
Prinsengracht 159-171 · 1765, omstreeks 1800 en 1882
Te bezichtigen: binnentuin hofje
Op het terrein tussen de Prinsengracht en de Keizersgracht stond ter hoogte van het huidige Zon’s Hofje in de tweede helft van de 17de eeuw een klein schuilkerkje dat de naam ‘De Kleine Zon’ droeg. Hier ging een groepje doopsgezinde Amsterdammers ter kerke die zich hadden afgescheiden van de doopsgezinde gemeente ‘De Zon’. Deze gemeente hield haar diensten in de huiskerk aan Singel 118 en vormde op zich één van de vele afsplitsingen van de zeer verdeelde doopsgezinde hoofdkerk in Amsterdam.
In 1677 werden de religieuze geschillen tussen beide gemeenten weer bijgelegd en kwam het kerkje van ‘De Kleine Zon’ leeg te staan. Het werd uiteindelijk verkocht aan een groep Friese doopsgezinden, een dissidente groep kerkgangers die zich tot dan toe gevestigd had in de huiskerk ‘D’Arke Noach’ op Herengracht 45. Uiteindelijk ging in 1752 deze afsplitsing ook op in de gemeente ‘De Zon’ waardoor de kerk overbodig werd. Op dat moment werd door het kerkbestuur besloten om het terrein te verbouwen tot een hofje voor ‘oude vrouwen’.
In 1765 werd dit hofje voor doopsgezinde dames van minimaal vijftig jaar geopend. Voor 18de-eeuwse begrippen was het Zon’s Hofje zeer modern: de zes oorspronkelijke huisjes beschikten over sanitair, een bedstede en een zoldertje voor het drogen van de was en de opslag van turf. Een gedenkplaat in de noordzijde van het hofje herinnert aan deze gebeurtenis. Onder de klok, de tekst en het jaartal is een tafereel te zien dat de fusie tussen de twee doopsgezinde gemeentes ‘De Zon’ en ‘D’Arke Noach’ moet symboliseren.
In 1782 kocht ‘De Zon’ tevens de panden Prinsengracht 173 en 175, die ingericht werden als woning voor de opzichter van het hofje en als bestuurskamer. In de 19de eeuw werd het hofje een aantal keren vernieuwd en uitgebreid, zodat het op haar hoogtepunt huisvesting kon bieden aan 32 dames. Aan het begin van de 20ste eeuw nam de belangstelling voor het hofje af. In de jaren ’60 was de doopsgezinde gemeente gedwongen om het oude hofje te verhuren aan vrouwelijke studenten.
Literatuur: P. Spies, K. Kleijn e.a., HET GRACHTENBOEK I, Den Haag 1992, blz. 210.






