
Keizersgracht 102 · 1630
Te bezichtigen: kerkinterieur
Achter de panden Keizersgracht 102 t/m 108 werd in 1630 op het terrein van een voormalig hoedenfabriekje een galerijkerk gebouwd. Keizersgracht 104 draagt nog steeds een gevelsteen met een rood hoedje.
De verschillende in woonhuizen verborgen kerken die Amsterdam in de 17de en 18de eeuw rijk is geweest, werden niet uitsluitend gebruikt door katholieken. In 1630 verrees op het achterste deel van de erven van de panden Keizersgracht 102 en 108, het voormalige terrein van een hoedenmakerij, een driebeukige galerijkerk, waar leden van de Remonstrantse Broederschap tot 1957 hun kerkdiensten hielden. Aan de grachtzijde was in 1630 niets van dit godshuis te zien; de huidige kerkgevel met twee grote toegangsdeuren bouwde men pas in 1881.
Het Amsterdamse stadsbestuur keerde zich aan het begin van de 17de eeuw fel tegen de remonstranten, waardoor zij gedwongen waren een alternatieve kerkruimte te zoeken. Deze religieuze groepering die in 1630 in Amsterdam zo’n driehonderd leden kende, verzette zich onder leiding van de Leidse theoloog Arminius tegen een zeer ‘puriteinse’ uitleg van het protestante geloof, zonder veel ruimte voor de vrije wil van de mens. Zij stonden een meer ‘rekkelijke’ interpretatie van de nieuwe godsdienst voor. Een felle tegenstander van de remonstranten was de orthodox-calvinistische theoloog Gomarus die juist heilig geloofde in de predestinatieleer en uitverkiezing. De godsdienstkwestie werd tijdens de Nationale Synode van Dordrecht (1619) in het voordeel van de Gomaristen beslecht. Sindsdien werd het de remonstranten verboden nog kerkdiensten in het openbaar te houden.
Voor de Amsterdamse remonstranten was de ruimte achter een paar huizen aan de Keizersgracht een uitstekende locatie om ongestoord te kunnen kerken. De twee kopers van Keizersgracht 102 in 1629 zullen dan ook niet lang getwijfeld hebben voordat zij het pand in naam van de Remonstrantse Gemeente kochten. Sinds 1619 had de hoedenmaker Hans Lenartsz de Jonge in het belendende pand 104 zijn woonhuis – de gevelsteen met rode hoed herinnert nog aan deze eigenaar. In het pand 102 was zijn hoedenfabriek gevestigd. In dit L-vormige gebouw, dat op het achterterrein van de panden doorliep tot nummer 108, hielden de remonstranten aanvankelijk hun diensten. Om de bereikbaarheid van deze provisorische kerkruimte te vergroten kocht men tevens het pand Keizersgracht 108, waarin men een inpandige gang bouwde. Deze uit de bouwtijd stammende toegang – links van de dooptuin – is nog steeds als nooduitgang van het huidige kerkgebouw aanwezig.
In 1630 begon men op het terrein van de hoedenfabriek met de constructie van een houten kerk met stenen muren. De vorm en afmetingen van het kerkgebouw werden bepaald door de beperkte ruimte maar natuurlijk ook door de eenvoud en soberheid van het remonstrantse geloof. Achter de panden nummers 102 t/m 108 werd zo een galerijkerk gebouwd met drie beuken, afgedekt door houten tongewelven. Nieuw bij dit type kerk waren de galerijen, die in drie zijden rond de preekstoel werden geplaatst. De kerk kan beschouwd worden als een late exponent van de Hollandse renaissance, waarin classicistische vormen op eigen wijze worden hergebruikt. De opeenvolgende zuilenorden en kroonlijsten van de galerijen zijn kenmerkend. De zuilen van de onderste galerij zijn opgetrokken in de Toscaanse orde, de eerste galerij in de Dorische en de tweede in de Ionische orde.
Simon Episcopius, professor in de theologie en voorganger van de gemeente, wijdde de Remonstrantse Kerk in 1630 officieel in. Joost van den Vondel roemde naar aanleiding van de opening van de nieuwe Amsterdamse kerk in de volgende dichtregels de soberheid van het remonstrantse gebouw:
“De heyligheyd hing nayt in kostelycke stef;
al was de tempel heel van louter goud gegoten
gesmeed van diamant, wie anders denckt, is grof.
Ook word de godheyd met kappel noch! kerk besloten
se straelt in ‘t heyligh hart; waer dat is, daer is god.”
Al spoedig breidde de kerkgemeente haar bezittingen uit. In 1719 werd een orgel van de firma Weygman uit Düsseldorf boven de preekstoel geplaatst. Het orgel was van slechte makelij want vier jaar later moest de beroemde orgelbouwer Christian Müller worden ingehuurd om het instrument te verbeteren. Aan het eind van de 18de eeuw begonnen de dunne muren van het gebouw op verschillende plaatsen te verzakken; aan de buitenzijde werden steunberen aangebracht die nog duidelijk te zien zijn. In 1876 werd in de oorspronkelijke toestand van het gebouw nog rigoureuzer ingegrepen. Het middenschip kreeg een hogere kap, met daarboven een groot bovenlicht. De ramen in de zuidgevel naast het orgel werden dichtgemetseld omdat zij bij fel zonlicht de ogen van de kerkgangers – uiteraard gericht op de preekstoel – teveel verblindden. In de huidige toestand van het gebouw is deze praktische verbouwing van 1876 niet meer aanwezig, omdat het deed de oorspronkelijke sfeer van de eenvoudige architectuur geweld aan.
In 1959 werd de Remonstrantse Kerk vanwege haar uitzonderlijke akoestiek in gebruik genomen als oefenruimte van het Amsterdams Conservatorium en de Opera. Eind jaren ’80 werd de kerk voor het laatst gerestaureerd en ingericht als cultureel centrum ‘De Rode Hoed’. De naam heeft men ontleend aan de gevelsteen van het woonhuis Keizersgracht 104. Nationale bekendheid verwierf het nieuwe centrum door de in het gebouw georganiseerde symposia van de filosoof en studentenpastor Huub Oosterhuis en de televisieprogramma’s die in de schuilkerk worden opgenomen. Daarnaast vinden er in De Rode Hoed politieke discussies en theaterproducties plaats, maar ook diners en feestelijke bijeenkomsten. De studenten-ecclesia gaat er nog steeds ter kerke.
Literatuur: H.J. Zantkuijl e.a., VRIJBURG. GESCHIEDENIS EN TOEKOMST VAN EEN AMSTERDAMSE SCHUILKERK, Amsterdam 1980.






