Lojong 28 Heb geen hoop
Home » Lojong » Stap 6 – Wees vaardig in relaties » Lojong 28. Heb geen hoop

Lojong 28. Heb geen hoop

Stap 6: wees vaardig in relaties 

Abandon any hope of fruition

of wandel een stapje naar voren of naar achteren:

“Heb geen hoop” klinkt als een harde boodschap, maar in de context van Lojong 28 gaat het erom dat we ons losmaken van de constante drang naar verbetering. Hoop kan een valstrik zijn, omdat het ons in een voortdurende staat van verlangen en verwachting houdt. Als we altijd hopen op verandering of vooruitgang, zijn we nooit echt tevreden met het huidige moment.

Hoop niet, maar streef

We hopen vaak in het klein, soms in het groot. Dat de vergadering goed gaat, dat je een uitnodiging krijgt voor een tweede gesprek, dat je pakketje op tijd bezorgd wordt, dat het droog is als je straks op de fiets stapt. Is hoop altijd behulpzaam? Slogan 28, ‘Heb geen hoop’, nodigt uit om daar secuur naar te kijken.

Hoop richt zich, kenmerkend, op één gewenste uitkomst. Daarmee vernauwt ze je blik en stuurt ze je emotionele reacties. Die ene uitkomst wordt maatgevend: dit is wat ‘goed’ is. Wat daarbuiten valt, stelt teleur. Hoop fixeert het beeld dat je van de toekomst maakt.

Een tweede kenmerk van hoop is dat ze betrekking heeft op een toekomstige gebeurtenis waar je zelf geen directe invloed op hebt. Je kunt hopen dat je partner vanavond kookt, maar het is vreemd om te hopen dat je zelf kookt. Dat doe je of dat doe je niet — dat ligt in jouw hand. Je kunt wél hopen dat je tijd hebt om te koken, bijvoorbeeld als het druk is op de weg en je niet weet of je op tijd thuis zult zijn. Dat zijn omstandigheden waar je zelf geen zeggenschap over hebt.

Hoop is zo gezien een gefixeerd verlangen dat je niet zelf kunt vervullen. Die combinatie zet niet alleen de deur op een kier voor teleurstelling, maar ook voor verwijt. ‘Ik had zo gehoopt dat je zou komen.’ Het kan strelen als iemand dat zegt, maar het kan ook een schuldgevoel oproepen, alsof je tekortschiet.

Wie hoopt, laat de vervulling van eigen wensen over aan anderen — en ervaart daar soms zelfs een zekere opluchting bij. Hoop is de positieve ervaring van onmacht. Natuurlijk ligt er veel buiten onze macht, maar dat besef hoeft ons niet blind te maken voor wat we wél kunnen doen. In plaats van te hopen op een betere wereld, kun je je richten op wat jij hier en nu kunt bijdragen.

In de slogan ‘Heb geen hoop’ kun je daarom een oefening horen: gebruik elk moment waarop je jezelf ziet hopen als aanzet tot een streven. Wat kun je zelf doen om de vervulling van je wens dichterbij te brengen? Soms ligt dat voor de hand. Als ik hoop dat ik op tijd ben, kan ik eerder vertrekken of een andere route nemen. Als ik hoop dat mijn vrouw vanavond kookt, kan ik haar dat vragen. Dat biedt geen garantie — ze kan ‘nee’ zeggen — maar het schept wel helderheid. En als het duidelijk is hoef je ook niet meer te hopen en bespaar je jezelf een teleurstelling.

Soms vraagt het meer creativiteit. Als ik hoop dat het morgen mooi weer is, hoe vertaal ik dat naar een streven? Ik kan mijn regenkleding alvast uit de kast halen of nadenken over een alternatief voor als het weer tegenzit. Waar hoop blijft steken in afwijzing van wat er is, krijgt streven juist vorm door gebruik te maken van wat beschikbaar is. Streven is een praktische vorm van acceptatie en je verantwoordelijkheid nemen. Hoop laat die verantwoordelijkheid aan anderen.

Reflectievragen

  • Kun je hoopvol zijn zonder verwachting?
  • Als alles voortdurend beweegt en verandert en — het Taoïstisch perspectief volgend — elk extreem het tegendeel oproept, wat is dan hoop?

Wat zeg Norman Fischer:

Wanneer je opgewonden raakt over je vooruitgang of ontmoedigd raakt door het uitblijven ervan, laat dan die dwaze gedachte los. Laat alle hoop varen en ga vrolijk verder.


Laat alle hoop varen?

Deze slogan klinkt op het eerste gezicht schokkend. Hoop is toch zeker iets goeds. Ligt hoop niet juist aan de basis van het hele idee van geestestraining? Waarschijnlijk heb je inderdaad enige hoop dat geestestraining een positieve invloed op je leven zal hebben: dat het je zal helpen je als mens te verbeteren, dat je wijzer zult worden, vriendelijker, meer verbonden met anderen als gevolg van de beoefening. Het is goed mogelijk dat wat ik tot nu toe in dit boek heb geschreven je reden heeft gegeven om zulke hoop te koesteren.

Hoopvol zijn is zonder twijfel te verkiezen boven hopeloosheid of apathie. Maar hoop heeft ook een keerzijde. Als we hopen dat geestestraining dit of dat voor ons zal doen, en als we onze vooruitgang meten en moedeloos worden wanneer die vooruitgang niet overeenkomt met het beeld dat onze hoop heeft geprojecteerd, dan wordt hoop contraproductief. Hoop slaat gemakkelijk om in ontmoediging. In die zin is hoop beperkend en niet behulpzaam. Daarom neemt deze slogan een drastisch standpunt in, als een verkwikkende plens ijskoud water in het gezicht: laat alle hoop varen.

Laten we nauwkeuriger kijken naar hoe hoop op persoonlijke verbetering eigenlijk werkt. Het leven is zeer mysterieus. Hoe dichter we bij onszelf komen en bij onze eigen intieme ervaring, hoe mysterieuzer het lijkt. Naarmate we leren—vooral op ons meditatiekussen (maar dit geldt altijd)—ontvouwt het leven zich in een diep onmiddellijk en onafgebroken heden. Op de een of andere manier wordt elk moment van het onmiddellijke verleden opgeslokt door de tijd en verdwijnt het volledig zodra het plaatsmaakt voor een nieuw moment. Het verleden is voortdurend aan het verdwijnen en verdwenen, en het nieuwe heden lijkt op het onmiddellijke verleden, maar is nooit precies hetzelfde—en dit gaat moment na moment zo door.

Dit betekent dat, wat we ook doen of laten, we zullen veranderen, en dat altijd al hebben gedaan. We hoeven dus niet te hopen op verandering. Er zal verandering zijn; er is altijd verandering geweest.

Aan de andere kant: veranderen we eigenlijk wel? Het lijkt erop dat we dat niet doen. Van binnen voelen we ons waarschijnlijk allemaal ongeveer hetzelfde als toen we tien jaar oud waren: ons fundamentele gevoel van subjectiviteit, van onszelf zijn, is exact hetzelfde gebleven, ondanks alle oppervlakkige veranderingen die we door de decennia heen, jaar na jaar, moment na moment lijken te hebben ondergaan.

Dus: aan de ene kant is er elke minuut verandering. Aan de andere kant is er geen verandering. De Fransen zeggen: plus ça change, plus c’est la même chose—hoe meer dingen veranderen, hoe meer ze hetzelfde blijven.

Welke verandering hopen we dan eigenlijk?

Natuurlijk verandert ons karakter in conventionele zin wel degelijk in de loop van de tijd; dat weten we allemaal. De vraag is alleen: worden we beter of slechter? En hoe zouden we dat kunnen weten? Stel dat je vandaag een verward en ongelukkig mens bent die wil verbeteren. Dan heb je waarschijnlijk een idee—hoe vaag ook—van hoe die verbetering eruit zou zien of zou voelen. Dat betekent dat je vanuit verwarring en ongeluk een verbeterde versie van jezelf voorstelt. Hoe kan dat beeld van een verbeterd zelf niet ernstig vertekend zijn, aangezien het een projectie is van een verward en ongelukkig persoon? Zou het kunnen dat dit vertekende beeld van een verbeterd zelf niet alleen onbereikbaar is, maar erger nog: dat het juist ondermijnend werkt?

Als dat zo is, dan zijn al je ideeën over wat het betekent om te verbeteren of om te falen in verbetering per definitie misplaatst, en wordt je hoop op verbetering volledig contraproductief. Is het ooit mogelijk om vanuit één positie werkelijk te weten hoe het is om in een andere positie te zijn? Natuurlijk doen we dat voortdurend, maar het is nooit accuraat. Mijn voorstelling van hoe het zal zijn wanneer ik in Mexico aankom, is nooit hetzelfde als hoe het daadwerkelijk is wanneer ik daar aankom—zelfs al ben ik al vaak in Mexico geweest en weet ik wat ik kan verwachten. De concrete, lichamelijk gevoelde werkelijkheid van het heden is nooit hetzelfde als wat we ons, in het heden, van de toekomst hebben voorgesteld.

Ik beoefen Zen al heel lang. Wanneer mensen overwegen om met de beoefening te beginnen, vragen ze me vaak wat ik eraan heb overgehouden. Hoe is mijn leven veranderd? Ik zeg altijd: ja, natuurlijk ben ik nu heel anders dan veertig jaar geleden. Maar tegelijkertijd geldt dat, wanneer er veertig jaar voorbijgaan, iedereen anders is—Zen of geen Zen. Hoe kan ik weten in hoeverre die verschillen te danken zijn aan mijn Zenbeoefening? Wie weet of de veranderingen in mijn leven niet gewoon het gevolg zijn van veertig jaar leven op aarde, te midden van anderen?

Dat is één probleem. Een ander probleem is: zijn die veranderingen een verbetering geweest? Nou, ja. Ik denk dat ik stabieler ben, ethischer, empathischer; misschien ben ik iets wijzer, rustiger; misschien heb ik een beter besef van waar mijn leven over gaat dan vroeger. Maar ook: nee. In veertig jaar tijd zijn veel dingen slechter geworden. Veertig jaar geleden was ik jonger; ik had meer lichamelijk uithoudingsvermogen, meer kracht, een beter geheugen, ik was slimmer, ik kon beter mediteren; ik had meer veerkracht. Verbetering? Moeilijk te zeggen.

Laat alle hoop varen. Dat wil zeggen: zoek geen verbetering en vier haar niet, maar stel je ook niet voor dat er geen verbetering is of dat het slechter met je gaat. Omdat het werkelijk onmogelijk is om met zekerheid te zeggen of we al dan niet verbeterd zijn, is het beter om onszelf niet te frustreren met zulke nutteloze vragen, en in plaats daarvan door te gaan met de beoefening in het vertrouwen dat zij de moeite waard is omwille van zichzelf.

Dit vertrouwen is geen religieus geloof in de gebruikelijke zin—geen sprong van geloof in Boeddha, boeddhisme of meditatie. Het is een vertrouwen dat we vinden door onze eigen ervaring in de loop van de beoefening. Op een gegeven moment, terwijl we doorgaan, krijgen we een helder en definitief gevoel dat deze training eenvoudigweg het juiste is om te doen. We weten het. We hoeven onszelf of anderen niet te overtuigen. We hebben geen bewijs nodig. We voelen eenvoudigweg de juistheid van de beoefening midden in ons leven. En we zijn tevreden om ons best te doen een vreugdevolle geest te behouden terwijl we nu verder oefenen. Dat is genoeg.

Ondanks wat ik zojuist heb gezegd over de onmogelijkheid, de nutteloosheid en zelfs de contraproductiviteit van werkelijk weten of we verbeteren of niet, is het waar dat veel mensen die deze beoefening doen allerlei prachtige verbeteringen in hun leven ervaren. Ik word daar altijd blij van wanneer ze me dat vertellen. Maar ik heb gemerkt dat het gevoel van grote vooruitgang vooral aan het begin optreedt, in de eerste jaren (of decennia). Naarmate je doorgaat, merk je nauwelijks nog verbeteringen op. Ze kunnen er wel zijn, en anderen kunnen ze waarderen, maar jijzelf merkt ze eenvoudigweg niet meer.

Voor jou verdwijnt de beoefening dan als middel tot zelfverbetering, en het enige wat nog belangrijk is, is je leven te leven—wat betekent dat je je geestestraining voortzet. Shunryu Suzuki noemde dit “beoefening zonder een winnende gedachte.”

Dus deze slogan zegt je: wanneer je opgewonden raakt over je vooruitgang of ontmoedigd raakt door het uitblijven ervan, laat dan die dwaze gedachte los. Laat alle hoop varen en ga vrolijk verder.


(vrij naar Norman Fischer, Training in compassie – Zen Teachings on the Practice of Lojong en de zenlessen van Arthur Nieuwendijk, Zen.nl Amsterdam)

Overweldigende en duurzame ervaringen die het leven ietsje mooier maken

Snel bladeren