen. Niet op de hoofdassen van de kruisbeuken maar juist op een diagonaal stond tegen één van de vieringpijlers de kansel. Door deze indeling kwam het gesproken woord, een belangrijk element in de protestantse godsdienstoefening, letterlijk en figuurlijk centraal te staan. Deze zogenoemde ‘centraalbouw’, een radicale verandering in kerkbouw, dwong de predikers als het ware een kring om de preekstoel te vormen. De predikant was dan voor iedereen in de kerkruimte duidelijk te zien en te horen.

Het gebouw zelf is daartegen op de Noordermarkt niet dominant aanwezig. De toren is vrij klein en de kerk verdwijnt, op enige afstand bekeken, tussen de rest van de bebouwing rond het marktplein. Vergelijkbaar met de langsgevels van de Zuiderkerk zijn de sluitgevels voorzien van afgeknotte geveltoppen, bekroond met een balustrade. Deze gevels beschikken over een roosvenster met daarboven een gebogen fronton. Aan weerszijden van de top bevinden zich vleugel-stukken, zoals deze ook te zien zijn bij de halsgevel van een woonhuis.

Bij het binnentreden van de kerk, door één van de dienstgebouwtjes die in de ruimte tussen de armen van het Griekse kruis zijn gebouwd, valt meteen de driekwartzuil op die het onmogelijk maakt rechtdoor te lopen. In de kerkruimte eisen alleen de preekstoel (1844) en het orgel (1849) de aandacht op. Om het centrale karakter van het gebouw te versterken zijn de hoeken van de vierkante middenruimte afgescbuind, waardoor een achtkant is ontstaan. Deze eigenaardige ‘binnenhoekafs-chuiningen’ worden afgedekt met schelpvormige gewelven. In de portiekstellingen hangen kerkborden die karakteristiek zijn voor het interieur van de eerste protestantse kerken. Boven de zuidwest-ingang staan op zwarte borden de Tien Geboden, het Onze Vader en de Twaalf Artikelen van het Geloof geschreven en boven de noordoost-ingang wordt melding gemaakt van de eerste steenlegging.

De kruisbeuken worden gedekt met eikenhouten tongewelven die logischerwijze op de kruising een kruisgewelf vormen. Het verhaal gaat dat zij rond 1800 grijs werden geschilderd om de belasting op eikenhout, geheven door het Franse bestuur, te ontduiken. Evenals in de Zuiderkerk bevinden zich onder de gewelftibben (voorzien van cassetten met een bloemmotief) houten trekbalken met sober versierde sleutelstukken om de zijdelingse druk van de kap te ondervangen.

De zeer vervallen Noorderkerk wordt momenteel gerestaureerd door architect Walter Kramer. De eerste fase, waarin de buitengevels, de raampartijen in de hoge gevels, de aanbouwen rond de kerk en essentiële onderdelen van de kapconstructie en het dak werden aangepakt, is nagenoeg voltooid. De tweede fase zal het interieur van de kerk omvatten. Uitgangspunt bij het restauratieplan is, in tegenstelling tot vele andere noodlijdende kerken in Amsterdam die deels zijn verbouwd tot kantoor- of receptieruimte, het goed kunnen functioneren van de eredienst van de Hervormde gemeente Amsterdam, die al eeuwen haar thuisbasis heeft in de Noorderkerk.

Het gebouw, reeds in 1663 door de Stadsbeschrijver Melchior Fokkens beschouwd als ‘de beste kerck die Amsterdam heeft omdatze bequaemst is tot het gehoor en ghebruyck der Godts-dienst’, blijft daarmee qua architectuur en gebruik een monument in de geschiedenis van de Nederlandse Hervormde kerk. Alleen de zuidelijke aanbouw heeft een andere bestemming gekregen: hier is de afdeling Archeologie van de gemeente Amsterdam gehuisvest.

Literatuur: Richard Vervoorn, NOORDERKERK AMSTERDAM, BOUW, INTERIEUR, ORGEL, RESTAURATIE, FUNCTIE, Amsterdam 1992. — H.J. Zantkuijl, BOUWEN IN AMSTERDAM, Amsterdam 1993, blz. 250-252.

Tasklet

🦷🦷🦷🦷🦷 ? Voor een overweldigende en duurzame ervaring zeker raadplegen… want dit zijn kunstwerkjes waar de tand des tijds geen vat op heeft

Blader door alle onderwerpen

Snel bladeren